Dispuut over juiste opvangregio bij huiselijk geweld en hersteltraject

De Geschillencommissie Zorg




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 698292/757956

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Het geschil draait om de vraag in welke regio de maatschappelijke opvang voor een moeder en haar kinderen de grootste kans van slagen heeft. De cliënt verblijft momenteel in de regio van de indiener, maar voelt zich daar ernstig onveilig vanwege een voorgeschiedenis van huiselijk geweld. Zij wil terug naar de regio van centrumgemeente van de verweerder, waar zij eerder heeft gewoond en een steunend netwerk heeft van haar moeder, broer en vrijwilliger. Volgens de indiener is die regio het meest geschikt voor opvang en herstel. De verweerder stelt echter dat de cliënt meer kans op uitstroom naar zelfstandige woonruimte heeft in de regio van de indiener, en ziet het probleem voornamelijk als een huisvestingskwestie. Ook heeft verweerder niet zelf met de cliënt gesproken, maar uitsluitend via het sociaal wijkteam. Het criterium “wens van de cliënt” is door verweerder niet meegewogen, terwijl dit volgens het VNG-convenant wel moet. De commissie oordeelt dat de opvang in de regio van centrumgemeente van de verweerder de grootste kans van slagen heeft. Doorslaggevend zijn de veiligheidsbeleving van de cliënt, haar netwerk en het belang van haar kinderen. De huidige opvang belemmert haar herstel ernstig, omdat zij nauwelijks naar buiten durft. De klacht van de indiener wordt gegrond verklaard.

De uitspraak

Samenvatting
Centraal staat de vraag in welke gemeente/regio het traject van maatschappelijke opvang voor de cliënt de grootste kans van slagen heeft. Hierbij zijn diverse criteria van belang, waaronder de wens van de cliënt.

De commissie heeft alle criteria gewogen en concludeert dat het traject de grootste kans van slagen heeft in de regio van centrumgemeente van de verweerder. De wens van de cliënt, haar veiligheidsbeleving, voorgeschiedenis en het belang van de kinderen zijn hierbij doorslaggevend.

De klacht is gegrond.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De verzoeker heeft de klacht voorgelegd aan verweerder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Beide partijen hebben hun standpunt toegelicht.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025 te Utrecht. Namens de indiener is mevrouw [naam] (senior adviseur opvang en wonen) ter zitting verschenen. Namens de verweerder waren mevrouw [naam] (beleidsadviseur), mevrouw [naam] (namens [naam]) en mevrouw [naam] (namens [naam]) aanwezig.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Standpunt indiener
Een gezin kan niet terecht in de maatschappelijke opvang in de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder] en de cliënt (moeder) verblijft nu op een noodbed in de maatschappelijke opvang in de regio van centrumgemeente [gemeente indiener]. De cliënt voelt zich hier zeer onveilig en durft niet naar buiten met haar kinderen, nadat zij vanwege huiselijk geweld eerder tweemaal is gevlucht uit [naam].

De indiener heeft het benodigde onderzoek conform de landelijke afspraken uitgevoerd. Het gezin wil terugkeren naar [naam], omdat de cliënt daar vier jaar heeft gewoond en daar een steunend netwerk heeft. Het gezin wordt echter geweigerd door de centrale toegang van de centrumgemeente [gemeente verweerder].

Het criterium “wensgemeente” zoals uit de Werkinstructie landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang van de VNG blijkt, is volgens de verzoeker door de verweerder in het geheel niet betrokken en beoordeeld. Het criterium “kans op zelfstandige woonruimte” zoals aangevoerd en beoordeeld door de verweerder komt niet voort uit de werkinstructie.

Ook voert de verweerder aan dat de cliënt minder kans op uitstroom heeft in de regio [gemeente verweerder], nu zij niet onder de urgentieregeling valt. De indiener verzoekt de commissie te oordelen dat “kans op zelfstandige woonruimte” geen criterium is voor landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang.

Ten slotte merkt de indiener op dat het traject met EVI-zorg in [naam] niet verder in gang is gezet. De cliënt heeft ook nooit een plek in de vrouwenopvang geweigerd, omdat zij nooit een plek aangeboden heeft gekregen.

Standpunt verweerder
De verweerder heeft gebruik gemaakt van de Werkinstructie landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang van de VNG.

Op het moment van contact met de centrale toegang in [gemeente verweerder] op 26 augustus door EVI-zorg stond de cliënt ingeschreven in [naam] en verbleef zij hier ook. Op dat moment was er geen acute noodzaak tot opvang. De medewerker van EVI-zorg gaf immers aan dat de cliënt bij haar moeder in [naam] kon gaan logeren. Screening dient, bij geen acute situatie, plaats te vinden door de gemeente van herkomst. De cliënt heeft het voorgaande jaar volledig in [naam] gewoond in een zelfstandige woning met partner en kinderen. De gemeente van herkomst is dan ook de gemeente [naam] en deze valt onder de centrumgemeente [naam] voor de maatschappelijke opvang. In deze gemeente meent verweerder dat de slagingskans op zelfstandig wonen groter is, is er medische opvang voor haar zoontje en is zij bekend met ambulante woonbegeleiding vanuit EVI-zorg.

De wensgemeente van de cliënt is [naam], vanwege een al eerder betrokken vrijwilliger. In [naam] is geen kans op zelfstandige woonruimte en komt de cliënt niet in aanmerking voor urgentie. Bij plaatsing in een maatschappelijke opvang van de centrumgemeente [gemeente verweerder] is haar netwerk net zo dichtbij of ver als in de regio van centrumgemeente [naam]. De grotere slagingskans op het traject gericht op zelfstandig wonen in combinatie met herkomstgemeente, zijn voor [gemeente verweerder] overwegingen geweest om regio van centrumgemeente [naam] aan te wijzen als meest geschikte regio voor maatschappelijke opvang.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd nog verklaard niet met cliënt zelf over haar woonwens te hebben gesproken. Alle contacten met haar of via haar vrijwilliger zijn uitsluitend verlopen via het sociaal wijkteam.

Beoordeling door de commissie
Toetsingskader
In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn de voorzieningen voor maatschappelijke opvang opgenomen. De maatschappelijke opvang is ‘landelijk toegankelijk’. Dat betekent dat een ingezetene van Nederland in aanmerking komt voor een voorziening maatschappelijke opvang (in eerste instantie) te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij/zij zich wendt, indien hij/zij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Elke gemeente tot welke een ingezetene van Nederland zich wendt, is verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang.

Artikel 1.2.1 WMO
Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit:
(…)
c. opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

Het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang van de VNG die beide partijen hanteren, werkt het bovenstaande artikel nader uit. De gemeente waar de cliënt woonde voor aanvang van de maatschappelijke opvang (in dit geval de indiener) is verantwoordelijk voor het uitvoeren van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 3 van het Convenant. In het Convenant staat over dit onderzoek opgenomen:

“Het college betrekt bij dit onderzoek in elk geval de wens van de cliënt. Verder dient het college ook in elk geval bij het onderzoek te betrekken:
a. of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten.
b. of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt”.

De indiener heeft het bovengenoemde onderzoek conform het Convenant uitgevoerd en de verweerder heeft hierop gereageerd met een eigen weging van de standpunten van de indiener.

Waar gaat het geschil over?
In essentie ziet het geschil op de vraag in welke gemeente/regio het traject van de cliënt de grootste kans van slagen heeft. Volgens de indiener is de kans van slagen het grootst in [naam] dat valt onder de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder], nu de cliënt daar een steunend netwerk heeft bestaande uit haar moeder (die op de kinderen kan passen), haar broer en een nauw betrokken vrijwilliger. Daarnaast voelt de cliënt zich zeer onveilig in de huidige noodopvang bij de indiener en omgeving, vanwege problematiek in het kader van huiselijk geweld en de gemeenschap van herkomst. Bovendien is het de expliciete wens van de cliënt om in regio centrumgemeente [gemeente verweerder] te wonen.

De verweerder voert aan dat het steunend netwerk van de cliënt in [naam], onderdeel van de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder], slechts minimaal is en dat de kans op uitstroom naar zelfstandige woonruimte – volgens verweerder van essentieel belang voor de slagingskans van het traject – het grootst is in de gemeente van de indiener. Eerder zou er sprake zijn van een beschikbare woning in de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder] waar de cliënt voor in aanmerking zou komen, maar deze is niet meer beschikbaar. Die woning vloeide namelijk voort uit een traject bij Veilig Thuis, maar dat traject is afgesloten vanwege de op dat moment weggenomen onveiligheid. De cliënt verblijft nu op een veilige plek (een noodbed).

Bij de commissie ligt de vraag voor in welke gemeente/regio de opvang van de cliënt de grootste kans van slagen heeft. De commissie overweegt als volgt.

Grootste kans van slagen
Bij het beantwoorden van de vraag in welke gemeente de opvang van de cliënt de grootste kans van slagen heeft, dienen conform het Convenant meerdere criteria te worden meegewogen. Het Convenant stelt hierover: “De verschillende afwegingscriteria en bijbehorende onderzoeksvragen zijn niet op een eenduidige manier toe te passen. Dat wil zeggen: iedere situatie vraagt om maatwerk. Per situatie is het dan ook verschillend hoe zwaar de verschillende criteria meewegen en welk criterium uiteindelijk doorslaggevend is in de afweging. Elke keer moet de afweging onderbouwd worden”.

Eén van de criteria is de woonwens van de cliënt. Hoewel dit criterium niet op zichzelf staat, wordt het wel expliciet als eerste criterium genoemd. Met de indiener is de commissie van mening dat de verweerder dit criterium in de beoordeling van het onderzoek zoals uitgevoerd door de indiener, geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Verweerder heeft niet met de cliënt zelf gesproken. Contacten zijn uitsluitend via het sociaal wijkteam verlopen.

Volgens de verweerder is het steunend netwerk van de cliënt slechts minimaal aanwezig in de gemeente [naam], de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder]. Uit het onderzoek van de indiener blijkt dat de cliënt wel degelijk een steunend netwerk heeft in [naam] in de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder]. Weliswaar kan de cliënt niet bij haar moeder wonen, wel kan haar moeder op de kinderen passen zodat de cliënt aan haar eigen herstel kan werken. Ook woont haar broer in de centrumgemeente [gemeente verweerder] en haar zeer betrokken vrijwilliger. In de regio van de indiener daarentegen heeft de cliënt geenszins een steunend netwerk, behalve de vrijwilliger die de cliënt is blijven bezoeken.

In de regio van de indiener maakt de cliënt volgens de verweerder meer of sneller kans op een zelfstandige woonruimte door de toegepaste urgentieregeling voor uitstroom. Naar het oordeel van de commissie betekent dit niet direct dat de kans op herstel ook het grootste is in de regio van de indiener. Daarbij komt dat verweerder niet heeft betwist dat de cliënt ook staat ingeschreven bij diverse woningcoöperaties in de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder].

Volgens verweerder is voornamelijk sprake van een huisvestingsprobleem, nu de cliënt zich niet meer in de onveilige thuissituatie bevindt. De commissie deelt deze zienswijze niet. Hoewel de cliënt zich momenteel tijdelijk in een feitelijk veilige omgeving bevindt (een noodbed), is zij door een ervaren dreiging vanuit zowel de vader van haar kinderen als haar gemeenschap ernstig beperkt in haar bewegingsvrijheid. De cliënt komt al maanden niet buiten met haar kinderen, wat naar het oordeel van de commissie de kans van slagen van de het hersteltraject aanzienlijk belemmert. Bij deze overweging is ook het belang van de zorgbehoevende kinderen van de cliënt van doorslaggevende betekenis.

Veilig Thuis
Ten slotte merkt de commissie op het met beide partijen te betreuren dat het traject met Veilig Thuis door miscommunicaties is gestopt en derhalve niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De onveiligheid van de thuissituatie van de cliënt had via Veilig Thuis wellicht eerder tot een woning kunnen leiden in de wensgemeente.

Dit is echter geen reden om naar Veilig Thuis te blijven verwijzen, temeer nu in de gemeente van de indiener niet Veilig Thuis, maar een speciaal toegangspunt verantwoordelijk is voor de toegang tot de vrouwenopvang. Het belang van de cliënt vraagt in deze niet om een strikt formele benadering, maar om een samenwerking op basis van een mensgerichte aanpak.

Conclusie
Al het bovenstaande overwegend concludeert de commissie dat de maatschappelijke opvang van de cliënt en zicht op herstel de grootste kans van slagen heeft in de regio van centrumgemeente [gemeente verweerder]. De wens van de cliënt in het kader van haar kans op herstel en het belang van haar kinderen, dient hierin zwaar te wegen. De veiligheidsbeleving van de cliënt is, zeker met het oog op de voorgeschiedenis van huiselijk geweld, hierbij een doorslaggevend argument.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
verklaart de klacht van de indiener gegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit de heer mr. P.L. Alers, voorzitter, mevrouw drs. M.E. Peltenburg, de heer A. Opstelten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 16 januari 2025.