Zorgaanbieder komt aan wensen klaagster tegemoet, geen redelijk belang uitspraak commissie

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: CommunicatieHandelwijze    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 192170/209015

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De vader van klaagster is met een verdenking van hersenletsel op de afdeling neurologie opgenomen, waar hij enkele dagen later is overleden. Vader had een levenstestament. De zorgaanbieder heeft erkend dat het proces rondom het toedienen van palliatieve sedatie in de laatste levensfase van vader beter had kunnen verlopen en heeft in samenspraak met klaagster het protocol en de werkinstructie palliatieve zorg en palliatieve sedatie aangepast. Daarin is een grotere rol aan familie en verpleging toegekend. Nu aan de wensen van klaagster tegemoet is gekomen is de commissie van oordeel dat er geen redelijk belang is bij een uitspraak van de commissie op grond van artikel 5 lid 1 onder e van het reglement.

De uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam] (hierna te noemen klaagster), nabestaande van de heer [naam] (hierna te noemen: de cliënt), wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Groene Hart Ziekenhuis, gevestigd te Gouda
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de cliënt in zijn klacht ontvankelijk is. Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd cliënt vertegenwoordigd door dhr. [naam] en mw. [naam].

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door dr. [naam] en mw. [naam].

De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2023 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
De klacht van klaagster heeft betrekking op de medische behandeling van cliënt in de palliatieve fase, het niet uitvoeren van het levenstestament van cliënt en de wijze waarop de zorgaanbieder in dat proces is omgegaan met de naaste familie. Ter onderbouwing van de klachten heeft klaagster het volgende aangevoerd.

Bij binnenkomst van cliënt op de spoedeisende hulp op 6 september zijn twee scans gemaakt waarop ernstige hersenschade werd waargenomen. Cliënt had een levenstestament laten opmaken waarin hij had vastgelegd dat hij, indien hij geen uitzicht meer zou hebben op een “normaal” leven, niet verder wilde met zijn leven. Voor het geval hij zelf niet meer kon beslissen, had hij zijn echtgenote en zoon aangesteld te beslissen zoals hij dat gewild zou hebben. Gezien de hersenbeschadiging en de longkanker waaraan cliënt leed, wilde de familie hem geen hersenoperatie meer aandoen. De volgende dag vertelde de dienstdoende arts dat er bij nadere bestudering op de scans geen hersenschade was geconstateerd, maar dat sprake was van een epileptische activiteit, die de onrustige symptomen bij cliënt veroorzaakte. De kans zou erg groot zijn dat cliënt de volgende ochtend weer rechtop in zijn bed zou zitten en hij weer zou kunnen praten. Hij kon herstellen tot op het niveau van voor de ziekenhuisopname. Echter, de toestand van cliënt verslechterde alleen maar.

De zorgaanbieder heeft de euthanasieverklaring en het levenstestament niet in willen zien. Cliënt is in deze laatste fase van zijn leven op een veel te lage dosis morfine en dormicum ingesteld waardoor hij onnodig heeft geleden. De familie heeft telkens gevraagd om de dormicum en morfine te verhogen zodat cliënt buiten bewustzijn en meer comfortabel zou zijn. Vanwege de protocollen mochten de verpleegkundigen niets doen zonder toestemming van de arts en degenen die de toestemming moesten verlenen verscholen zich achter protocollen zonder de patiënt daadwerkelijk beoordeeld te hebben. De beslissingen over het adequaat verhogen van de medicatie door de zaalarts en de neuroloog werden pas, na lang aandringen door de familie, genomen. De laatste fase in zijn leven is voor cliënt, maar zeker ook voor zijn nabestaanden, zeer traumatisch geweest.
Klaagster verzoekt de zorgaanbieder:
• om aanpassing van het protocol rondom de palliatieve fase;
• te bewerkstelligen dat afdelingen met elkaar gaan overleggen rondom de inzet van medicatie in deze fase en dat in deze fase een arts en/of zaalarts meerdere malen per dag langskomt om de situatie zelf te kunnen beoordelen;
• de inbreng van familie serieus te nemen.

De commissie overweegt als volgt.

Het is de commissie gebleken dat de familie over onvoldoende duidelijkheid beschikte omtrent het door de zorgaanbieder gevoerde beleid met betrekking tot mogen toepassen van euthanasie en palliatieve sedatie en zich veronachtzaamd heeft gevoeld over haar eigen rol daarin.

Met betrekking tot het toepassen van een euthanasie zijn voor de zorgaanbieder strikte regels, neergelegd in de Wet toetsing levensbeëindiging, van toepassing. De zorgaanbieder heeft zich op het standpunt gesteld dat een euthanasieverzoek tijdens opname niet gehonoreerd kon worden omdat cliënt dit niet zelf kenbaar kon maken door een verlaagd bewustzijn. Ook was er in deze fase nog geen sprake van een refractair symptoom (bij nog niet adequaat behandelde epilepsie) en kon tevens geen palliatieve sedatie worden gestart. Later is wel gestart met palliatieve sedatie toen bleek dat de epileptische aanvallen niet onder controle te krijgen waren door reguliere anti-epileptica. Op basis van de richtlijn ‘palliatieve sedatie’ is gestart met een startdosering van 1 mg/uur op basis van de oudere leeftijd van cliënt morfine en dormicum. Nadien zijn de doseringen stapsgewijs verhoogd bij discomfort van cliënt. De commissie is van oordeel dat de medische beoordeling en behandeling als zodanig volgens de richtlijnen heeft plaatsgevonden. Zij zal de klacht op dit punt ongegrond verklaren.

Dit neemt niet weg dat, nadat de palliatieve fase was ingegaan, het verhogen van de medicatie – toen sprake was van discomfort van cliënt – soms langer duurde dan gewenst, waarbij een rol speelde dat de zaalarts cliënt eerst zelf wilde beoordelen voordat met de supervisor werd overlegd over het ophogen van de dosis. Dit heeft de zorgaanbieder ook erkend. Daar kwam bij dat de stappen die in de dosering gezet (moeten) worden, niet altijd duidelijk waren voor familieleden. Dit heeft tot gevolg gehad dat de familie zich genegeerd heeft gevoeld in de uitvoering van het levenstestament van de cliënt. De zorgaanbieder realiseert zich dit ten volle. Naar aanleiding van de hierboven beschreven punten is, in overleg met familie en het palliatief team, daarom besloten een werkinstructie en protocol ‘palliatieve zorg en palliatieve sedatie’ te maken, die als leidraad zal dienen voor zaalartsen en verpleegkundigen op de afdeling, waarbij de inbreng van de familie is betrokken.

De commissie begrijpt dat de laatste fase voor cliënt en voor de nabestaanden zeer traumatisch is geweest. Reeds gelet op het feit dat de zorgaanbieder inmiddels volledig tegemoet is gekomen aan de wensen van de klaagster, is de commissie, onder verwijzing naar artikel 5. 1. onder e, van het reglement van oordeel dat zij thans geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak van de commissie. De commissie zal klaagster ten aanzien van dit klachtonderdeel ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart:
– klaagster ambtshalve niet-ontvankelijk in haar klacht met betrekking tot het proces rond de palliatieve sedatie van cliënt;
– verklaart de klacht met betrekking tot het niet naleven van de euthanasieverklaring van cliënt ongegrond.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 20 juli 2023.