Financiële verantwoordelijkheid voor jeugdhulp blijft terugwerken tot 1 januari 2022 bij late overdracht

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: Woonplaatsbeginsel    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 527253/620709

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In dit geschil zijn casussen niet tijdig overgedragen naar de juiste gemeente. Centraal staat de vraag vanaf wanneer gemeenten in deze situatie de financiële verantwoordelijkheid voor een jeugdige op zich moeten nemen: de datum van overdracht van de jeugdige of de datum van de ingang van het nieuwe woonplaatsbeginsel?

De vaste lijn van de commissie is dat de ingang van het nieuwe woonplaatsbeginsel moet worden aangehouden (1 januari 2022). Toen de verweerder in 2023 ontdekte dat een aantal overdrachten niet hadden plaatsgevonden, heeft de verweerder zich voldoende ingespannen dit tijdig te repareren. De klacht is ongegrond.

Wel is de commissie van mening dat deze vaste lijn doorontwikkeling behoeft. De commissie gaat er daarom vanuit dat gemeenten uiterlijk 1 januari 2025 hun administratie met betrekking tot de overdracht van jeugdigen definitief hebben voltooid.

De uitspraak

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De verzoeker heeft de klacht voorgelegd aan verweerder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2024 te Den Haag. Namens de indiener waren de heer [naam] en mevrouw [naam] ter zitting aanwezig. Namens verweerder zijn mevrouw [naam] en mevrouw [naam] ter zitting verschenen.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
Standpunt van de indiener
Bij de overdracht van jeugdigen van de verweerder naar de indiener, zijn gemeenten het oneens over het moment van verrekenen: per het moment van warme overdracht of met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022. Het geschil ziet op twee gezinnen, waarvan één gezin met één kind en één gezin met twee kinderen.

De indiener gaat akkoord met overdracht van de jeugdigen, maar gaat niet akkoord met verrekening van de kosten met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2022.

Volgens de indiener moet de datum van overdracht worden aangehouden als start van de financiële verantwoordelijkheid en niet de datum van het nieuwe woonplaatsbeginsel. Gemeenten hebben voldoende tijd gehad om casussen tijdig over te dragen.

In de situatie waarin een overdracht feitelijk twee jaar na de wetswijziging plaatsvindt heeft de ontvangende gemeente geen kans gehad opnieuw onderzoek te doen en de jeugdige onder te brengen bij ingekocht aanbod. [gemeente indiener] heeft als grote gemeente relatief vaak te maken met latende gemeenten die zich maanden, zo niet jaren na de wetswijziging hebben gemeld met het verzoek te verrekenen tot het moment van inwerkingtreding van de wetswijziging. Omdat het niet alleen om overdracht van de financiële verantwoordelijkheid gaat, kan de overnemende gemeente zich in zo’n situatie ook geen rekenschap geven van de kwaliteit van de zorg waarvoor zij op grond van de wet wel verantwoordelijk is.

Zeker wanneer de overdragende gemeente wel op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat een andere gemeente al veel eerder verantwoordelijk is geworden voor een jeugdige, moet die omstandigheid worden meegewogen bij het bepalen van het moment van overgaan van verantwoordelijkheid.

Standpunt van de verweerder
Tijdens een check is gebleken dat een aantal jeugdigen onterecht niet zijn overgedragen via de transporttool. Volgens de verweerder moeten deze casussen gefinancierd worden door de gemeente die verantwoordelijk is conform het woonplaatsbeginsel. De verweerder verwijst naar eerdere jurisprudentie van de commissie, waarin ook de ingangsdatum van het woonplaatsbeginsel werd aangehouden als start van de financiële verantwoordelijkheid.

Beoordeling door de commissie
Reikwijdte geschil
Niet ter discussie staat dat de indiener op grond van het nieuwe woonplaatsbeginsel verantwoordelijk is voor de jeugdigen. Ook niet ter discussie staat het feit dat de verweerder de jeugdigen te laat heeft overgedragen, nu de overdrachten per 1 januari 2022 voltooid hadden moeten zijn. Het geschil betreft de kosten die zijn gemaakt in de periode tussen 1 januari 2022 en het moment van feitelijke overdracht van de jeugdigen.

Eerdere jurisprudentie
De commissie heeft reeds uitspraak gedaan in gelijkluidende geschillen. In deze uitspraken (zie onder andere de uitspraak met referentienummer 241126/357666) was de commissie van oordeel dat de Jeugdwet geen expliciete wettelijke kaders biedt voor situaties waarin de overdracht van een jeugdige niet tijdig heeft plaatsgevonden.

De commissie verwees hierbij naar hoofdstuk 10 van de Jeugdwet, waarin het overgangsrecht staat beschreven. Dit overgangsrecht ziet uitsluitend op het waarborgen van de continuïteit van zorg en niet op de verdeling van de financiële verantwoordelijkheid. De voornoemde wetsartikelen zijn erop gericht de continuïteit van zorg te waarborgen ter voorkoming van een vacuüm in de hulpverlening.
In beginsel dienen partijen dan ook onderling afspraken te maken over de overdracht datum van een verlaat dossier. Indien partijen niet onderling tot overeenstemming zijn gekomen over een datum tot overdracht van de jeugdige, was de commissie van oordeel dat moet worden teruggevallen op de datum dat het (gewijzigde) woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet is ingetreden, te weten op 1 januari 2022. Vanaf die datum is de indiener immers op grond van de Jeugdwet formeel verantwoordelijk voor de jeugdige.

Controle transporttool
Ter zitting heeft de verweerder aangevoerd er in eerste instantie vanuit te zijn gegaan dat alle informatie zoals ingevoerd in de transporttool – een hulpmiddel ontwikkeld door de VNG om de overdracht van jeugdigen te realiseren – correct was. Toen in 2023 bleek dat dit niet het geval was, is de verweerder de adressen van jeugdigen direct gaan controleren. De verweerder heeft de facturen getoetst op het woonplaatsbeginsel en voor onterecht niet overgedragen jeugdigen de overdracht opgestart. In diverse gevallen is de overdracht in goed overleg met de betreffende gemeenten ook geslaagd.

Nu de verweerder zich hierin naar het oordeel van de commissie voldoende heeft ingespannen, concludeert de commissie conform de vaste jurisprudentie dat de indiener op basis van het woonplaatsbeginsel financieel verantwoordelijk is voor de kosten van de jeugdzorg.

In zoverre is de klacht van de indiener ongegrond.

Doorontwikkeling jurisprudentie
De commissie is van oordeel dat de eerdergenoemde jurisprudentiële lijn aan doorontwikkeling onderhevig is. Met de indiener is de commissie van mening dat het onbeperkt overdragen van jeugdigen niet wenselijk is. Niet voor niets was immers vereist dat gemeenten vóór 1 januari 2022 de overdracht van dossiers hadden afgerond. De onder het woonplaatsbeginsel verantwoordelijke gemeente kan anders jaren later geconfronteerd worden met aanzienlijke financiële lasten, terwijl deze gemeente geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de kwaliteit of inhoud van de verleende zorg.

Het was reeds vereist dat gemeenten de overdracht van dossiers vóór 1 januari 2022 hadden afgerond. De commissie is van mening dat gemeenten inmiddels ruim voldoende gelegenheid hebben gehad hun administratie op orde te brengen. Derhalve gaat de commissie ervan uit dat gemeenten uiterlijk per 1 januari 2025 hun administratie met betrekking tot de overdracht van jeugdigen definitief hebben voltooid.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de indiener ongegrond;
bepaalt dat de indiener de kosten voor de jeugdigen vanaf 1 januari 2022 dient te voldoen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw M. Bathoorn – ter Beek, de heer A. Opstelten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 12 december 2024.