Commissie: Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg
Categorie: onvrijwillige zorg
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: uitspraak
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
1349929/1350297
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De zaak gaat over een cliënt die bij een zorgaanbieder woont en contact heeft met haar voormalige pleegmoeder. De moeder en curator van de cliënt is het niet eens met de manier waarop de zorgaanbieder dit contact heeft geregeld. De cliënt gaat op donderdag naar het gezinshuis van de pleegmoeder om daar te eten. Daarna mag de pleegmoeder haar terugbrengen naar haar studio en daar nog samen een kopje thee drinken. De curator wil dat deze onderdelen van de regeling stoppen. Zij vindt onder meer dat onvoldoende is onderzocht wat de cliënt zelf wil, of zij hierover zelf kan beslissen en welke risico’s het contact met de pleegmoeder kan hebben. Ook vroeg zij om een schadevergoeding van € 7.011 voor kosten van rechtsbijstand. De commissie oordeelt dat zij de klacht niet inhoudelijk mag behandelen. Volgens de commissie heeft de zorgaanbieder geen onvrijwillige zorg toegepast en is het recht van de cliënt om bezoek te ontvangen niet beperkt. Het is juist de curator die wil dat het contact met de pleegmoeder wordt beperkt. Daardoor valt het geschil niet onder de Wet zorg en dwang en is deze klachtenprocedure hiervoor niet bedoeld. De commissie verklaart zich daarom onbevoegd. Zij mag om dezelfde reden ook niet beslissen over de gevraagde schadevergoeding. Een eerdere tijdelijke schorsing van de contactregeling vervalt. De commissie adviseert partijen wel om met elkaar in gesprek te blijven en eventueel mediation te proberen als zij er samen niet uitkomen.
De uitspraak
Inzake de klacht van
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klaagster)curator en wettelijk vertegenwoordiger van [naam], verblijvende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënte)
en
Stichting Eemhart, gevestigd te Baarn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
De procedure
Klaagster heeft een klacht en een verzoek tot schorsing bij de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna te noemen: de commissie) ingediend. Een voorzitter van de commissie heeft bij beslissing van 27 juli 2026, verzonden op 28 juli 2026, het schorsingsverzoek toegewezen en voor het overige alle beslissingen aangehouden. De inhoud van de beslissing op het schorsingsverzoek moet als hier ingevoegd worden beschouwd.
Na deze beslissing hebben beide partijen nog stukken ingediend. De cliënte heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend. De zorgaanbieder heeft verweer gevoerd tegen de klacht en het verzoek om schadevergoeding. De cliënte heeft hierop gereageerd.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De commissie heeft op 11 augustus 2026 een online zitting gehouden ter bespreking van de klacht. Aan de online zitting namen deel: klaagster – die werd bijgestaan door [naam] (cliëntvertrouwenspersoon Wzd) en [naam] (cliëntvertrouwenspersoon Plus) – en namens de zorgaanbieder: [naam] (gedragsdeskundige), [naam] (manager zorg) en [naam] (bedrijfsjurist).
Feiten en omstandigheden
De commissie gaat op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht uit van de volgende feiten.
De cliënte woont vanaf maart 2026 in een studio van de zorgaanbieder. Klaagster is haar biologische moeder, evenals haar curator. De cliënte heeft daarnaast een pleegmoeder, bij wie zij in totaal 23 jaar in een gezinshuis heeft gewoond. Ter regulering van het contact met de pleegmoeder heeft de zorgaanbieder als eerste en voorlopige afspraak, besloten om bezoekmomenten met de pleegmoeder af te spreken op neutraal terrein, ongeveer eens per twee à drie weken.
Na evaluatie heeft de zorgaanbieder de regeling in juni 2026 gewijzigd als volgt:
“Op donderdagen wordt [naam cliënte] vanuit dagbesteding naar gezinshuis gebracht. Hier kan ze mee eten en wordt vervolgens door gezinshuismoeder naar huis gebracht. Op haar studio kunnen ze dan nog even kort samen een theetje drinken”.
De klacht
Voor de inhoud van de klacht verwijst de commissie naar de beslissing op het schorsingsverzoek.
Na deze beslissing heeft klaagster in een aanvullende reactie benadrukt dat haar klacht is gericht op de door de zorgaanbieder ingerichte contact- en begeleidingsstructuur als geheel en op het risico dat de pleegmoeder – via vervoer en toegang tot de woon- en zorgomgeving van de cliënte – praktische betrokkenheid of rechtstreeks contact met medewerkers van de zorgaanbieder krijgt.
Klaagster betwist dat vóór de uitvoering van de wijziging van de regeling van de omgang met de pleegmoeder in juni 2026 een gedateerde, schriftelijke en controleerbare persoonsgerichte afweging beschikbaar was en dat sprake was van instemming van de cliënte en/of klaagster met de concrete regeling. Een formele beoordeling van de wilsbekwaamheid van de cliënte heeft niet plaatsgevonden. Ook het risico en ernstig nadeel is niet (voldoende) beoordeeld.
Klaagster verzoekt de commissie:
– de in juni door de zorgaanbieder genomen beslissing voor zover deze betrekking heeft op het terugbrengen door de pleegmoeder en het aansluitende studiobezoek geheel of gedeeltelijk te vernietigen;
– de zorgaanbieder op te dragen deze onderdelen niet opnieuw uit te voeren voordat daarover, met inachtneming van de uitspraak, een nieuw schriftelijk en persoonsgericht gemotiveerd besluit is genomen;
– de zorgaanbieder te vragen de destijds bestaande zorgplanversies, Wzd-dossiergegevens en de versie- en wijzigingshistorie over te leggen;
– te bepalen dat bij een nieuw besluit de concrete wil en wilsbekwaamheid van de cliënte, de voorgeschiedenis en dubbelrol van de pleegmoeder, de alternatieven, rolgrenzen en toetsbare evaluatie-, stop- en terugvalcriteria worden betrokken.
Klaagster verzoekt de commissie voorts een schadevergoeding van € 7.011,-, althans van een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag, toe te kennen voor gemaakte kosten van rechtsbijstand.
Het verweer
Het verweer van de zorgaanbieder komt in de kern op het volgende neer.
De zorgaanbieder is primair van mening dat de commissie onbevoegd is ten aanzien van de contactregeling, omdat geen sprake is van onvrijwillige zorg.
De zorgaanbieder heeft geen contactbeperking in het zorgplan opgenomen en geen beperking van het recht op het ontvangen van bezoek toegepast. Hij heeft evenmin een maatregel getroffen dat cliënte iets moet doen of nalaten. De zorgaanbieder heeft juist gehandeld in overeenstemming met zijn eigen waarnemingen, daarbij mede rekening houdend met de wens van cliënte zelf, de geuite zorg van de curator, de geschiedenis en de band met de pleegmoeder/het gezinshuis. Daaruit volgt dat de klacht over het feit dat de zorgaanbieder geen reden ziet het contact met pleegmoeder te begrenzen (in die zin dat de pleegmoeder geen toegang zou mogen krijgen tot de verblijfsruimte van cliënte) buiten het bereik van artikel 55, eerste lid, Wzd valt.
Dat geldt voor de toegang van de pleegmoeder tot de studio en de dagelijkse zorglocaties, het vervoer, het rechtstreekse contact tussen de pleegmoeder en individuele medewerkers, en de gestelde parallelle zorg- of regierol van de pleegmoeder.
Subsidiair, voor het geval de commissie zich wel bevoegd acht, heeft de zorgaanbieder inhoudelijk gereageerd op de klacht. In hoofdzaak voert de zorgaanbieder aan als volgt:
Kwalificatie van de contactregeling als Wzd-maatregel
De zorgaanbieder betwist dat de contactregeling kwalificeert als een Wzd-maatregel. De zorgaanbieder heeft geen beperking van het recht op het ontvangen van bezoek opgelegd, waartegen klaagster zich – als vertegenwoordiger van de cliënte – verzet. Het is juist klaagster die een beperking van het bezoek van de pleegmoeder wenst.
Een beperking van bezoek kan pas aan de orde zijn, indien ernstig nadeel is vastgesteld. Dat ernstig nadeel heeft de zorgaanbieder, in overleg met de Wzd-coördinator, niet gezien. Bovendien verzet de cliënte zich tegen de beperking van het bezoek (als gevolg van het schorsingsbesluit van de geschillencommissie).
Wilsbekwaamheidsvaststelling
Het eigen verzet van de cliënte tegen een beperking van het contact met pleegmoeder blijft zelfstandig gelden, ongeacht haar wilsbekwaamheid ter zake. Een eventuele vaststelling van wilsonbekwaamheid leidt daarom niet automatisch tot een andere beoordeling van de contactregeling. Bovendien is niet aan de voorwaarden voor uitvoering van een formele beoordeling van de wilsbekwaamheid voldaan.
Gestelde grensoverschrijdingen en de gevraagde risicoanalyse
Het is de zorgaanbieder tot op heden niet gebleken dat de pleegmoeder zich ongeoorloofd met de zorgverlening bemoeit, de professionele verantwoordelijkheden van de zorgaanbieder in de weg staat of dat het contact tussen cliënte en de pleegmoeder leidt tot ernstig nadeel als bedoeld in de Wzd. De zorgaanbieder blijft de contacten tussen cliënte en de pleegmoeder actief monitoren. Mocht uit toekomstige observaties blijken dat de situatie wijzigt of alsnog sprake is van (dreigend) ernstig nadeel, dan zal de zorgaanbieder de omgang opnieuw beoordelen en zo nodig passende maatregelen treffen.
De door klaagster gewenste risicoanalyse krijgt daarmee haar plaats binnen een zorgvuldig en professioneel evaluatieproces.
Rolvervaging en parallelle rol
Sinds de cliënte bij de zorgaanbieder in zorg is, heeft de pleegmoeder geen rol ingenomen die niet past bij die van een belangrijke ander in het netwerk van de cliënte. Niet gebleken is van een verschuiving van de rol van pleegmoeder als naaste naar een zorginhoudelijke of organisatorische rol die overlapt met die van de zorgaanbieder en/of met die van klaagster.
Dossiervorming en toetsbaarheid
De zorgaanbieder heeft haar afweging wel degelijk schriftelijk vastgelegd. Die afweging is bovendien niet in isolement tot stand gekomen; klaagster is daarbij betrokken.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie – subsidiair – de klacht van de cliënte in al haar onderdelen ongegrond te verklaren en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen.
Overwegingen en conclusies
De commissie heeft het volgende overwogen.
De voorzitter die het schorsingsverzoek heeft behandeld, heeft op grond van de op dat moment van partijen verkregen informatie in het kader van een voorlopige beoordeling vastgesteld dat er sprake is van een beslissing die tot nadeel bij de cliënte kan leiden. Ingevolge het bepaalde in artikel 10 lid 8 van het reglement van de commissie heeft deze voorzitter niet deelgenomen aan de onderhavige behandeling van de klacht.
In de reactie van de zorgaanbieder op de klacht – die is ingediend na het schorsingsverzoek – beroept de zorgaanbieder zich op onbevoegdheid van de commissie. Dit verweer moet eerst worden onderzocht.
Op basis van de haar thans ter beschikking staande stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is de commissie – anders dan de voorzitter die het schorsingsverzoek heeft behandeld – met de zorgaanbieder van oordeel dat er geen onvrijwillige zorg jegens de cliënte is toegepast.
Er is aan de cliënte immers geen beperking van het recht op het ontvangen van bezoek als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub i Wzd opgelegd. Er loopt daarom ook geen Wzd-maatregel. De klacht valt daarmee evenmin onder een van de in artikel 55, eerste lid, Wzd limitatief opgesomde beslissingen of verplichtingen waarover op grond van dat artikel bij de commissie kan worden geklaagd.
De commissie constateert dat de klacht gaat over de regulering van de contacten met de pleegmoeder. Klaagster en de zorgaanbieder denken hier anders over en er is tussen hen een tegenstelling ontstaan. De zorgaanbieder laat toe dat de pleegmoeder de cliënte na het wekelijks op donderdag mee-eten in het gezinshuis terug mag brengen naar haar studio en samen met de cliënte daar nog een kopje thee mag drinken. Klaagster is het hier niet mee eens en wil dat het terugbrengen en het aansluitende studiobezoek niet meer wordt toegestaan. Het is juist klaagster die wil dat het bezoek van de pleegmoeder aan de cliënte wordt beperkt. Zij verzoekt de commissie aldus te beslissen. Daarvoor is de onderhavige procedure niet bedoeld.
Nu de klacht van klaagster geen Wzd-klacht is, is de commissie niet bevoegd hierover te oordelen. Dit betekent dat de commissie – anders dan de voorzitter – van oordeel is dat ook geen sprake is van een besluit van de zorgaanbieder waarvan schorsing kon worden verzocht. Daarmee ontvalt tevens de grondslag aan de schorsing die de voorzitter bij beslissing van 27 juli 2026 heeft uitgesproken; die schorsing vervalt met de verzending van deze beslissing.
De commissie komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht. Om dezelfde reden komt de commissie niet toe aan het verzoek om schadevergoeding; op grond van artikel 56g, eerste lid, Wzd is dat verzoek gekoppeld aan een klacht als bedoeld in artikel 55 Wzd.
De commissie geeft partijen in overweging om in het belang van de cliënte met elkaar in overleg te blijven over de regulering van het bezoek van de pleegmoeder. Mocht de geplande evaluatie in september 2026 niet tot overeenstemming leiden, dan beveelt de commissie – zoals de voorzitter tijdens de zitting reeds heeft aangegeven – partijen mediation aan.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart zich onbevoegd om over de klacht te oordelen.
De commissie verklaart zich tevens onbevoegd om over het verzoek tot schadevergoeding te oordelen.
De schorsing die de voorzitter bij beslissing van 27 juli 2026 heeft uitgesproken, vervalt met de verzending van deze beslissing.
Rechtsmiddel
Partijen kunnen, binnen zes weken na de dag waarop de commissie deze beslissing aan partijen heeft medegedeeld (dat wil zeggen: binnen zes weken na de dag waarop partijen gemeld is dat zij deze beslissing kunnen downloaden van het netwerk van de KCOZ), een verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht (zie artikel 56c Wet zorg en dwang).
Aldus beslist door de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg, bestaande uit de heer mr. dr. B. Wallage, voorzitter, mevrouw drs. J.C. van Alfen en de heer S.A. de Wit MSc, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 11 augustus 2026.