Geen vergoeding van andere gemeente voor overbruggingszorg

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: Kosten    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 976812/1150658

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil gaat over wie moet betalen voor de zorg van een jeugdige nadat hij 18 jaar is geworden en nog wacht op een plek voor beschermd wonen. De indiener vindt dat de gemeente van herkomst deze kosten moet betalen, omdat de zorg tijdelijk is verlengd in de vorm van jeugdhulp. De andere gemeente vindt dat dit niet klopt, omdat al duidelijk was dat de jeugdige verder moest met zorg vanuit de Wmo. De commissie oordeelt dat beschermd wonen de juiste vervolgstap was en dat de gemeente waar de jeugdige wil blijven wonen verantwoordelijk is voor de kosten in de tussenperiode. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard en de kosten komen volledig voor rekening van de indiener.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De indiener heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.

Het geschil betreft de financiering van overbruggingszorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige tot aan het moment van plaatsing binnen een Wmo-voorziening.

Standpunt van de indiener

Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De casus betreft een jeugdige die van 2007 tot en met maart 2023 woonachtig was in verschillende plaatsen binnen de centrumgemeente (gemeente). Van maart 2023 tot en met december 2023 heeft de jeugdige in (plaatsnaam) gewoond. Vervolgens is de jeugdige begin december 2023 in de gemeente van de indiener bij een jeugdinstelling geplaatst, vanuit herkomstgemeente (plaatsnaam).

Vanaf de plaatsing in de gemeente van de indiener is het jeugdzorgtraject lange tijd niet succesvol geweest. Pas enkele maanden voor het verlopen van de indicatie heeft de jeugdige positieve stappen gezet. Hij heeft de expliciete wens geuit om in de gemeenten van de indiener te blijven en wil niet terug naar de regio van herkomst. De indicatie is begin januari 2025 verlopen vanwege zijn 18e verjaardag. De jeugdige verblijft nog wel in de jeugdinstelling.

Beschermd wonen op basis van de Wmo 2015 is passend bevonden door de gemeente van de indiener. De indiener heeft echter aangegeven dat vanwege de prille situatie, het wenselijk is dat de jeugdindicatie vanuit verlening tijdelijk wordt voortgezet door de regio van herkomst, totdat een plek is bij een passende vervolg-Wmo-instelling, waarvoor de jeugdige op de wachtlijst staat. De jeugdinstelling heeft ook geen contract met de gemeente van de indiener.

Verweerder is van mening dat de kosten van deze verlenging bij de indiener behoort te liggen, omdat de jeugdige inmiddels 18 jaar is. De indiener kan deze voorziening echter niet vanuit de Wmo 2015 verstrekken, omdat het een specifieke jeugdinstelling betreft.

De indiener verzoekt de commissie te bepalen dat de gemeente (naam gemeente) verantwoordelijk is voor de financiering van de overbruggingsperiode tussen de 18e verjaardag van de jeugdige en het moment van plaatsing binnen een Wmo-voorziening.

Standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 30 september 2024 heeft de verweerder een e-mail voor verlengde jeugdhulp ontvangen van Jeugdbescherming (provincie). De jeugdige zat op dat moment in verblijf bij een jeugdzorgaanbieder en zou op korte termijn meerderjarig worden. Bij nadere uitvraag werd duidelijk dat de gecertificeerde instelling, op moment van aanvraag, nog geen toekomstplan had gemaakt voor jeugdige. Ook was er nog geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor ondersteuning via voorliggende regelingen zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

Verlengde jeugdhulp
Verlengde jeugdhulp kan alleen worden ingezet voor een ‘jeugdige’ tussen de 18 en 23 jaar als op grond van de Jeugdwet (artikel 1.1 Jeugdwet):
1. De jeugdige al voor zijn 18e levensjaar hulp kreeg en de gemeente vindt dat voortzetting van de hulp nodig is;
2. Er voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is;
3. Na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) de gemeente binnen een termijn van een half jaar vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

De jeugdige heeft zijn voorkeur uitgesproken om binnen gemeente (naam gemeente) te blijven wonen. Na onderzoek bleek hij voldoende binding te hebben met deze gemeente en is de aanvraag bij het (instelling) gehonoreerd. Op 19 december 2024 ontvingen wij het bericht dat het college van (naam gemeente) heeft vastgesteld dat de maatwerkvoorziening, beschermd wonen, gelet op de persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van deze jeugdige, het meest passend, noodzakelijk en effectief zal zijn. Het recht op een voorliggende voorziening ten opzichte van de Jeugdwet staat hiermee vast.

Op basis van artikel 1.2 van de Jeugdwet hoeft een gemeente geen jeugdhulp te verstrekken als sprake is van een voorliggende (passende) voorziening. Daarmee is deze indicatie juridisch gezien voorliggend ten opzichte van de Jeugdwet. Van een uitzonderingssituatie waarin verlengde jeugdhulp noodzakelijk is zoals hierboven uiteengezet is geen sprake.

De noodzaak tot de inzet van verlengde jeugdhulp vloeit niet voort uit de aard van de jeugdhulp, maar uit het ontbreken van een plek binnen de Wmo-infrastructuur van gemeente. De verantwoordelijkheid voor het realiseren van een voorziening ligt bij de gemeente die deze taak uitvoert, in dit geval dus bij gemeente (naam gemeente). Een tijdelijke uitvoeringskloof (zoals het wachten op een passende vervolgplek) betekent niet dat de Jeugdwet alsnog van toepassing blijft. De wet biedt immers geen grondslag om jeugdhulp te verlengen enkel vanwege praktische vertraging in de uitvoering van de Wmo 2015.

Om echter te voorkomen dat deze jeugdige -in afwachting van zijn vervolgplek- geen verblijfplaats meer zou hebben, heeft het college van (gemeente) aangeboden mee te denken met gemeente (naam gemeente).
Vanwege de afwezigheid van een contractuele relatie tussen gemeente en de zorgaanbieder heeft de contractmanager van (plaatsnaam) voorgesteld om alsnog een indicatie voor (verlengde) jeugdzorg af te geven, onder de voorwaarde de kosten daarvan in rekening te brengen bij de indiener. Het college van (gemeente) heeft de indicatie met open armen ontvangen, maar – ondanks de erkenning van de juridische context – het voorstel voor financiële afwikkeling afgewezen.

Met ingang van 13 mei 2025 is de jeugdige verhuisd naar een plek voor beschermd wonen op basis van de Wmo 2015 in (plaatsnaam). Bovenstaande neemt echter niet weg dat het college van (gemeente) van mening is dat gemeente niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de kosten voortvloeiend uit de verlengde jeugdhulp in deze situatie, maar de gemeente (naam gemeente). De Wmo 2015 is als passende voorliggende voorziening ten opzichte van de Jeugdwet vastgesteld.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt allereerst vast dat het voorliggende geschil is ingediend door het centrale toegangspunt voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de regio (naam regio).

Vaststaat dat de betrokken jeugdige gedurende zijn verblijf in de instelling in de gemeente van de indiener de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Reeds vóór zijn meerderjarigheid was duidelijk dat een vervolgtraject in de vorm of richting van beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 de aangewezen en passende vervolgstap zou zijn. Tussen partijen is ook niet in geschil dat beschermd wonen op basis van de Wmo 2015 voor de cliënt het meest passende traject vormt. Beide partijen hebben dit ter zitting bevestigd. Dat mogelijk nog sprake zou zijn van resterende behandeldoelen onder de Jeugdwet, doet aan deze conclusie niet af.

Het geschil tussen partijen ziet enkel op de vraag welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de periode van overbruggingszorg vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige tot aan de feitelijke plaatsing in een voorziening voor beschermd wonen. De indiener heeft ervoor gekozen deze overbruggingszorg te leveren in de vorm van verlengde jeugdhulp, aangezien de betreffende zorgaanbieder niet op grond van de Wmo 2015 door de gemeente is gecontracteerd.

De commissie is van oordeel dat deze omstandigheid geen gerechtvaardigde grond vormt om verlengde jeugdhulp in te zetten. Immers was reeds vastgesteld dat beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 de juiste en beoogde route was. Praktische omstandigheden, zoals wachtlijsten, het ontbreken van direct beschikbare huisvesting of het niet-gecontracteerd zijn van de aanbieder, bieden geen basis om de financiële verantwoordelijkheid via de Jeugdwet bij een andere gemeente neer te leggen.

Nu beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 reeds was geïndiceerd, is sprake van een situatie waarin de zogenoemde wensgemeente – in dit geval de indiener – aan zet is. De jeugdige verbleef immers reeds in de gemeente van indiener, had daar binding opgebouwd en heeft bovendien uitdrukkelijk de wens geuit om in die gemeente te blijven.

De commissie concludeert dan ook dat, nu vast is komen te staan dat beschermd wonen op basis van de Wmo 2015 het aangewezen vervolgtraject is, waarvoor de indiener de indicatie heeft verstrekt, de indiener als wensgemeente verantwoordelijk is voor de financiering van de noodzakelijke overbruggingszorg totdat daadwerkelijke plaatsing heeft kunnen plaatsvinden. Voor financiering via verlengde jeugdhulp is in deze situatie geen plaats, noch bestaat de mogelijkheid de kosten hiervan te verhalen op de verweerder.

De klacht is ongegrond en de kosten voor de overbruggingszorg komen in het geheel voor rekening van de indiener.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– bepaalt dat de indiener financieel verantwoordelijk is voor de kosten die zijn gemaakt vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige tot aan de plaatsing in de voorziening voor beschermd wonen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit de heer mr. P.L. Alers, voorzitter, mevrouw M. Bathoorn-ter Beek, mevrouw drs. M.E. Peltenburg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 27 oktober 2025.