Zorginstelling heeft voldoende maatregelen genomen naar aanleiding van bevindingen klachtencommissie. Overige klachten ongegrond, wijkverpleegkundige heeft met zorgplan, informatie inwinnen en afbouw van de zorg zorgvuldig gehandeld.

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 108148

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënt en Stichting Land van Horne, gevestigd te Weert (verder te noemen: de zorginstelling)

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 22 mei 2017 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Namens de cliënt is ter zitting [gemachtigde] verschenen. De zorginstelling heeft op voorhand aangegeven geen gebruik te zullen maken van de mogelijkheid ter zitting haar standpunt toe te lichten.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de indicatiestelling van de cliënt, de kwaliteit van de zorgverlening door de zorginstelling en de nalatigheid van de klachtencommissie.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door de cliënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van de cliënt op het volgende neer.

– De wijkverpleegkundige is onzorgvuldig geweest bij het opstellen van het zorgplan;
– De wijkverpleegkundige heeft verzuimd om informatie in te winnen bij de huisarts en de cliënt te informeren over het zorgplan, terwijl dat volgens het NORM-KADER – bedoeld zal zijn het normenkader verpleegkundige indicatiestelling en organisatie van de te leveren zorg – wel had gemoeten;
– De gemaakte afspraak dat de cliënt uitsluitend door een verpleegster wenste te worden verzorgd en niet door een verpleger, werd niet nagekomen;
– De cliënt heeft duidelijk aan de verpleger kenbaar gemaakt dat zij niet door hem geholpen wenste te worden, maar de verpleger heeft niets met deze informatie gedaan;
– Het gedrag van de verpleger heeft bewerkstelligd dat de cliënt de verpleger niet meer heeft toegelaten. Die situatie heeft ertoe geleid dat de zorg onterecht werd beëindigd. De zorginstelling heeft niets hiermee gedaan;
– De cliënt is nooit geïnformeerd over het feit dat zij bij het evaluatiegesprek een tweede persoon had mogen uitnodigen. Het evaluatiegesprek werd gevoerd door twee verpleegkundigen. De cliënt voelde zich door het gedrag van hen bezwaard en gechoqueerd;
– de zorginstelling heeft de poging van de cliënt om te komen tot een toetsing van de bestaande protocollen genegeerd en heeft nagelaten verbeterpunten aan te dragen, waardoor de kwaliteit van de zorg weer kan worden geoptimaliseerd.
 
De cliënt verlangt dat de commissie haar een vergoeding toekent van €1.000,–, zijnde de onkosten van [gemachtigde] voor de procedure bij zowel de klachtencommissie als deze commissie.

Standpunt van de zorginstelling

Het standpunt van de zorginstelling luidt in hoofdzaak als volgt.

De zorginstelling erkent dat zaken in de zorg voor de cliënt niet goed zijn gegaan. De zorginstelling verwijst hiervoor naar de uitspraak van de klachtencommissie, inclusief het verslag van de hoorzitting en het schrijven van haar bestuurder van 20 september 2016. De klachtencommissie heeft haar taken deskundig en professioneel uitgevoerd en er is geen sprake van nalatigheid. De beoordeling van de klacht en de aanbevelingen van de klachtencommissie zijn door het bestuur van de zorginstelling overgenomen. De cliënt is per brief hierover geïnformeerd. Daarna heeft er ook nog een afsluitend gesprek plaats gevonden. De zorginstelling betreurt het dat de klacht voor de cliënt tot onvoldoende tevredenheid is afgehandeld.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt voorop dat de gemachtigde van de cliënt ter zitting de klacht over het functioneren van de klachtencommissie heeft ingetrokken, zodat de commissie niet zal ingaan op dit klachtonderdeel.

Evenmin zal de commissie ingaan op zaken die vallen onder het algemene beleid van de zorginstelling. De commissie heeft te oordelen over het individuele geval.

Voor aansprakelijkheid van de zorginstelling is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorginstelling tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorginstelling. De tekortkoming moet aan de zorginstelling kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

De cliënt heeft aan de klachtencommissie een zestal klachten voorgelegd. De klachtencommissie heeft drie klachten gegrond verklaard en drie klachten ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de klachtencommissie aanbevelingen gedaan. Het bestuur van de zorginstelling heeft de conclusies en aanbevelingen van de klachtencommissie overgenomen. Bij brief van 20 september 2016 heeft het bestuur van de zorginstelling de cliënt hierover geïnformeerd. In deze brief heeft het bestuur de cliënt ook geïnformeerd over de concrete acties die genomen zijn naar aanleiding van de gegrond verklaarde klachten.

De commissie is van oordeel dat deze procedure niet leidt tot een ander oordeel dan de klachtencommissie op de diverse klachtonderdelen heeft gegeven.
 
De door de klachtencommissie gegrond verklaarde klachten betreffen de klacht dat er op onregelmatige tijdstippen zorg aan de cliënt is verleend, waarbij de zorgverleners zich niet hielden aan de afgesproken tijdsperiode, de klacht dat de cliënt diverse malen door een man is verzorgd, terwijl zij had aangegeven dat zij dat niet wilde en de klacht dat de procedure rondom het evalueren van de zorg, het komen tot het besluit van het afbouwen en stoppen van zorg en de communicatie hierover niet optimaal is verlopen. De zorginstelling heeft gemotiveerd gesteld maatregelen te hebben genomen ten aanzien van deze omissies in de zorgverlening. De commissie heeft geen reden hieraan te twijfelen, zodat de klachten van de cliënt die hierop betrekking hebben thans ongegrond worden verklaard. 

De door klachtencommissie ongegrond verklaarde klachten betreffen de klacht dat er een medische diagnose is gesteld door de wijkverpleegkundige, de klacht dat de wijkverpleegkundige heeft verzuimd om de huisarts te consulteren om tot een goede indicatie te komen en de klacht dat het besluit om de zorg aan de cliënt af te bouwen en te beëindigen onterecht is genomen. De cliënt heeft deze klachten thans in iets andere bewoordingen ter beoordeling aan de commissie voorgelegd.

De commissie is van oordeel dat zij onvoldoende aanwijzingen heeft dat de wijkverpleegkundige onzorgvuldig is geweest bij het opstellen van het zorgplan van de cliënt. In het plan zijn de aard van de problemen, de omvang van de hulp, de duur en de doelen vermeld. Sinds 2015 wordt de indicatie voor persoonlijke verzorging gedaan door een wijkverpleegkundige. De wijkverpleegkundige beoordeelt op grond van zijn/haar professionele kennis in overleg met de cliënt welke zorgactiviteiten noodzakelijk zijn. Anders dan de cliënt heeft betoogd, is het de commissie niet gebleken dat een wijkverpleegkundige hierbij altijd informatie moet inwinnen bij de huisarts. De commissie heeft dit niet uit het door de cliënt genoemde normenkader kunnen afleiden. Evenmin heeft de gemachtigde van de cliënt ter zitting kunnen aangeven waar deze verplichting te vinden zou zijn. Overigens was de cliënt ook tevreden met de indicatie van twee keer per week ondersteuning van de zorginstelling bij het douchen. Onvoldoende aannemelijk is derhalve geworden dat de zorginstelling op dit punt in de zorgverlening aan de cliënt tekort is geschoten.

Dit geldt naar het oordeel van de commissie ook ten aanzien van de beëindiging van de zorg. De persoonlijke verzorging is erop gericht om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid te herstellen of te behouden. Voor de cliënt was een aantal hulpmiddelen geïnstalleerd in de badkamer. De verpleegkundige heeft naar het oordeel van de commissie voldoende onderzocht of de cliënt met behulp van deze hulpmiddelen zelfredzaam was. Daarnaast acht de commissie van belang dat onweersproken is dat het een aantal keren is voorgekomen dat de cliënt zichzelf al had verzorgd voordat de zorginstelling kwam. Ook op dit punt is derhalve onvoldoende aannemelijk  geworden dat de zorginstelling in de zorgverlening aan de cliënt tekort is geschoten.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist op 22 mei 2017 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorgen en Geboortezorg.