Gemeente van woonplaats moet jeugdhulp betalen

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: Kosten    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1262625/1317907

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil gaat over de vraag welke gemeente moet betalen voor jeugdhulp aan een jeugdige. De jeugdige kreeg eerst hulp met verblijf in de ene gemeente, maar ging later weer bij zijn moeder wonen in een andere gemeente en kreeg toen alleen nog ambulante hulp. De eerste gemeente vindt dat de tweede gemeente moet betalen, omdat de jeugdige daar woont en staat ingeschreven. De tweede gemeente vindt dat de hulp nog bij hetzelfde arrangement hoort en dat de eerste gemeente moet blijven betalen. De commissie oordeelt dat ambulante hulp geen verblijf is en dat de gemeente waar de jeugdige woont en staat ingeschreven verantwoordelijk is. De klacht is daarom gegrond en de tweede gemeente moet de kosten terugbetalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De verzoeker heeft de klacht voorgelegd aan de verweerder.
Het geschil betreft de vraag welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de bekostiging van de ingezette jeugdhulp.

Standpunt van de verzoeker

Voor het standpunt van de verzoeker verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De casus ziet op een jeugdige die met zijn moeder staat ingeschreven in de gemeente van verzoeker. Op enig moment wordt de jeugdige uit huis geplaatst en in een instelling ondergebracht in de gemeente [plaatsnaam]. De gemeente van verzoeker neemt de kosten van de jeugdhulp -conform het Woonplaatsbeginsel- voor haar rekening omdat er sprake is van verblijf. Gedurende deze periode verhuist de moeder van jeugdige naar de gemeente van verweerder. De jeugdige gaat in november 2024 weer bij zijn moeder wonen en wordt met een kleine vertraging ook ingeschreven op het GBA-adres van moeder in de gemeente van verweerder. De jeugdige ontvangt op dat moment alleen nog ambulante hulpverlening.
Het geschil richt zich op de financiële verantwoordelijkheid ten aanzien van de periode 23 november 2024 tot en 5 april 2025. Dit betreft de periode dat de jeugdige bij moeder woont en wordt ingeschreven op het GBA-adres in de gemeente van verweerder tot het einde van het arrangement.
Naar de mening van verzoeker geldt voor deze periode dat verweerder financieel verantwoordelijk is voor de ambulante hulp die de jeugdige heeft gekregen. Verzoeker stelt zich namelijk op het standpunt dat bij ambulante hulpverlening geen sprake is van verblijf, zodat de gemeente waar de jeugdige verblijft en staat ingeschreven -conform het Woonplaatsbeginsel- financieel verantwoordelijk is.
Verzoeker verzoekt de commissie recht te doen en te bepalen dat verweerder de door verzoeker betaalde arrangementskosten voor de jeugdige moet terugbetalen. Het gaat om de kosten gedurende de periode 23 november 2024 tot en met 5 april 2025. In totaal gaat het om een bedrag van bijna € 95.000,-.

Standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ambulante hulpverlening die de jeugdige heeft ontvangen deel uitmaakt van het arrangement verblijf, zodat de gemeente van verzoeker financieel verantwoordelijk is. Er is een GIK-J arrangement afgegeven voor de jeugdige. Dit betreft eerst een verblijfsarrangement, maar hieronder valt ook de daaropvolgende ambulante hulpverlening. Het verblijf en de ambulante hulpverlening maken volgens verweerder deel uit van één arrangement en worden ook als zodanig administratief geregistreerd. De gemeente die de indicatie voor het arrangement heeft afgegeven blijft daarom financieel verantwoordelijk tot het einde van het arrangement. Om die reden stelt verweerder dat de gemeente van verzoeker verantwoordelijk is voor de kosten van de ambulante jeugdhulp van de jeugdige. Verweerder heeft hierbij voorts aangevoerd dat er in de regio tussen partijen in een convenant afspraken zijn gemaakt dat het product in zijn geheel onder ‘verblijf’ valt, en dat hier in een eerdere situatie tussen verweerder en een andere gemeente ook naar is gehandeld.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.
Wettelijk kader
Van toepassing op het onderhavige geschil is de volgende wet- en regelgeving:
 De Wet Basisregistratie Personen (BRP);
 De Jeugdwet, in het bijzonder de begripsbepalingen in artikel 1.1 van hoofdstuk 1 betreffende het woonplaatsbeginsel.
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp.
In artikel 1.1 van hoofdstuk 1. ‘Begripsbepalingen en reikwijdte’ van de Jeugdwet is opgenomen:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
– woonplaats:
• 1°.de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, heeft;
• 2°. ingeval een jeugdige verblijft bij een […..], pleegouder […..]: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had; [….] Het uitgangspunt van het woonplaatsbeginsel is de woonplaats van de jeugdige. De inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) is leidend. Het woonplaatsbeginsel gaat uit van de woonplaats waar de jeugdige stond ingeschreven op het moment van vaststellen van de zorgvraag. Indien sprake is van zorg met verblijf is de woonplaats waar de jeugdige stond ingeschreven direct voorafgaand aan de start van de verblijfszorg bepalend.
Inhoudelijke beoordeling
De commissie stelt op grond van de voorhanden zijnde stukken en hetgeen ter zitting is besproken het volgende vast: De jeugdige had direct voorafgaand aan de start van de verblijfzorg met zijn moeder woonplaats in de gemeente van verzoeker. De jeugdige wordt op enig moment uit huis geplaatst, en door verzoeker is toen een indicatie voor het arrangement met verblijf afgegeven en betaald. Ondertussen is de moeder van de jeugdige verhuisd naar de gemeente van verweerder. In november 2024 eindigt de zorg met verblijf en gaat de jeugdige weer bij zijn moeder wonen in de gemeente van verweerder. Daar wordt de jeugdige ook ingeschreven in het BRP. De zorg van de jeugdige is toen gewijzigd naar ambulante hulpverlening, en hiervoor is een aparte beschikking afgegeven.
Bij de commissie ligt de vraag voor of de ambulante hulpverlening die de jeugdige ontvangt is aan te merken als verblijf in de zin van artikel 1.1 Jeugdwet. Naar het oordeel van de commissie is dit niet het geval. Ambulante hulpverlening valt niet onder verblijf in de zin van de wet. Door verweerder is betoogd dat het arrangement voor ambulante hulpverlening (administratief) onder het arrangement van verblijf valt, maar dit betoog slaagt niet. Feitelijk verblijft de jeugdige bij zijn moeder. Dat de jeugdhulp administratief op dezelfde wijze als verblijf wordt verwerkt, doet hier niets aan af. Het verweer van verweerder dat sprake is van een convenant waarin de afspraak zou zijn gemaakt dat het product in zijn geheel onder ‘verblijf’ valt, doet aan het voorgaande niets af. Een dergelijk convenant is door verweerder immers niet aan de commissie overgelegd. Daarbij geldt naar het oordeel van de commissie voorts dat het uitgangspunt is dat de wet – en het daarin opgenomen woonplaatsbeginsel – wordt gevolgd.
Bij jeugdhulp zonder verblijf geldt dat de gemeente waar de jeugdige volgens het BRP staat ingeschreven financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. De jeugdige verbleef op het moment van aanvang van de ambulante hulpverlening bij zijn moeder in de gemeente van verweerder, en is daar ook ingeschreven in het BRP. Op het moment stond dat de ambulante hulpverlening aanving ingeschreven bij zijn moeder in de gemeente van verweerder. Verweerder is daarom financieel verantwoordelijk voor de jeugdhulp van de jeugdige. De klacht van verzoeker is dan ook gegrond.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat verweerder ten aanzien van de periode 23 november 2024 tot en met 5 april 2025 financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp voor de jeugdige;
– bepaalt dat verweerder binnen 14 dagen na de verzenddatum van dit bindend advies de door verzoeker gedurende de periode 23 november 2024 tot en met 5 april 2025 betaalde kosten ten behoeve van de jeugdhulp voor de jeugdige aan verzoeker dient te vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw drs. M.E. Peltenburg, mevrouw E. Liefaard, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op 5 maart 2026.