Zorgaanbieder had geen zwaarwegende reden om de overeenkomst op te zeggen

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: Ontbinding    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 187962/200382

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Cliënt heeft een intakegesprek gehad bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft de zorg beëindigd, omdat de cliënt volgens de zorgaanbieder niet eerlijk is geweest tijdens het intakegesprek en een gevaarlijke situatie voor de medebewoners creëert. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder de overeenkomst niet mocht opzeggen. De reden was onvoldoende zwaarwegend. De commissie wijst een immateriële schadevergoeding toe.

De uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende in [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)
gemachtigde: [naam]

en

Stichting “De Stam”, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2023 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.
Voor de cliënt is zijn gemachtigde, [naam], verschenen. Voor de zorgaanbieder is verschenen [naam], bestuurder, bijgestaan door [naam].

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

De cliënt is op 4 juli 2022 opgenomen in de verslavingskliniek van de zorgaanbieder. Het geschil betreft de wijze waarop de behandelovereenkomst met de cliënt is beëindigd op 20 juli 2022.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft op 30 juni 2022 een intakegesprek gehad bij de zorgaanbieder. Hij heeft daarbij een eerlijke en open houding gehad. De afspraak was dat de cliënt zijn schulden bij drugsdealers moest hebben afbetaald voordat de behandeling kon beginnen. De cliënt heeft daarop direct € 600,– afgelost aan zijn schuldeisers, zijn appartement opgezegd en kon zo op 4 juli 2022 met de behandeling beginnen.

De cliënt is met de overige bewoners op een bewonersvakantie geweest.
Op 19 juli 2022 zijn zij nog een dag naar een recreatieplas geweest, waar de cliënt angstige gevoelens ontwikkelde. Die heeft hij gedeeld met de medebewoners. Op 20 juli 2022 heeft de zorgaanbieder de cliënt ontslagen uit de behandeling. Hij kreeg de instructie de kamer te ontruimen en stond zo van de een op andere dag op straat.

De zorgaanbieder is onzorgvuldig te werk gegaan, zo vindt de cliënt. Zij is afgegaan op de cowboyverhalen van de cliënt, die slechts voortkwamen uit paranoia. Ook was slechts één medewerker betrokken bij de beslissing om de zorg te beëindigen. Als gevolg van deze abrupte beëindiging van de behandeling heeft de cliënt een terugval ervaren. Hij vertrouwt zorgverleners nog maar moeilijk. Ook heeft hij geen woonruimte meer. Tot slot stelt de cliënt dat hij (immateriële) schade heeft geleden. De cliënt wil dat de commissie de zorgaanbieder veroordeelt tot vergoeding van een bedrag van € 11.250,– , maar bovenal wil hij hulp van de zorgaanbieder bij het vinden van een passende behandeling.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft haar uitgangspunt van een (drugsvrije) therapeutische gemeenschap toegelicht. De cliënten doorlopen de behandeling in vijf fasen. Zij wonen bij elkaar en verlenen elkaar steun. Een veilige woonomgeving is daarbij van essentieel belang. Daarbij hoort dat de bewoners geen schulden hebben bij drugsdealers. De zorgaanbieder wil zo voorkomen dat er problemen ontstaan van dealers die schulden proberen te innen bij de bewoners. Dat zou de veilige woonomgeving in gevaar brengen.

Het klopt dat de cliënt tijdens de intake heeft verteld over zijn schulden, betalingsachterstanden bij dealers. Een dag na de intake heeft de cliënt in een telefoongesprek gezegd dat de schulden zijn afgelost. Dat was voor de zorgaanbieder de basis voor de start van de behandeling. Het is de zorgaanbieder echter gebleken dat de cliënt niet eerlijk is geweest. Al tijdens de bewonersvakantie naar de Ardennen veroorzaakte de cliënt onrust onder de medebewoners, omdat de cliënt verklaarde aan verschillende mensen nog geld verschuldigd te zijn. Op 19 juli 2022, tijdens het uitje naar de recreatieplas, werden die verhalen nog groter. De cliënt was namelijk angstig vanwege de aanwezigheid van Poolse jongens. Daarom heeft de zorgaanbieder op 20 juli 2022 vastgesteld dat de veilige woonomgeving te zeer in het gedrang was en besloten dat de overeenkomst moest worden beëindigd. De zorgaanbieder betwist dat de cliënt schade heeft geleden en bepleit daarom de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil
De commissie verklaart de klacht gegrond en wijst de cliënt een schadevergoeding toe van € 1.000,–. Dat oordeel licht de commissie als volgt toe.

De opzegging van de overeenkomst was onzorgvuldig. De zorgaanbieder heeft de zorgovereenkomst eenzijdig beëindigd door deze op te zeggen. De mogelijkheden voor de zorgaanbieder om een zorgovereenkomst op te zeggen, zijn beperkt tot de gevallen waarin sprake is van ‘gewichtige redenen’. Want het (zwaarwegende) belang van de gezondheid van de cliënt laat niet toe dat de zorgovereenkomst zonder meer kan worden opgezegd en de hulpverlening gestaakt. Wat onder ‘gewichtige redenen’ moet worden verstaan, hangt volgens de toelichting van de wetgever af van de omstandigheden van het geval. Als voorbeeld werd genoemd de omstandigheid dat de hulpverlener persoonlijke gevoelens heeft opgevat voor de patiënt en deze gemoedstoestand een goede hulpverlening belemmert. Of als de patiënt naar een ver van de praktijk van de zorgverlener gelegen woning verhuist, waardoor de zorgverlener niet meer in staat is om tijdig de nodige zorg te verlenen (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1989/90, 21561, 3, p. 42). De vraag is of de zorgaanbieder de zorgovereenkomst mocht opzeggen wegens ‘gewichtige redenen’, zoals zojuist beschreven. Daarover overweegt de commissie als volgt.

Het is duidelijk dat de zorgaanbieder veel belang hecht aan schuldenvrije bewoners. Dat belang acht de commissie ook zeer begrijpelijk vanuit de werkwijze van de therapeutische gemeenschap. Het is overigens wel merkwaardig dat de zorgaanbieder de eis van schuldenvrij zijn niet heeft opgenomen in haar huisregels. De commissie overweegt verder dat voor zover de zorgaanbieder de opzegging van de zorgovereenkomst wil baseren op de constatering dat een cliënt toch niet schuldenvrij blijkt te zijn, zij voor alles een voldoende grondslag moet hebben voor die constatering. Daaraan schort het in deze zaak naar het oordeel van de commissie.

De cliënt heeft betwist dat hij nog schulden had bij de dealers. Hij maakte zich zorgen over wat hij noemt ‘verschuldigde rente’. De achtergrond daarvan is dat sommige drugsdealers in het verleden wel eens moeilijk deden over een late betaling van een schuld. Zij wilden dan meer geld zien, ook al was de ‘hoofdsom’ wel gewoon voldaan. In zoverre heeft de cliënt dus wel naar waarheid verklaard bij het intakegesprek. De zorgaanbieder mocht de beëindiging van de zorgovereenkomst daarom niet baseren op het niet schuldenvrij zijn.

Het is voorstelbaar dat de cliënt onrust veroorzaakte in de groep, omdat hij paranoïde gedachten had over zijn verleden van schulden bij dealers. Die situatie verlangt een interventie van de zorgaanbieder. Hij zal, bijvoorbeeld met hulp van een psychiater of een psychiatrisch verpleegkundige, kunnen proberen de paranoia te redresseren. De opzegging van een behandelovereenkomst hoort daarbij een laatste redmiddel te zijn. Het is de commissie niet gebleken dat de zorgaanbieder dergelijke hulpverlening heeft overwogen, laat staan ingezet.

De duur van de behandeling is kort geweest, wellicht te kort om een goede inschatting te maken van de situatie. Er was een bewonersvakantie van 9 tot en met 16 juli 2022. Op 19 juli 2022 werden de ‘cowboyverhalen’ bekend bij de zorgaanbieder. Daarna heeft de zorgaanbieder geen procedure gevolgd, die had kunnen leiden tot een zorgvuldige beslissing tot opzegging van de zorgovereenkomst. Eén medewerker heeft deze beslissing zelfstandig, zonder een gesprek met de cliënt en zonder ruggenspraak met een collega, genomen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder daarmee niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen, die van haar had mogen worden verwacht. Daarom is niet komen vast te staan dat sprake was van een gewichtige reden voor de opzegging van de zorgovereenkomst en is de klacht in zoverre gegrond.

De consequenties van de onzorgvuldige opzegging.
De cliënt heeft een aantal verzoeken. Hij wil excuses van de medewerker die de zorgovereenkomst heeft opgezegd. Ook zou de cliënt gebaat zijn bij zelfstandige woonruimte met ambulante begeleiding. De bevoegdheid van de commissie is echter beperkt tot een oordeel over de gegrondheid van een klacht en de eventuele toekenning van een schadevergoeding tot maximaal € 25.000,–. Dat betekent dat de commissie deze verzoeken van de cliënt niet kan beoordelen.

Het verzoek om schadevergoeding.
De cliënt heeft daarnaast gevraagd om een schadevergoeding. Deels betreft dat materiële schadevergoeding. De cliënt heeft zijn appartement opgezegd omdat de behandeling inclusief woonruimte was. De kosten voor beëindiging van de huurovereenkomst waren € 750,–. En tijdens zijn verblijf bij de zorgaanbieder zijn twee dure kledingstukken vermist geraakt (ter waarde van € 500,–). Daarnaast wil de cliënt een immateriële schadevergoeding van € 10.000,–. De cliënt is volstrekt eerlijk geweest tijdens zijn intakegesprek. Hij heeft aan de eenzijdige opzegging het gevoel over gehouden dat zijn eerlijkheid ertoe heeft geleid dat hij uit de behandeling is gezet. Daardoor heeft de cliënt zijn vertrouwen verloren in een opname in een kliniek. Sinds zijn ontslag heeft hij geprobeerd te solliciteren, maar vanwege zijn drugsverleden komt hij niet aan de slag bij de Marechaussee.

De zorgaanbieder verzet zich tegen toewijzing van de gevraagde schadevergoeding. Zij heeft niets te maken met de verdwijning van de kledingstukken. Verder verbleef de cliënt nog maar drie weken bij de zorgaanbieder. Het is niet zo dat hij vergevorderd was in zijn behandeltraject en hem nu een goede kans op succesvolle behandeling is ontzegd. De zorgaanbieder kan zich verder niet voorstellen dat de cliënt emotionele schade heeft opgelopen vanwege de voortijdige beëindiging van het traject. Die schade toont de cliënt ook niet aan.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Wat betreft de materiële schade wijst de commissie het verzoek af. Er is geen verband aannemelijk gemaakt tussen de kosten voor de beëindiging van de huurovereenkomst en het onzorgvuldig opzeggen van de behandelovereenkomst. De kosten van het doorbetalen van de huur zijn kosten die de cliënt sowieso had gemaakt. Dat de kledingstukken zijn vermist door toedoen van de zorgaanbieder, is niet komen vast te staan.

De commissie wijst wel een vergoeding voor immateriële schade toe. De cliënt heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in eerlijkheid en openheid zijn angstige gevoelens heeft gedeeld. Daarop was de opzegging van de behandeling geen passende reactie, die naar zich laat voorstellen tot een flinke beschadiging van het vertrouwen in klinieken heeft geleid. Ook de praktische gevolgen – gebrek aan woonruimte – laat de commissie hierbij meewegen. Al met al acht de commissie een bedrag van € 1.000,– in deze situatie passend.

Tot slot
De zorgaanbieder wil betaling van haar zorgfactuur, maar de commissie is niet bevoegd om een civiele tegenvordering in behandeling te nemen. Het verzoek om de cliënt te veroordelen tot betaling zal de commissie daarom niet behandelen. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is. Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gegrond;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 1.000,– aan de cliënt als immateriële schadevergoeding. Betaling daarvan dient plaats te vinden binnen een termijn van 30 dagen na de verzenddatum van dit bindend advies.

Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. J.W. Stenvers, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. C.J.H. Terwal, secretaris, op 17 mei 2023.