Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
255440/465081
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In dit geschil stond de vraag centraal welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor jeugdhulp en jeugdreclassering aan een jongere die gedurende langere tijd diverse vormen van zorg heeft ontvangen, onder andere in het kader van de Jeugdwet en de Wet verplichte ggz (Wvggz). De indiener stelde dat het verblijf van de cliënt op een forensische psychiatrische afdeling (FPA) geen ‘verblijf’ in de zin van de Jeugdwet betreft en dat daardoor de financiële verantwoordelijkheid zou moeten verschuiven. De verweerder stelde dat het FPA-verblijf niet leidt tot een onderbreking van de verantwoordelijkheid, omdat de zorgvraag bleef bestaan en het ging om een doorlopende jeugdreclasseringsmaatregel. De commissie volgde het standpunt van de verweerder. Hoewel het FPA-verblijf onder een ander wettelijk kader valt, is dit volgens de commissie geen reden om het woonplaatsbeginsel uit te sluiten. De Jeugdwet blijft van toepassing, en eerdere jurisprudentie en toelichting bij de wetswijziging ondersteunen dat verblijf in andere kaders geen financiële verantwoordelijkheid wijzigt. Omdat de cliënt vóór aanvang van de jeugdhulp ingeschreven stond in de gemeente van de indiener, blijft die gemeente verantwoordelijk. De verlengingen van de jeugdreclasseringsmaatregel doen daar niet aan af. De klacht van de indiener is daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2025 te Den Haag.
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de indiener is mevrouw [naam] (juridisch adviseur) ter zitting verschenen. Namens de verweerder waren digitaal bij de zitting aanwezig: mevrouw [naam] en mevrouw [naam].
Onderwerp van het geschil
De indiener heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.
Het geschil betreft de vraag welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de zorgverlening aan een jeugdige, die diverse zorgvormen in verschillende wettelijke kaders heeft ontvangen.
Standpunt van de verzoeker
Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Het geschil betreft de vraag of de indiener of verweerder financieel verantwoordelijk is voor de bekostiging van de plaatsing van een cliënt, vanaf 15 mei 2023. Daarnaast ziet het geschil ook op de bekostiging van de jeugdreclassering vanaf 15 juli 2022. Tevens ziet het geschil op de bekostiging van de periode 27 april 2022 tot en met 14 juli 2022 waarin zowel sprake was van jeugdreclassering als van jeugdhulp met verblijf.
Voor wat betreft jeugdreclassering geldt dat dat jeugdhulp zonder verblijf is. Dan is de gemeente waar de jeugdige staat ingeschreven financieel verantwoordelijk. In het geval van jeugdhulp met verblijf geldt het woonplaatsbeginsel. Dan is de gemeente waar de jeugdige stond ingeschreven voorafgaand aan het verblijf financieel verantwoordelijk. Voor wat betreft de overige periode zou het woonplaatsbeginsel kunnen worden toegepast.
De indiener vraagt zich af of bij een nieuwe periode jeugdreclassering het woonplaatsbeginsel van toepassing is of dat het eerder verantwoordelijke college die verantwoordelijkheid behoudt.
Inmiddels is jeugdzorg aan de jeugdige per 13 mei 2024 beëindigd.
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Op 15 augustus 2021 is de cliënt 18 jaar geworden. Op dat moment stond de cliënt ingeschreven bij zijn ouders in de gemeente van de indiener. Op 27 oktober 2021 is jeugdreclassering opgelegd, die tweemaal is verlengd tot 13 juli 2024. De jeugdreclasseringsmaatregel is uitgevoerd door Jeugdbescherming Noord (JB Noord). Ten tijde van de eerste jeugdreclasseringsmaatregel woonde de cliënt bij zijn ouders.
Van 9 december 2021 tot en met 19 augustus 2022 heeft de cliënt jeugdhulp met verblijf ontvangen in [naam gemeente 1] bij jeugdhulpaanbieder [plaatsnaam]. Dit komt niet helemaal overeen met de gegevens uit het BRP. De cliënt stond van 1 februari 2022 tot 21 september 2022 bij de gemeente [naam gemeente 1] ingeschreven op het adres van de jeugdhulpaanbieder.
Uit informatie van JB Noord heeft de verweerder begrepen dat de cliënt na deze periode is opgenomen met een crisismaatregel en vervolgens met een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte ggz (hierna: Wvggz). De crisismaatregel is opgelegd op 25 augustus 2022. Op 7 september 2022 is de cliënt opgenomen bij de forensische psychiatrische afdeling (hierna: FPA) in [plaatsnaam A]. Hierover is verder geen informatie bekend.
JB Noord heeft in het kader van de jeugdreclassering jeugdhulp met verblijf ingezet bij zorgboerderij [naam zorgboerderij] voor de periode van 15 mei 2023 tot 13 juli 2024 (via een jeugdhulpbepaling). Ook dit komt niet geheel overeen met de gegevens uit het BRP. De cliënt heeft van 21 september 2022 tot 13 februari 2024 ingeschreven gestaan in de gemeente van de verweerder te [plaatsnaam A]. Hierna stond de cliënt van 13 februari 2024 tot 12 juni 2024 ingeschreven bij zorgboerderij [[naam zorgboerderij] in de gemeente van de indiener.
Jeugdhulp met verblijf
Uit de Memorie van Toelichting op de Wet wijziging woonplaatsbeginsel blijkt dat van jeugdhulp met verblijf sprake is als de cliënt in het kader van jeugdhulp formeel elders verblijft, niet zijnde thuis bij zijn ouders. Het gaat daarbij om alle vormen van verblijf die onder de Jeugdwet vallen. Daarnaast gaat het om jeugdhulp die voortkomt uit het verblijf in het kader van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wmo 2015. Ook al valt het verblijf niet onder de Jeugdwet, als er na of tijdens deze vormen van verblijf jeugdhulp nodig is, dan wordt deze jeugdhulp vanuit de Jeugdwet betaald.
Hoewel verblijf vanuit de Wvggz niet specifiek wordt benoemd in de definitiebepaling van het woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet hangen dit verblijf en de jeugdhulp met verblijf op grond van de opgelegde jeugdreclassering dusdanig met elkaar samen dat niet gesproken kan worden van een zorgonderbreking. De zorgvraag van de cliënt is immers gedurende de gehele periode blijven bestaan. De MvT bevat het voorbeeld van een jeugdige die na een verblijf in een JJI zelfstandig verblijft in een andere gemeente dan waar de jeugdige zijn woonadres had. Ook in dat geval blijft de oorspronkelijke gemeente verantwoordelijk voor de verplichte jeugdreclassering en jeugdhulp. Dit wordt pas anders bij niet-verplichte jeugdhulp (of ondersteuning op grond van de Wmo 2015): dán is de nieuwe gemeente waar de cliënt na het verblijf is gaan wonen verantwoordelijk.
Hoewel de verweerder beseft dat verblijf in een JJI wél en verblijf in een Wvggz instelling niet is opgenomen in de definitiebepaling van het woonplaatsbeginsel, sluit de uitleg (dat de oorspronkelijke gemeente verantwoordelijk is voor de verplichte jeugdhulp met verblijf in het kader van de jeugdreclassering) aan bij de bedoeling van het woonplaatsbeginsel. Dat de jeugdreclasseringsmaatregel een aantal malen is verlengd maakt dit niet anders.
De verweerder is van mening dat de indiener verantwoordelijk is voor de jeugdreclassering en de jeugdhulp met verblijf die door JB Noord is ingezet.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
Van toepassing op het onderhavige geschil is de volgende wet- en regelgeving:
• De Wet Basisregistratie Personen (BRP);
• De Jeugdwet, in het bijzonder de begripsbepalingen in artikel 1.1 van hoofdstuk 1 betreffende het woonplaatsbeginsel;
• De Wet wijziging woonplaatsbeginsel;
• Het Convenant implementatie woonplaatsbeginsel Jeugdwet.
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Het bepaalt ook welke gemeente de jeugdhulp betaalt. Sinds 1 januari 2022 is het nieuwe woonplaatsbeginsel Jeugd van kracht.
In artikel 1.1 van hoofdstuk 1. ‘Begripsbepalingen en reikwijdte’ van de Jeugdwet is opgenomen:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– woonplaats:
1°.de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, heeft;
2°. ingeval een jeugdige verblijft bij een […..], pleegouder […..]: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had;
[…]
In laatstgenoemd artikel is opgenomen dat onder het woonadres wordt verstaan:
1°. het adres waar betrokkene woont, [….].
Sinds 1 januari 2022 is de gemeente waar de cliënt direct vóór aanvang van de zorg met verblijf stond ingeschreven, verantwoordelijk voor de bekostiging van de jeugdhulp.
Reikwijdte geschil
Allereerst merkt de commissie op slechts uitspraak te kunnen doen over de rol van de indiener en de verweerder in dit geschil. De commissie kan geen uitspraak doen over een gemeente die niet als geschilpartij is aangemerkt.
Toepassing woonplaatsbeginsel
De cliënt heeft zorg en begeleiding ontvangen in verschillende wettelijke kaders. Zo is bij de cliënt sprake van jeugdreclassering en heeft de cliënt daarnaast tijdelijk verbleven op een FPA in het kader van crisismaatregel Wvggz. Bij de commissie ligt de vraag voor of verblijf op een FPA op basis van crisismaatregel Wvggz verblijf in de zin van de Jeugdwet is, en in hoeverre dit van invloed is op het woonplaatsbeginsel.
Vast staat dat het verblijf op een FPA verblijf betreft in een ander wettelijk kader dan het kader van de Jeugdwet. De commissie verwijst naar de Memorie van Toelichting betreffende de wetswijziging Jeugdwet in het kader van het woonplaatsbeginsel (Kamerstukken II, 2018-19, 35 219, nr. 3, p. 8), waarin verblijf in een ander wettelijk kader nader wordt geduid: ‘verblijf van een jeugdige in het kader van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), bijvoorbeeld verblijf in een JJI of verblijf in een opvanghuis voor vrouwen, dan wel een beschermd wonen-setting. Dit verblijf valt niet onder de Jeugdwet en dit verblijf wordt bekostigd op basis van een andere wet. (…) Ook de gedwongen opname en verblijf van jeugdigen op grond van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) is in dit kader van belang’
Echter, dat het verblijf op een FPA niet kwalificeert als ‘verblijf’ in de zin van de Jeugdwet, betekent niet dat de Jeugdwet (en daarmee het woonplaatsbeginsel) in het geheel niet van toepassing is. De commissie verwijst opnieuw naar de voornoemde Memorie van Toelichting, meer specifiek pagina 8-9, waar staat: ‘Op grond van de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijkheid voor de inzet en bekostiging van de jeugdhulp, zoals deze in de Wet Bopz, de Wvggz en of de Wzd wordt voorzien’.
Ter toelichting verwijst de commissie nog naar de Bijlage bij het voornoemde Kamerstuk ‘Voorbeelden over de uitslag bij het nieuwe woonplaatsbeginsel’, meer specifiek voorbeeld 7 en voorbeeld 15. Hieruit blijkt dat doorplaatsingen van een cliënt niet afdoen aan de financiële verantwoordelijkheid van de gemeente waar een cliënt vóór aanvang van het verblijf stond ingeschreven, ook niet als er tussendoor sprake is van verblijf op grond van een ander wettelijk kader. Met de verweerder is de commissie van mening dat, hoewel in het voorbeeld sprake is van detentie in een justitiële jeugdinrichting, dit uitgangspunt ook van toepassing is op verblijf op een FPA in het kader van de Wvggz.
Op grond van de overgelegde stukken concludeert de commissie dat de cliënt voorafgaand aan het verblijf, ingeschreven stond in de gemeente van de indiener. Naar het oordeel van de commissie is de indiener dan ook financieel verantwoordelijk voor de zorg aan de cliënt. De verlenging van de jeugdreclassering maakt dat niet anders.
De klacht is dan ook ongegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de indiener ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw E. Liefaard, de heer G.J. van Noort, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 17 april 2025.