Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
698820/1079772
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak draait om de vraag welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de pleegzorg van een jeugdige onder het woonplaatsbeginsel Jeugdwet. De pleegzorg startte in 2019 in de gemeente van de verweerder. Deze gemeente bleef volgens het nieuwe woonplaatsbeginsel verantwoordelijk, ook al was de jeugdige later verhuisd. De indiener droeg de jeugdige echter pas in september 2024 over, terwijl de overdracht uiterlijk 1 januari 2022 voltooid had moeten zijn. Volgens de indiener kwam de jeugdige niet naar voren in controlesystemen of steekproeven, waardoor de fout pas later werd ontdekt. De commissie stelt dat dit late tijdsverloop niet voor rekening van de verweerder mag komen. Gemeenten waren in 2022 immers al op de hoogte van overdrachtsfouten en hadden de resterende casussen actief moeten controleren. Tegelijkertijd acht de commissie het redelijk dat beide partijen verantwoordelijkheid dragen. De indiener blijft daarom financieel verantwoordelijk voor de kosten tot 6 september 2024, de datum waarop contact is opgenomen over de overdracht. Vanaf dat moment ligt de verantwoordelijkheid bij de verweerder. De klacht is gedeeltelijk gegrond verklaard.
De uitspraak
Onderwerp van het geschil
De verzoeker heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.
Het geschil betreft de vraag welke gemeente op basis van het woonplaatsbeginsel Jeugd financieel verantwoordelijk is voor de bekostiging van pleegzorg van de jeugdige.
Standpunt van de indiener
Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De casus betreft een jeugdige, waarvan de pleegzorg is gestart in de gemeente van de verweerder. De verweerder geeft aan dat de jeugdige al in 2019 uit de gemeente is verhuisd. Volgens de indiener is de pleegzorg daarvoor al gestart.
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De jeugdige is al in 2019 uit de gemeente van de verweerder verhuisd. Er was sindsdien geen verblijf opgevoerd.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Reikwijdte en eerdere jurisprudentie
Niet ter discussie staat dat de verweerder op grond van het nieuwe woonplaatsbeginsel financieel verantwoordelijk is voor de jeugdige. De jeugdzorg met verblijf (pleegzorg) is immers in 2019 gestart vanuit de gemeente van de verweerder. Dat volgens de verweerder sinds 2019 geen verblijf meer is opgevoerd, doet aan die financiële verantwoordelijkheid niet af.
Ook niet ter discussie staat het feit dat de indiener de jeugdige te laat heeft overgedragen, nu de overdracht per 1 januari 2022 voltooid had moeten zijn. Het geschil betreft de kosten die zijn gemaakt in de periode tussen 1 januari 2022 en het moment van feitelijke overdracht van de jeugdige.
Reeds in eerdere uitspraken heeft de commissie bepaalt dat het onbeperkt overdragen van jeugdigen – ook ná de deadline van 1 januari 2022 – niet wenselijk is. Niet voor niets was immers vereist dat gemeenten vóór 1 januari 2022 de overdracht van dossiers hadden afgerond. De onder het woonplaatsbeginsel verantwoordelijke gemeente kan anders jaren later geconfronteerd worden met aanzienlijke financiële lasten, terwijl deze gemeente geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de kwaliteit of inhoud van de verleende zorg.
Bij de commissie ligt dan ook de vraag voor of de indiener kan worden verweten dat de betreffende jeugdige pas in september 2024 is overgedragen aan de verweerder.
Late overdracht
De indiener heeft aangevoerd dat de betreffende jeugdige niet uit de transporttool is gekomen en de jeugdige ook niet uit uitgevoerde steekproeven is gekomen. Vanwege de langlopende indicatie van de jeugdige heeft de indiener niet eerder een signaal ontvangen over de gemiste overdracht.
De indiener heeft deze omissie pas 2,5 jaar na ingang van het nieuwe woonplaatsbeginsel ontdekt. Naar het oordeel van de commissie dient dit tijdsverloop niet voor rekening en risico van de verweerder te komen. Gezien het feit dat de indiener reeds in 2022 bekend was met het bestaan van overdrachtsfouten in meerdere casussen, had van verweerder mogen worden verwacht dat zij met de nodige urgentie de overige casussen had onderzocht. Dat het een aanzienlijk aantal casussen betreft, doet daaraan niet af.
De commissie acht het redelijk en billijk dat beide partijen hierin verantwoordelijkheid nemen. De commissie bepaalt dan ook dat de kosten die zijn gemaakt totdat de indiener contact met de verweerder heeft opgenomen ter overdracht van de jeugdige, voor rekening van de indiener zelf komen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de indiener ten dele gegrond;
– bepaalt dat de indiener financieel verantwoordelijk is voor de kosten die zijn gemaakt tussen 1 januari 2022 en 6 september 2024;
– bepaalt dat de verweerder financieel verantwoordelijk is voor de kosten die zijn en worden gemaakt vanaf 6 september 2024.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw E. Liefaard, de heer A. Opstelten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 9 september 2025.