Zorgaanbieder heeft artroseklachten in linkerschouder cliënt niet te laat geconstateerd

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 14702/25881

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Volgens de cliënte duurde het erg lang voordat er artroseklachten in haar schouder geconstateerd werd. Zij vindt dat de zorgaanbieder dit al langer had moeten weten. Er is niet juist gehandeld waardoor cliënte veel pijnklachten heeft gehad. De zorgaanbieder vindt dat zij niet tekort is geschoten in de behandeling van cliënte. De zorgaanbieder heeft niet onzorgvuldig gehandeld en het feit dat cliënte nog steeds zoveel last heeft van haar schouder is niet aan hen te wijten. De commissie stelt dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de zorgaanbieder niet de zorg heeft geleverd die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben verleend. De zorgaanbieder heeft de hulpvraag van de cliënte serieus genomen en adequaat gereageerd op haar vragen. De toegenomen artrose van het linkerschoudergewricht is niet aan de zorgaanbieder te rekenen.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Rijnstate, gevestigd te Arnhem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen. Bij brief van 26 maart 2020 heeft het bureau van de Commissie aan beide partijen bericht dat de Commissie de behandeling van het geschil zal afdoen zonder mondelinge behandeling. De Commissie heeft daartoe ook de bevoegdheid conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de mogelijkheid gesteld, hebben geen van partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen bij brief van 7 mei 2020 geïnformeerd over de datum wanneer de Commissie zal beslissen over het geschil.

Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het meermaals stellen van verkeerde diagnoses door de zorgaanbieder, waardoor de cliënte financiële en psychische schade heeft geleden. De cliënte eist excuses van de zorgaanbieder en een schadevergoeding van € 1.000,–.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte stelt dat het heel lang heeft geduurd (vanaf eind 2017) tot de artroseklachten in haar schouder geconstateerd werden.

Dit moest bij de zorgaanbieder al veel langer bekend zijn geweest, zonder dat de cliënte hierover is geïnformeerd. Er is niet adequaat naar gehandeld, waardoor de cliënte lang veel pijnklachten heeft gehad. Bovendien is de cliënte van mening dat zij hierdoor genoodzaakt is geweest voor een second opinion naar het Isala ziekenhuis in Zwolle te gaan, alwaar haar ICD is verwijderd, omdat men ten onrechte vreesde voor een infectie, waarna in Nieuwegein een nieuwe ICD moest worden geplaatst.

In de ogen van de cliënte is de zorgaanbieder aansprakelijk voor het leed en de schade die zij als gevolg hiervan heeft geleden.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. Het standpunt komt op het volgende neer.

Allereerst stelt de zorgaanbieder het te betreuren dat de artrose van de cliënte zo is toegenomen en dat zij al zo lang zo veel pijnklachten heeft. De zorgaanbieder is echter van mening dat het zij niet is tekort geschoten in de behandeling van de cliënte. De zorgaanbieder heeft niet onzorgvuldig gehandeld en het is niet aan de zorgaanbieder te wijten dat de cliënte nog steeds zo veel last heeft van haar schouder.

De cliënte is van mening dat al in 2017 had kunnen worden vastgesteld dat haar schouderklachten werden veroorzaakt door artrose. De mate van artrose die toen echter op de echo was te zien, was minimaal.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat deze mate van artrose de beperking van de functie zoals tijdens het polibezoek van 18 december 2017 werd gezien bij het lichamelijk onderzoek, zou hebben kunnen verklaren. Dat de behandelend orthopedisch chirurg op basis van de echo, de röntgenfoto, het lichamelijk onderzoek en de pijnklachten uitging van een frozen shoulder is goed navolgbaar. De diagnose frozen shoulder is op basis van echo of röntgenonderzoek niet te stellen. Dit is een diagnose die op basis van het lichamelijk onderzoek gesteld wordt. Hierbij dient uitgesloten te zijn dat ander onderliggend lijden de functionele beperkingen zou kunnen verklaren. De zorgaanbieder is van mening dat dit door middel van het destijds vervaardigde röntgenonderzoek voldoende is gedaan. De gebruikelijke behandeling van een frozen shoulder is een corticosteroïd injectie en die heeft de cliënte gehad. Van belang hierbij is dat, zelfs als er in 2017 meer artrose te zien zou zijn geweest op de röntgenfoto’s, de behandeling niet anders zou zijn geweest.

Ook artroseklachten van de schouder worden behandeld met een echogeleide corticosteroïd injectie in het schoudergewricht. Dus ook dan zou de cliënte dezelfde behandeling hebben gekregen. Een herhaling van een dergelijke injectie was in april 2018 reeds door de huisarts aangevraagd. Op dat moment is aan de cliënte verteld dat andere aanvullende behandelingen vanuit de orthopedie niet voorhanden waren.

De zorgaanbieder is van mening dat ook de betrokken neuroloog heeft gehandeld zoals van haar verwacht mocht worden. Zij heeft uitgebreid neurologisch onderzoek gedaan naar de oorzaak van de pijnklachten van de cliënte. Haar bevindingen, inclusief de uitkomsten van de MRI (en dus ook de geconstateerde artrose in het schoudergewricht), zijn door de neuroloog teruggekoppeld aan de huisarts van de cliënte. Bovendien heeft zij de cliënte voorgesteld om haar te verwijzen naar een orthopeed in verband met de toegenomen artrose. Dat de cliënte dit niet wilde kan niet aan de zorgaanbieder worden verweten.

Het enkele gegeven dat de cliënte nog steeds zoveel pijnklachten heeft en dat haar artrose sinds 2017 is toegenomen, brengt nog niet met zich mee dat haar behandelaren iets verkeerd hebben gedaan of anderszins tekort zijn geschoten. Integendeel, zij hebben steeds gedaan wat zij konden en wat van hen verwacht mocht worden. Gelet hierop is de zorgaanbieder van mening dat zij niet aansprakelijk is voor enige door de cliënte geleden schade, omdat geen sprake is van toerekenbaar tekortschieten.
Ten overvloede wijst de zorgaanbieder erop dat, mocht sprake zijn van toerekenbaar tekortschieten door de zorgaanbieder, alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die in voldoende causaal verband staat tot de toerekenbare tekortkoming. Door de cliënte is geen causaal verband aangetoond tussen het handelen (of nalaten) van de zorgaanbieder en de door haar gestelde schade. Evenmin is de door de cliënte gestelde schade door haar onderbouwd of gespecificeerd.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
Tussen partijen is sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de verantwoordelijk orthopedisch chirurg en de betrokken neuroloog – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat daarbij niet om de vraag of dat handelen anders of zelfs beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de arts binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Doet de hulpverlener dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij en/of het ziekenhuis de schade die een cliënte daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 in verband met artikel 7:462 van het BW). Voor aansprakelijkheid is derhalve vereist dat voldoende aannemelijk is dat de arts tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en dat de tekortkoming aan de arts verweten moet kunnen worden en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorgaanbieder moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgaanbieder zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen, kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener/arts zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van de cliënte afgezet tegen het hierboven geschetste toetsingskader beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling
De commissie ziet in de overgelegde stukken geen aanleiding om aan te nemen dat de zorgaanbieder in deze niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Uit de stukken blijkt dat de orthopedisch chirurg het juiste heeft gedaan om te proberen de pijnklachten van de cliënte te achterhalen en te verhelpen en dat hij derhalve heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Hetzelfde geldt voor de betrokken neuroloog. Niet is komen vast te staan dat de chirurg dan wel de neuroloog bij die inspanning een fout hebben gemaakt.
Op basis van de overgelegde stukken stelt de commissie vast dat de zorgaanbieder de hulpvraag van de cliënte serieus heeft genomen en steeds (adequaat) heeft gereageerd op haar vragen.

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat de diagnose artrose al veel eerder bij de zorgaanbieder bekend was en dit niet met de cliënte is gedeeld, is de commissie van oordeel dat dit niet aannemelijk is geworden.
Zoals door de zorgaanbieder in haar verweerschrift ook wordt aangegeven zou, indien de artrose eerder ontdekt zou zijn, eenzelfde behandeling zijn voorgeschreven als nu is gebeurd. Het had derhalve voor de cliënte in dat opzicht geen verschil gemaakt indien de artrose eerder bekend was geweest.
De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht van de cliënte ongegrond moet worden verklaard.

De commissie erkent dat het heel vervelend voor de cliënte is dat ze geopereerd moest worden omdat er aan een infectie van de ICD werd gedacht, en dat de klachten nog steeds niet over zijn omdat nu blijkt dat er sprake is van toegenomen artrose (omartrose) van het linkerschoudergewricht, echter dit is niet de zorgaanbieder aan te rekenen. Van het toekennen van schadevergoeding kan derhalve geen sprake zijn.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie :

• Verklaart de klacht van de cliënte ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. C.J.R. de Locht, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden en
mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 22 mei 2020.