Zorgaanbieder is niet nalatig geweest bij revalidatiebehandeling, ook al is de leefsituatie van de cliënt verslechterd.

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 109453

De uitspraak:

In het geschil tussen
 
Cliënt en Stichting Centra voor Integrale Revalidatie en Arbeidsactivering Nederland, gevestigd te Venlo (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 7 juni 2017 te Eindhoven.

Cliënt is verschenen.

Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [revalidatiearts] en [advocaat].  
 
Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van het geschil heeft betrekking op de wijze waarop door de zorgaanbieder uitvoering werd gegeven aan de revalidatiebehandeling van cliënt. 
 
Standpunt van cliënt

Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De door cliënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënt op het volgende neer.

Cliënt is op 4 maart 2016 gestart met het revalidatietraject bij de zorgaanbieder. Hij leed aan ernstige vermoeidheidsklachten door slaaptekort als gevolg van Restless Leg Syndrome (RLS) en migraineklachten. Met het revalidatietraject beoogde hij te leren beter met zijn klachten te kunnen omgaan.

De eerste twee weken van het traject bestonden uit slechts enkele sessies, echter in de derde week had cliënt vier dagen achter elkaar een sessie, waardoor hij oververmoeid raakte. Zware migraineklachten en een pijnlijke stijve nek hielden hem vervolgens de drie dagen hierna aan zijn bed gekluisterd. De eerstvolgende sessie betrof een indoor training. Cliënt had bij zijn cliënt-verantwoordelijke aangegeven hieraan niet te willen deelnemen, omdat hij nog steeds kampte met hoofd- en nekpijnklachten. De begeleidster verwachtte echter wel een actieve deelname van cliënt. Toen hij deze gang van zaken weer met zijn cliënt-verantwoordelijke besprak, gaf deze een antwoord waaruit cliënt opmaakte dat er bij de planning geen rekening wordt gehouden met de beperkingen van cliënten.

Tijdens het behandeltraject kreeg cliënt te maken met zestien verschillende behandelaars, op fysiotherapeutisch dan wel psychologisch vlak. Cliënt is van mening dat meerdere behandelaars ongeïnteresseerd, niet-geïnformeerd en onervaren waren.
Toen cliënt zich wilde afmelden voor een tweedaags seminar, werd hij door zijn cliënt-verantwoordelijke en de revalidatiearts-assistent erop gewezen dat deelname verplicht was. Naar zijn gevoel werd hem op bijna intimiderende wijze duidelijk gemaakt dat hij getekend had voor het gehele traject en zich moest houden aan de regels en alle sessies moest volgen die door de zorgaanbieder waren ingepland. Wel zou bekeken worden of de volgorde van de sessies aangepast kon worden, hetgeen vervolgens zonder overleg met cliënt is gebeurd.

Uit de tussenevaluatie die na de eerste acht weken van het behandeltraject plaatsvond, bleek dat de toestand van cliënt was verslechterd in plaats van verbeterd. Cliënt voelde zich vooral psychisch steeds labieler. In overleg met de huisarts is cliënt weer gestart met het innemen van antidepressiva.

Cliënt liet zijn cliënt-verantwoordelijke weten dat hij in gesprek wilde gaan en alle sessies tot die tijd wilde stopzetten, maar de cliënt-verantwoordelijke ging hiermee niet akkoord. Cliënt heeft vervolgens besloten helemaal te stoppen met de behandeling bij de zorgaanbieder.

Cliënt heeft een klacht over het aantal behandelaren, de klantonvriendelijke planning en de dominante houding van de cliënt-verantwoordelijke en revalidatiearts-assistent ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder. De klachtencommissie heeft de klacht gegrond verklaard en aanbevelingen gedaan om herhaling van deze gang van zaken te voorkomen. Hierop heeft de zorgaanbieder laten weten verbeteringen te zullen doorvoeren.

Cliënt twijfelt of dit soort klachten door de zorgaanbieder voldoende wordt opgepakt. Hij verzoekt de commissie zijn klacht jegens de zorgaanbieder gegrond te verklaren. Tevens verzoekt cliënt hem ten laste van de zorgaanbieder een immateriële schadevergoeding toe te kennen van € 5.000,– omdat zijn leefplezier ernstig is beschadigd. Voordat cliënt aan het revalidatietraject begon, had hij geen last van depressiviteit of nekpijnklachten. Gedurende de behandelweken is hij in een depressie geraakt, waardoor hij weer medicijnen moest gaan gebruiken. Bovendien heeft hij zich in verband met de ernstige nekpijnklachten onder behandeling van een fysiotherapeut moeten stellen.

Ter zitting heeft cliënt aangegeven aan de stukken niets te hebben toe te voegen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de zorgaanbieder op het volgende neer.

De zorgaanbieder kan zich niet vinden in het verwijt van cliënt dat haar wijze van de zorgverlening en haar visie daarop niet juist zou zijn. Cliënt heeft zich vrijwillig tot de zorgaanbieder gewend. Bij aanvang van de therapie is aan cliënt uitgelegd dat het een intensief traject betreft. De bereidheid van cliënt om daaraan deel te nemen is uitgebreid geverifieerd. Cliënt is zelf akkoord gegaan met het opgestelde behandelplan en de daarbij behorende algemene voorwaarden. De voorgestelde behandelingen vormen een samenhangend geheel en zijn noodzakelijk om de revalidatie succesvol te kunnen maken. Het volgen van slechts een gedeelte van de behandelingen behoort daarom niet tot de mogelijkheden. De afspraken zijn nadrukkelijk vastgelegd in een behandelovereenkomst.

Cliënt wenste op verschillende momenten van de gemaakte afspraken af te wijken. In gesprekken werd het belang van continuering van het gehele programma onderstreept. De zorgaanbieder leidt uit de klachten af dat cliënt ook de wijze van benadering als dominant en dwingend heeft ervaren.

De zorgaanbieder stelt voorts dat in de planning wel rekening wordt gehouden met de beperkingen van een cliënt. Een indicatie voor medisch specialistische revalidatie wordt pas afgegeven als de eerste lijn geen mogelijkheden meer biedt voor verbetering. De manier van activeren is door de zorgaanbieder afgestemd op de beperkingen van cliënten in hun dagelijks functioneren.

Door de zorgaanbieder wordt wel erkend dat cliënt een bovengemiddeld aantal therapeuten heeft gezien. Daar staat tegenover dat vier therapeuten het vaste behandelteam vormden, die 60% van de contactmomenten met cliënt hebben verzorgd. In die zin was de continuïteit volgens de zorgaanbieder voldoende geborgd.

De aanbevelingen die de klachtencommissie aan de Raad van Bestuur heeft gedaan, zijn opgevolgd. Dat cliënt nog steeds een andere visie heeft over de invulling van de behandeling, kan zo zijn, maar cliënt kan niet afdwingen dat de zorgaanbieder haar behandelmethode aanpast.

Tenslotte is de zorgaanbieder van mening dat cliënt geen medische onderbouwing heeft gegeven van de gestelde immateriële schade. Zij betwist de aansprakelijkheid, omdat geen sprake is geweest van toerekenbaar medisch onzorgvuldig handelen. Bovendien ontbreekt daarnaast causaal verband tussen de behandeling en de vermeende schade.

De zorgaanbieder verzoekt de klacht af te wijzen, subsidiair ongegrond te verklaren en het verzoek tot immateriële schadevergoeding af te wijzen.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder haar standpunt nader toegelicht.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie dient de vraag te beantwoorden of er verwijtbare fouten zijn gemaakt bij de behandeling van cliënt tijdens de uitvoering van het vooraf opgestelde behandelingsovereenkomst.
 
De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht. Daarbij geldt in het geval als het onderhavige dat sprake is van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis. Dat wil zeggen dat pas kan worden gesproken van een tekortschieten indien vast komt te staan dat de betrokken behandelaar zich onvoldoende heeft ingespannen; de behandelaar hoeft niet in te staan voor een bepaald resultaat.

Cliënt is door de huisarts verwezen naar de zorgaanbieder voor een fysieke en mentale revalidatiebehandeling, omdat hij kampt met ernstige vermoeidheidsklachten als gevolg van een ernstige vorm van RLS die medisch gezien niet meer te behandelen is. De therapie die door de zorgaanbieder wordt aangeboden, is erop gericht om te breken met oude patronen en de maatschappelijke participatie te bevorderen. 

In januari 2016 heeft de intake bij de zorgaanbieder plaatsgevonden. Volgens de zorgaanbieder is cliënt uitgebreid geïnformeerd over de werkwijze van de zorgaanbieder en de opbouw in intensiteit van het programma. De commissie heeft geen reden om aan te nemen dat de aan cliënt gegeven toelichting onvoldoende is geweest. Ook is de bereidheid van cliënt om deel te nemen aan het programma zorgvuldig getoetst. Dat cliënt tot het revalidatieprogramma werd toegelaten, is hiermee verklaarbaar en navolgbaar. In overleg met cliënt is een behandelovereenkomst opgesteld, waarbij het doel van de revalidatie was te komen tot een verbetering van fysieke beperkingen en autonomie, zodat cliënt weer meer maatschappelijk zou kunnen participeren. Cliënt heeft zich akkoord verklaard met de behandelovereenkomst en de daarbij behorende voorwaarden. Toen de behandeling van cliënt op 4 maart 2016 startte, zijn de behandeldoelen nogmaals met hem besproken, waarbij de belangrijkste regels en aspecten van het behandeltraject aan de orde zijn gekomen.

Gedurende het behandeltraject heeft cliënt op verschillende momenten kenbaar gemaakt dat de behandeling voor hem niet werkte. In de derde week heeft hij aangegeven dat zijn grenzen werden overschreden. Na een gesprek hierover heeft hij de draad weer opgepakt, maar korte tijd later maakte hij zijn weerstand wederom kenbaar. Aan cliënt werd uitgelegd dat het traject vaak een impact op cliënten heeft en dat dit bij het leerproces hoort. Ook werd hem verteld dat het niet de bedoeling is dat hij zelf zijn planning wijzigt, maar dat een sessie in onderling overleg eventueel wel anders ingevuld kan worden, hetgeen ook is gebeurd. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder hiermee binnen haar mogelijkheden rekening gehouden met de behoeften en wensen van cliënt. Cliënt bleek nadien echter nog steeds niet open te staan voor therapie en vast te zitten in een negatieve focus. Ondanks de gesprekken die de zorgaanbieder met cliënt heeft gevoerd en het aanpassingen die zij in het behandelplan heeft doorgevoerd, nam de weerstand van cliënt niet af.

Medio april 2016 heeft cliënt aangegeven door te willen gaan met de behandeling, maar een maand later is de situatie naar aanleiding van een voorval geëscaleerd. Cliënt meldde zich af voor alle ingeplande sessies en gaf tijdens het tussentijds evaluatiegesprek met de arts aan definitief te willen stoppen met de behandeling. Dat de aangeboden behandeling niet aansloot op de behoeften van cliënt, heeft aldus geleid tot beëindiging van het behandeltraject op verzoek van cliënt.

Cliënt heeft geklaagd over het grote aantal behandelaren waarmee hij tijdens het behandeltraject te maken heeft gekregen, de klantonvriendelijke planning van het traject, waarbij naar zijn mening geen rekening werd gehouden met de beperkingen van cliënten, alsmede de dominante en dwingende houding van de cliënt-verantwoordelijke en de revalidatiearts-assistent met betrekking tot de behandelsessies.

Ten aanzien van deze punten heeft de klachtencommissie van de zorgaanbieder zich reeds een oordeel gevormd. De commissie sluit zich aan bij de beslissing van de klachtencommissie, maar dient voorts te toetsen of de zorgaanbieder nalatigheid in de behandelovereenkomst kan worden verweten.

De commissie acht zich op grond van de in het dossier aanwezige stukken en hetgeen ter zitting is besproken, niet in staat vast te stellen of het feit dat cliënt te maken heeft gehad met een meer dan gemiddeld aantal behandelaren, ertoe heeft geleid dat de aangeboden behandeling niet aan de daaraan te stellen vereisten heeft voldaan. Voorts is de commissie van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de door de zorgaanbieder gehanteerde planning, waarbij in mindere mate rekening werd gehouden met de specifieke beperkingen van cliënt, van invloed is geweest op de kwaliteit van de aangeboden zorg. Ten aanzien van de gestelde dominante en dwingende houding van de cliënt-verantwoordelijke en revalidatiearts-assistent merkt de commissie op dat voorstelbaar is dat een dergelijke benadering voor sommige cliënten wel werkt. Voor cliënt bleek dit niet het geval te zijn, maar dit wil niet zeggen dat de zorgaanbieder daarmee tekort is geschoten in de uitvoering van de behandelovereenkomst. 

Nu de zorgaanbieder geen nalatigheid in de uitvoering van de behandelovereenkomst kan worden verweten, verklaart de commissie de klacht ongegrond. Gelet daarop is naar het oordeel van de commissie geen ruimte voor de gevraagde schadeloosstelling.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist op 7 juni 2017 door de Geschillencommissie Zorg Algemeen.