Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang
Categorie: Jeugdwet
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
250430/306418
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Bij de commissie ligt de vraag voor of het verblijf van de jeugdige bij stiefopa en oma is aan te merken als verblijf in de zin van artikel 1.1 Jeugdwet. Naar het oordeel van de commissie is dit het geval, omdat het verblijf is geformaliseerd door de kinderrechter. De klacht is ongegrond.
De uitspraak
Beoordeling
Standpunt van de indiener
Het gezin, bestaande uit moeder en zoon, was ten tijde van de eerste inzet van jeugdhulp woonachtig en ingeschreven in de gemeente A, op het adres van moeder. Tot 2023 was sprake van ambulante jeugdhulp. In de eerste helft van 2023 escaleerde de situatie thuis en was de veilige ontwikkeling van de jeugdige in het geding. Na bemiddeling van Veilig Thuis werd besloten de jeugdige tijdelijk te laten wonen bij stiefopa en oma. Er vond geen inzet van jeugdhulp met verblijf plaats en de jeugdige werd ook niet ingeschreven op het adres van stiefopa en oma.
In verband met een escalatie werd het raadsonderzoek met spoed uitgevoerd met als gevolg op 15 augustus 2023 een uitspraak van kinderrechter: OTS en machtiging uithuisplaatsing bij stiefopa en oma. Er volgde geen bepaling voor jeugdhulp met verblijf.
Vanaf 14 september 2023 zijn moeder en de jeugdige al ingeschreven in de gemeente B. Vanwege de BRP-inschrijving en het feit dat er nog geen sprake was van jeugdhulp met verblijf was de gemeente A genoodzaakt zich terug te trekken uit deze casus.
De indiener is van mening dat het tijdelijk verblijf, zonder inschrijving, bij stiefopa en oma geen vorm van jeugdhulp met verblijf is. Er is in de hele historie van de jeugdige geen opdracht voor jeugdhulp met verblijf gegeven en er is daarmee ook geen sprake van jeugdhulp met verblijf geweest tot aan de start van de behandeling bij GGZ Drenthe in oktober 2023. Er was ook geen sprake van aansluitend verblijf, bijvoorbeeld thuis in verband met wachtlijsten. De inschrijving in de BRP voorafgaand aan de werkelijke start van de behandeling bij GGZ Drenthe is in dit geval doorslaggevend. Volgens de indiener is de datum van de werkelijke startdatum van de behandeling (24 oktober 2023) het moment waarop beoordeeld dient te worden waar de jeugdige zijn woonadres heeft in de zin van de Wet BRP. Dat is de gemeente B.
Weliswaar staat in de bepaling jeugdhulp dat de jeugdhulp zou starten op 13 september 2023, maar de werkelijke startdatum was 24 oktober 2023.
Standpunt van de verweerder
De moeder van de jeugdige heeft zich op 14 september 2023 gevestigd in de gemeente B en ook de jeugdige ingeschreven als inwoner van de gemeente B. De jeugdige verbleef bij stiefopa en oma en was niet woonachtig in de gemeente B, en is ook nooit woonachtig geweest in de gemeente B.
Omdat de jeugdige vanaf 4 mei 2023 bij stiefopa en oma verblijft en dit door een machtiging uithuisplaatsing is bevestigd op 15 augustus 2023 is de indiener verantwoordelijk voor de bekostiging van de jeugdhulp.
Beoordeling door de commissie
Toetsingskader
Van toepassing op het onderhavige geschil is de volgende wet- en regelgeving:
• De Wet Basisregistratie Personen (BRP);
• De Jeugdwet, in het bijzonder de begripsbepalingen in artikel 1.1 van hoofdstuk 1 betreffende het woonplaatsbeginsel;
• De Wet wijziging woonplaatsbeginsel;
• Het Convenant implementatie woonplaatsbeginsel Jeugdwet.
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Het bepaalt ook welke gemeente de jeugdhulp betaalt. Sinds 1 januari 2022 is het nieuwe woonplaatsbeginsel Jeugd van kracht.
In artikel 1.1 van hoofdstuk 1. ‘Begripsbepalingen en reikwijdte’ van de Jeugdwet is opgenomen:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– woonplaats:
1°.de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, heeft;
2°. ingeval een jeugdige verblijft bij een […..], pleegouder […..] : de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had;
[…]
In laatstgenoemd artikel is opgenomen dat onder het woonadres wordt verstaan:
1°. het adres waar betrokkene woont, [….].
Sinds 1 januari 2022 is de gemeente waar de jeugdige direct vóór aanvang van de zorg stond ingeschreven verantwoordelijk voor de jeugdhulp in het geval van zorg met verblijf, in plaats van de gemeente waar de gezagsdrager (de ouder) ingeschreven staat.
Is sprake van verblijf in de zin van de wet?
Bij de commissie ligt de vraag voor of het verblijf van de jeugdige bij stiefopa en oma is aan te merken als verblijf in de zin van artikel 1.1 Jeugdwet. Naar het oordeel van de commissie is dit het geval en daartoe overweegt de commissie als volgt.
De jeugdige is in mei 2023 door Veilig Thuis bij de stiefgrootouders geplaatst. Vervolgens is de uithuisplaatsing in augustus 2023 door de kinderrechter geformaliseerd. Niet weersproken is dat de jeugdige niet bij de moeder kon blijven, tenzij intensieve gezinsbehandeling plaatsvond. Dit wordt benadrukt door de betrokkenheid van Veilig Thuis en het feit dat het proces tot uithuisplaatsing bij de rechter in gang is gezet.
Dat de stiefgrootouders geen pleegzorgvergoeding hebben ontvangen en geen specifieke opdracht van de rechter hebben tot uitvoering van pleegzorg, maakt dit niet anders. Het is niet aan de rechter om te bepalen waar de plaatsing uitgevoerd moet worden.
Op grond van het bovenstaande concludeert de commissie dat sprake is van jeugdhulp met verblijf in de zin van de Jeugdwet. Het woonplaatsbeginsel is van toepassing.
Nu de jeugdige vóór aanvang van het verblijf bij de stiefgrootouders stond ingeschreven in de gemeente van de indiener, concludeert de commissie dat de indiener financieel verantwoordelijk is voor de kosten van de jeugdhulp.
Het verzoek van de indiener wordt afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
verklaart de klacht van de indiener ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw M. Bathoorn – ter Beek, de heer A. Opstelten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 12 december 2024.