Commissie: Sociaal Domein: Inkoop Jeugdwet en Wmo
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
375321/548244
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Inkoop Jeugdwet en Wmo (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2025 te Den Haag.
Namens de indiener waren ter zitting aanwezig: mevrouw [naam], mevrouw [naam] en mevrouw [naam]. Namens de verweerder zijn mevrouw [naam] en de heer [naam] ter zitting verschenen.
Onderwerp van het geschil
De indiener heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.
Het geschil betreft de vraag of de verweerder de financiering voor de hulpverlening aan de cliënt op goede gronden heeft stopgezet per 1 april 2024.
Standpunt van de indiener
Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De indiener voert sinds 20 juli de voogdij uit over de cliënt. Conform het woonplaatsbeginsel is de verweerder financieel verantwoordelijk voor de jeugdhulp aan de cliënt. De verweerder heeft de bepaling Jeugdhulp met ingang van 1 april 2024 afgewezen althans de financiering daarvan gestaakt. De indiener acht het van belang dat het huidige verblijf van de cliënt bij [naam zorgboerderij] wordt voortgezet.
In april 2023 is de cliënt in overleg met de verweerder geplaatst bij deze niet-gecontracteerde zorgaanbieder, waarvoor een bepaling Jeugdhulp en een betalingsovereenkomst zijn afgegeven. Dit is per e-mail toegezegd tot en met 31 december 2023 en in deze mailwisseling is beschreven dat voor het volgend jaar een nieuwe overeenkomst en bepaling jeugdhulp kan worden opgesteld indien nodig.
Daarom is op 11 december 2023 verlenging van de plaatsing verzocht. Op 14 december 2023 liet de verweerder weten dat zij dit niet kan doen omdat de zorgaanbieder niet meer gecontracteerd is. Hierop hebben een mailwisseling en een gesprek plaatsgevonden. De verweerder heeft hierop een verlenging van drie maanden afgegeven.
De zorgaanbieder is niet meer gecontracteerd, omdat zij volgens de verweerder geen uniek aanbod is, de kwaliteit van de zorgaanbieder niet getoetst kan worden omdat bij de zorgaanbieder niet dag en nacht iemand met een SKJ-registratie aanwezig is.
Belang verblijf
Sinds zijn verblijf bij de zorgaanbieder heeft de cliënt aan veel doelen kunnen werken:
• De cliënt zit goed in zijn vel, er is geen sprake van suïcidale gedachten of automutilatie;
• De cliënt gaat naar school en loopt stage;
• De cliënt vindt een bijbaan;
• De cliënt gaat het diagnostisch onderzoek aan en werkt hieraan mee;
• De cliënt oefent in zelfstandigheid. Hij reist zelfstandig met de trein naar school en met de fiets naar zijn werk.
Uit het diagnostisch onderzoek bij de cliënt blijkt dat bij hem sprake is van hechtingsproblematiek en dat daarom een stabiele, consistente en voorspelbare omgeving essentieel is. Indien het verblijf niet wordt voortgezet is de kans aanwezig dat dit leidt tot psychische problematiek en gedragsproblematiek.
Op grond van het voorgaande acht de indiener voortzetting van het verblijf van de cliënt in zijn belang. Jeugdigen hebben boven alles behoefte aan continuïteit van de hulpverlening, reden waarom bijvoorbeeld ook in onder meer artikel 2.7a en 2.13 van de Jeugdwet het belang van continuïteit van de hulpverlening voorop is gesteld. Daarnaast biedt, zoals hiervoor weergegeven, de zorgaanbieder aan de cliënt wat hij nodig heeft. De gemeente dient op de voet van artikel 2.4 lid 3 sub a van de Jeugdwet redelijkerwijs rekening te houden met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige.
SKJ-registratie
Volgens de indiener is niet wettelijk vereist dat dag en nacht een SKJ-geregistreerde zorgverlener aanwezig is. De indiener verwijst naar hetgeen is vermeld in paragraaf 6.5 van de Memorie van Toelichting waarin is opgenomen dat sprake moet zijn van verantwoorde werktoedeling. De verweerder heeft niet gesteld dat aan het vereiste van een verantwoorde werktoedeling niet is voldaan.
(niet-)gecontracteerde zorg
De indiener heeft alle door de verweerder gecontracteerde zorgaanbieders benaderd, maar bij geen van deze zorgaanbieders was sprake van een (passende) plek. De indiener stelt voorop dat de verweerder op grond van artikel 2.4 lid 2 sub b van de Jeugdwet ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente verantwoordelijk is voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, hetgeen in ieder geval inhoudt dat het college de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel.
Voorts verwijst de indiener naar artikel 3.5 van de Jeugdwet waarin is bepaald dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. In geval sprake is van niet-gecontracteerde
hulpverlening, zoals in het onderhavige geval, kan de indiener met de verweerder overleg voeren.
Dit overleg dient ertoe te bespreken of maatwerk passend is (de hulp dient extern door de gemeente
te worden ingekocht) dan wel of een andere gecontracteerde vorm van hulpverlening kan worden
ingezet. De indiener kan niet instemmen met een andere, wel gecontracteerde vorm van hulp, nu de cliënt overduidelijk baat heeft bij het verblijf op [naam zorgboerderij].
Verzoek
De indiener verzoekt de commissie te bepalen dat het verblijf van de cliënt bij de zorgaanbieder met ingang van 1 april 2024 kan worden voortzet en dat de bepaling Jeugdhulp ten uitvoer dient te worden gelegd, waarvoor de gemeente de (financiële) verantwoordelijkheid draagt.
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De cliënt is in het kader van een crisisplaatsing bij de betreffende zorgaanbieder terechtgekomen, met als doel tijdelijk verblijf totdat een duurzame oplossing gevonden werd. Op die gronden heeft de verweerder een bepaling jeugdhulp afgegeven en een betalingsovereenkomst gesloten.
De zorgaanbieder is een zorgboerderij, geen verblijfsvoorziening. Ook voldoet de zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen. De zorgaanbieder is dan ook geen gecontracteerde partij meer en daarom heeft de verweerder in eerste instantie in december 2023 het verlengingsverzoek afgewezen. De indiener is verzocht een plek te zoeken binnen het ingekochte aanbod. Uit coulance is een verlenging afgegeven tot 1 april 2024.
Vervolgens heeft de indiener weer om verlenging verzocht. Volgens de indiener wil geen van de aanbieders van het ingekochte aanbod de cliënt accepteren of zijn de aanbieders niet passend bevonden. Uit de bijgevoegde mailwisselingen blijkt echter dat de indiener aan de aanbieders extra restricties heeft gesteld: een gemoedelijke setting en geen leeftijdsgenoten. Deze restricties zijn niet eerder naar voren gebracht. De cliënt heeft ook bij de zorgaanbieder samengewoond met een leeftijdsgenoot.
Kwaliteitseisen
De (medewerkers van) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten verantwoorde hulp verlenen (artikel 4.1.1 Jeugdwet en artikel 5.1.1 Besluit Jeugdwet). Deze verplichting is uitgewerkt in de ‘norm van de verantwoorde werktoedeling’. Onderdeel daarvan is dat aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming/reclassering moeten werken met professionals die geregistreerd staan in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of BIG-register. Deze verplichting geldt niet als de aanbieder aannemelijk kan maken dat de inzet van een niet-geregistreerde professional niet afdoet aan de kwaliteit.
De gemeente moet zich er als opdrachtgever van verzekeren dat de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder in staat is te voldoen aan de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling.
Volgens het afwegingskader, zoals opgenomen in het Kwaliteitskader Jeugd, dient de situatie van de cliënt, zowel op basis van cliënt gerelateerde indicatoren als professioneel gerelateerde indicatoren zodanig gekwalificeerd te worden dat de inzet van geregistreerde vakbekwame professional noodzakelijk is. Niemand van degene die zorg bieden bij de zorgaanbieder staat geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd of in het BIG-register. Toch is de indiener van mening dat de eigenaren van een zorgboerderij deze complexe situatie van de cliënt wél aankunnen. Waar die overtuiging op gebaseerd is, wordt niet onderbouwd.
Verzoek
Op grond van vorenstaande wordt de commissie verzocht te bepalen dat de verweerder op basis van de juiste gronden de financiering van de zorgaanbieder per 1 april 2024 gestopt heeft en vervolgens indiener op te dragen de cliënt onmiddellijk te plaatsen in een verblijfsvoorziening die passend, adequaat en verantwoord is en voldoet aan de kwaliteitseisen en liefst ook nog gecontracteerd is.
Beoordeling van het geschil
Toetsingskader
Op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet bepaalt een gecertificeerde instelling (hierna: GI) zoals de indiener of en zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.
Hoofdstuk 4 van de Jeugdwet stelt eisen aan jeugdhulpaanbieders en GI’s. Zo bepaalt artikel 4.1.1 lid 1 Jeugdwet dat jeugdhulpaanbieders verantwoorde hulp verlenen, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige.
Uit artikel 4.1.1 lid 2 Jeugdwet blijkt dat een jeugdhulpaanbieder zich op zodanige wijze organiseert, dat dit tot bovengenoemde verantwoorde hulp leidt. Hieronder valt het zich kwalitatief en kwantitatief voorzien in personeel en materieel en het zorgdragen voor verantwoordelijkheidstoedeling.
Daarnaast vereist artikel 5.1.1. lid 1 van het Besluit Jeugdwet dat taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Hiermee wordt het kwaliteitsregister jeugd bedoeld. Artikel 5.1.1. lid 2 bevat de uitzondering dat anderen dan geregistreerde professionals met de uitvoering van taken belast kunnen worden indien hij of zij aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed.
In de Handreiking Vereenvoudiging verwijsproces gecertificeerde instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) wordt nader ingegaan op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen een gemeente en een GI.
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
De jeugdige woont sinds oktober 2024 niet meer bij [naam zorgboerderij]. Het geschil betreft dan ook de kosten die voor het verblijf bij de [naam zorgboerderij] zijn gemaakt, vanaf 1 april 2024 tot en met het einde van het verblijf.
De indiener heeft als GI de wettelijke verantwoordelijkheid om de door de rechter opgedragen taak voor deze cliënt uit te voeren. De indiener heeft de cliënt vanuit een crisissituatie geplaatst bij De [naam zorgboerderij]. Hier heeft de cliënt uiteindelijk enkele maanden verbleven. Tussen partijen is niet in het geschil dat dit verblijf een positieve invloed heeft gehad op de cliënt. Omdat de zorgaanbieder niet meer door de verweerder is gecontracteerd gaat de verweerder niet akkoord met de financiering van de ingezette jeugdhulp. Volgens de verweerder bevatte het ingekochte zorgaanbod voldoende mogelijkheden voor deze cliënt.
Taken en bevoegdheden
De indiener heeft onderzocht of deze jeugdige zou passen binnen het door de verweerder ingekochte aanbod. De indiener heeft met redenen omkleed aangegeven waarom dit niet het geval is. De verweerder heeft in reactie daarop onvoldoende onderbouwd waarom het ingekochte aanbod wél passend zou zijn. Ook heeft de verweerder geen concrete alternatieven aangeboden.
De commissie verwijst naar de Handreiking vereenvoudiging verwijsproces gecertificeerde instellingen van het Ministerie van VWS, waarin het volgende staat opgenomen over de situatie dat een gemeente en een GI niet tot overeenstemming komen over de in te zetten jeugdhulp: “Het is cruciaal dat de gemeente en GI goed en gezamenlijk hebben gekeken naar (vergelijkbare) mogelijkheden voor passende jeugdhulp (waar de jeugdbeschermer zich in kan vinden) die wel ingekocht en tijdig beschikbaar is. In de ideale situatie komen zowel de jeugdbeschermer als de gemeente tot dezelfde conclusie. Mocht dit niet het geval zijn, zal de gemeente de verwijzing van de GI moeten volgen, omdat het uiteindelijk de gecertificeerde instelling is die de wettelijke verantwoordelijkheid heeft om de door de rechter opgedragen maatregel uit te voeren (MvT Jeugdwet, Artikel 3.3, eerste lid). Een patstelling kost onnodig veel tijd en is met het oog op het belang van jeugdige en gezin niet wenselijk”.
Naar het oordeel van de commissie heeft de verweerder niet alleen onvoldoende onderbouwd waarom het ingekochte zorgaanbod wél passend is, maar ook heeft verweerder zich ten onrechte gemengd in de zorginhoudelijke beoordeling zoals door de indiener (conform diens wettelijke taak) is uitgevoerd. Zo was de verweerder het oneens met de door de GI gestelde voorwaarde dat de jeugdige niet met leeftijdsgenoten kan wonen. Hierin is de verweerder haar taak en bevoegdheid te buiten getreden.
Ook zou geen sprake zijn van een SKJ-geregistreerd professional bij De [naam zorgboerderij]. Naar het oordeel van de commissie berust dit op onjuiste informatie. Uit de e-mail van 10 januari 2024 van een medewerker van de verweerder blijkt dat de verweerder wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van een SKJ-geregistreerd begeleider bij de [naam zorgboerderij].
Volgens de indiener heeft de verweerder vereist dat 24/7 een SKJ-geregistreerd professional aanwezig is. De verweerder ontkent dit, maar uit de bovengenoemde e-mail blijkt deze eis wel degelijk door de verweerder te zijn gesteld.
Op grond van al het bovenstaande verklaart de commissie de klacht van de indiener gegrond. Dit betekent dat de verweerder de kosten moet dragen die voor de begeleiding van de jeugdige op De [naam zorgboerderij] zijn gemaakt vanaf 1 april 2024 tot het einde van zijn verblijf bij de zorgboerderij.
Nu de klacht gegrond is, bepaalt de commissie conform artikel 15 van het Reglement van de commissie dat de verweerder de behandelingskosten van € 1500, — zoals door de indiener voldaan, aan de indiener dient te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de indiener gegrond;
– bepaalt dat de verweerder de kosten voor het verblijf van de jeugdige op De [naam zorgboerderij] dient te voldoen binnen een maand na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de verweerder de door de indiener betaalde behandelingskosten van € 1500, — dient te vergoeden binnen een maand na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Inkoop Jeugdwet en Wmo, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. N. Jacobs, mevrouw E. Liefaard, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 17 april 2025.