Commissie: Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg
Categorie: (On)bevoegdheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: onbevoegdverklaring
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
1343744/1343849
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over een 16-jarige moeder die klaagt over de intensieve begeleiding van een zorgaanbieder bij haar thuis. Volgens haar komen hulpverleners meerdere keren per week langs, terwijl haar baby goed wordt verzorgd en er geen veiligheidsproblemen zijn. Zij vindt dat de bezoeken haar vrijheid beperken en de rust van haar gezin verstoren. Ook is zij het niet eens met het plan om de begeleiding te verlengen. De zorgaanbieder legt uit dat de begeleiding plaatsvindt in het kader van een ondertoezichtstelling en een voogdijmaatregel die door de rechter zijn opgelegd. De hulp wordt uitgevoerd in opdracht van de William Schrikker Groep en niet op basis van de Wet zorg en dwang (Wzd). De commissie oordeelt dat zij de klacht niet inhoudelijk mag behandelen. Haar bevoegdheid is beperkt tot klachten die vallen onder de Wet zorg en dwang. Omdat deze zaak gaat over jeugdbescherming en een rechterlijke maatregel, valt de klacht buiten haar bevoegdheid. Beide partijen hebben tijdens de zitting bevestigd dat hiervoor de klachtenregeling van de zorgaanbieder de juiste route is. De commissie verklaart zich daarom onbevoegd om de klacht te behandelen. Er wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven over de begeleiding.
De volledige uitspraak
Inzake de klacht van
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de klaagster)en
Stichting Ambiq, gevestigd te Hengelo Ov
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
De procedure
De Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna: de commissie) heeft kennisgenomen van de klacht van overgelegde stukken.
Het klachtschrift is op 10 juni 2026 door de klaagster naar de commissie gestuurd ter behandeling.
De commissie heeft de zorgaanbieder de gelegenheid gegeven om schriftelijk op de klacht te reageren. De
commissie heeft het verweerschrift op 18 juni 2026 voor aanvang van de hoorzitting, ontvangen. Partijen hebben kennis kunnen nemen van elkaars stukken.
De hoorzitting vond plaats op 18 juni 2026. De commissie heeft een online zitting gehouden ter bespreking van de klacht. Aan de online zitting namen deel: de klaagster samen met [naam] (cliëntvertrouwenspersoon). Namens de zorgaanbieder waren aanwezig: [naam] (clustermanager), [naam] (gezinshulpverlener) en [naam] (gedragswetenschapper).
Feiten en omstandigheden
De commissie gaat op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht uit van de volgende feiten.
De klaagster is 16 jaar oud en is moeder van een baby. Ten aanzien van de klaagster is sprake van een ondertoezichtstelling. Ten aanzien van haar baby is door de rechter een voogdijmaatregel uitgesproken.
De William Schrikker Groep is door de rechter belast met de uitvoering van deze maatregelen. De uitvoering van de (voorlopige) voogdijmaatregel is namens de William Schrikker Groep belegd bij Ambiq.
De klacht
De klacht van de klaagster ziet op de (frequentie van de) inzet van de zorgaanbieder in de gezinssituatie van de klaagster en de verlenging van de begeleiding. Sinds de geboorte van haar baby, die nu drie maanden oud is, is de zorgaanbieder bij haar thuis betrokken.
De zorgaanbieder komt meerdere keren bij week langs om de thuissituatie te bekijken en te bespreken.
De klacht richt zich op een gebrek aan noodzaak en doelgerichtheid. De ingezette hulpverleners gaven aan niet te weten waarom zij bij de klaagster thuis moesten komen, aangezien alles in de thuissituatie goed verloopt en de baby uitstekend wordt verzorgd. Er is geen sprake van veiligheidsrisico’s of concrete problemen.
De hoge frequentie van bezoeken vormt een beperking van de vrijheid van de klaagster en verstoort de noodzakelijke rust van haar baby. Daarnaast wordt onterecht aangestuurd op verlenging van de begeleiding.
De klaagster wenst dat de huidige bezoekfrequentie onmiddellijk wordt heroverwogen en afgebouwd, aangezien de hulp niet langer nodig en proportioneel is.
Het verweer
De zorgaanbieder heeft het volgende aangevoerd.
Vanaf 2024 is sprake van een ondertoezichtstelling voor de klaagster. Ook is door de rechter een (voorlopige) voogdijmaatregel uitgesproken over de baby en is gesteld dat de klaagster mee moet werken aan hulpverlening.
De zorgaanbieder zet hulp in binnen het gedwongen kader van de jeugdbescherming, de begeleiding is dan ook niet gebaseerd op de Wet zorg en dwang (verder: Wzd). De opdrachtgever is daarmee niet enkel het gezin, het is ook de William Schrikker Groep. De William Schrikker Groep heeft in het kader van een rechterlijke beschikking de opdracht om de opvoedsituatie in kaart te brengen en zet daar de zorgaanbieder voor in.
Overwegingen en conclusies
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie stelt vast dat de zorgverlening aan de klaagster en haar dochter plaatsvindt in het kader van een door de rechter opgelegde ondertoezichtstelling en (voorlopige) voogdijmaatregel. De uitvoering van deze maatregelen is opgedragen aan de William Schrikker Groep als daartoe aangewezen instelling. Voor zover het de uitvoering van de (voorlopige) voogdijmaatregel betreft, heeft de William Schrikker Groep de feitelijke uitvoering belegd bij de zorgaanbieder.
De commissie overweegt dat haar bevoegdheid is gebaseerd op de bepalingen van de Wzd. De klacht heeft echter betrekking op zorgverlening die niet voortvloeit uit een besluit of maatregel op grond van de Wzd, maar uit het wettelijke kader van de jeugdbescherming.
Nu het onderwerp van de klacht daarmee buiten het toepassingsbereik van de Wzd valt, ontbreekt een grondslag voor inhoudelijke behandeling door de commissie.
De commissie neemt daarbij in aanmerking dat beide partijen ter zitting hebben bevestigd dat de klacht niet binnen de bevoegdheid van de commissie valt en dat voor het indienen van deze klacht de klachtenregeling van de uitvoerende zorgaanbieder de aangewezen route is.
Gelet op het voorgaande verklaart de commissie zich onbevoegd om de klacht inhoudelijk te behandelen. Dit oordeel is reeds ter zitting aan partijen medegedeeld.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart zich onbevoegd de klacht te behandelen.
Rechtsmiddel
Partijen kunnen, binnen zes weken na de dag waarop de commissie deze beslissing aan partijen heeft medegedeeld (dat wil zeggen: binnen zes weken na de dag waarop partijen gemeld is dat zij deze beslissing kunnen downloaden van het netwerk van de KCOZ), een verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht (zie artikel 56c Wet zorg en dwang).
Aldus beslist door de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw dr. L. Verhaar, de heer mr. S. Stulp, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 18 juni 2026.