Ziekenhuis geen verwijt te maken van de late diagnosestelling

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Diagnose    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 122640

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënte klaagt over het missen van een kwaadaardige tumor door de uroloog. Zij is vervolgens zelf naar de gynaecoloog gegaan die gelijk zag dat er wat mis was. Door het missen van de diagnose is de tumor gegroeid en was een operatie en 25 bestralingen nodig om de tumor te verwijderen. Het ziekenhuis geeft aan dat cliënte zo goed mogelijk onderzocht en behandeld is. Door de uitgebreide schade vanwege eerdere bestralingen in het bilnaadgebied, was het logisch dat de klachten hierop betrekking hadden. Daarom is pas later de kwaadaardige tumor van de huid rond de vagina ontdekt. De commissie heeft geoordeeld dat het ziekenhuis geen verwijt is te maken van de late diagnose omdat, gezien de voorgeschiedenis van cliënte , het niet onlogisch is dat de schade is veroorzaakt door de bestralingen. Deze stralingsschade heeft het stellen van de juiste diagnose bemoeilijkt. Het is de commissie niet gebleken dat de kanker eerder had kunnen worden gezien. Ook al zijn de gevolgen voor cliënte heel ernstig geweest en nog steeds heel naar, de conclusie van de commissie wordt hierdoor niet anders.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënte], wonende te [woonplaats] en Stichting Protestants Christelijk Ziekenhuis Ikazia, gevestigd te Rotterdam, (hierna te noemen: het ziekenhuis),

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 21 juni 2019 te Den Haag.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. Namens het ziekenhuis is verschenen [naam], arts en algemeen directeur.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de behandeling van cliënte in 2014.

De cliënte heeft in februari 2014 de klacht voorgelegd aan de zorginstelling.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder het vragenformulier en de bijlagen 21 januari 2019.

De cliënte stelt dat de uroloog van het ziekenhuis op 19 februari 2014 nalatig heeft gehandeld door een diagnose te missen waardoor een delay van 6 maanden is ontstaan en in die periode de pijnklachten van de cliënte te negeren.

Daardoor heeft een grote tumor kunnen groeien en heeft de cliënte op 16 oktober 2014 een zware operatie moeten ondergaan en moet zij tot op heden diverse hersteloperaties ondergaan.

Vanaf februari 2014 is de cliënte meer dan regelmatig met haar klacht bij de uroloog geweest omdat zij het niet vertrouwde. Tot in augustus 2014 is de cliënte steeds weggestuurd.

Er is af en toe naar de klachten van de cliënte gekeken maar het was niets of er werd helemaal niet gekeken. Ook heeft de uroloog gezegd dat het tussen haar oren zat. De cliënte is vervolgens zelf naar de gynaecoloog gegaan die gelijk zag dat het niet goed was. Na dat onderzoek kreeg de cliënte de volgende dag de uitslag: een vergevorderde kwaadaardige tumor. Na een operatie en 25 bestralingen is de cliënte weer thuis en heeft zij angst voor de toekomst. De cliënte was pijn en angst bespaard gebleven als de uroloog de cliënte serieus genomen had.

Het sociale leven van de cliënte zeer beperkt. De kwaliteit van leven van de cliënte wordt steeds minder, zij raakt steeds meer afhankelijk van anderen.

De cliënte verlangt erkenning van de nalatigheid door de uroloog en materiële en immateriële schadevergoeding. Zij begroot haar schade op € 4.222,52.

Standpunt van het ziekenhuis
Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar het verweer en de bijlagen d.d. 21 mei 2019.

De cliënte bezocht de polikliniek al enkele maanden voordat de diagnose vulvacarcinoom werd gesteld met allerlei klachten in een eerder bestraald gebied, onder andere met mictieklachten en pijnklachten. De cliënte heeft diverse onderzoeken ondergaan, inclusief een cystoscopie om urologische pathologie uit te sluiten en zij werd behandeld met pijnstillers en anticholinergica. De behandelaars meenden dat de klachten van de cliënte werden veroorzaakt door radiatieschade in dat gebied.

In februari 2014 is de cliënte gezien op de polikliniek ter evaluatie van het effect van de medicatie. Het bleek beter te gaan en er zijn geen nieuwe klachten gemeld. Tijdens dat bezoek is daarom geen lichamelijk onderzoek verricht.

In juni 2014 kwam de cliënte tussentijds op controle, nu wel met nieuwe klachten. Er was sprake van een pijnlijke plasbuis en er zou sprake zijn van enige afscheiding en uit het dossier blijkt dat de cliënte zich zorgen maakte. Vervolgens is de cliënte verder onderzocht waarbij ook een vaginaal toucher is verricht. Er wordt beschreven dat het slijmvlies schraal is en dat er sprake is van atrofie. De bevindingen kunnen passen bij de eerder vastgestelde radiatieschade in dat gebied. Een ulcus is niet gezien. Er is Synapauzecreme voorgeschreven en een volgende policontrole afgesproken in september. Zekerheidshalve werd ook urineonderzoek inclusief cytologie afgesproken en dat de cliënte ook eerder terug kon komen indien de klachten zouden toenemen en dat dan wederom een cystoscoie zou worden verricht.

Op 15 augustus 2014 is de cliënte eerder dan afgesproken op de polikliniek geweest. Zij had het gevoel dat haar plasbuis “ontstoken” was. Deze klachten bestonden eigenlijk al maanden, zitten doet pijn. Bij lichamelijk onderzoek wordt een verdikte urethra gevold maar geen ulcus gezien.

Kort daarna wordt de cliënte door de chirurg gezien en is de cliënte doorverwezen naar de gynaecoloog. Door de chirurg die de cliënte ook heeft onderzocht, werd op dat moment ook geen ulcus gezien.

Door de uitgebreide radiatieschade in het perineumgebied was het meer dan logisch dat de cliënte daar klachten van had, ook op urologisch gebied.

De cliënte is daarvoor onderzocht en zo goed als mogelijk behandeld. Het is uiteraard spijtig voor de cliënte dat het zo is gelopen en dat er een vulvacarcinoom is ontstaan, mogelijk ten gevolge van de ernstige radiatieschade die er bij haar in het perineum aanwezig was. De diagnose is inderdaad vrij laat gesteld.

Niet omdat het ziekenhuis nalatig is geweest maar omdat het een hele lastige diagnose betrof waarbij al diverse afwijkingen aanwezig waren door de bestralingen waardoor het vulvacarcinoom lange tijd onzichtbaar is gebleven. Pas toen er een ulcus zichtbaar werd was het duidelijk dat er inderdaad sprake was van een mogelijk vulvacarcinoom.

Het ziekenhuis meent dat de toenmalige klachtencommissie de klacht ten onrechte gegrond heeft verklaard. Ook de verzekeraar van het ziekenhuis bij monde van de brief van Medi Risk dd.

5 juni 2018 heeft de uitspraak van de klachtencommissie inhoudelijk beoordeeld en is van mening dat de klacht niet gegrond had mogen worden verklaard en dat de commissie tot een verkeerde conclusie is gekomen. Het ziekenhuis heeft de uitspraak destijds niet overgenomen, het bestuur heeft klaagster hierover ook niet bericht.

Het ziekenhuis stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen en dat het door de cliënte verlangde moet worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

Ingevolge artikel 4 van het reglement van de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: het reglement) is de commissie bevoegd een geschil te behandelen indien beide partijen zijn

overeengekomen zich aan het bindend advies van de commissie te onderwerpen. Uit het feit dat het ziekenhuis is aangesloten bij de commissie volgt dat het ziekenhuis ermee akkoord gaat dat dit geschil door de commissie wordt beslecht. De cliënte heeft het geschil op 21 januari 2019 bij de commissie aanhangig gemaakt door indiening van het klachtenformulier. Op grond daarvan stelt de commissie vast dat beide partijen zich ermee akkoord hebben verklaard dat dit geschil door de commissie wordt beslecht, zodat de commissie zich bevoegd acht.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en de cliënte moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

Op 7 april 2015 heeft de klachtencommissie van het ziekenhuis de klacht van de cliënte dat aan haar klachten door het ziekenhuis onvoldoende aandacht is besteed gegrond geacht. De klachtencommissie heeft daartoe overwogen dat het tumorproces van de vulva een maximale diameter van 23 mm en een diepte van 3 mm bleek te hebben en dat een proces met een dergelijke omvang niet in slechts enkele weken is ontstaan. Deze afwijking moet al meerdere maanden hebben bestaan en is dus in de periode van 6 maanden, gerekend vanaf het bezoek aan de polikliniek urologie op 19 februari 2014, visueel niet herkend en dus gemist. Gerichtere diagnostiek en/of een eerdere verwijzing naar de afdeling gynaecologie waren hier mogelijk en wenselijk geweest. De klachtencommissie heeft geen aanbevelingen gedaan.

Duidelijk is geworden dat het bestuur van het ziekenhuis het standpunt van de klachtencommissie niet heeft overgenomen en dit niet met de cliënte heeft gecommuniceerd.

De commissie is van oordeel, hoewel dit niet in de inhoud van de klacht omvat, dat het ziekenhuis in de communicatie met de cliënte ernstig is tekort geschoten door cliënte in het ongewis te laten over het standpunt van het ziekenhuis ten aanzien van de uitspraak van de klachtencommissie. Een uitleg van het ziekenhuis en een excuses voor het uitblijven van een reactie zou zeker op zijn plaats zijn geweest.

Op 24 januari 2018 heeft de cliënte het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade nu op de afdeling urologie in de periode van februari 2014 tot en met augustus 2014 de diagnose plaveiselcelcarcinoom van de vulva is gemist en bij de cliënte een behandeldelay is ontstaan. Bij brief van 18 december 2018 heeft de verzekeraar van het ziekenhuis aansprakelijkheid afgewezen. De cliënte heeft zich vervolgens tot de commissie gewend.

Naar het oordeel van de commissie is niet komen vast te staan dat het ziekenhuis tijdens de behandeling van cliënte in 2014 tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat bij de cliënte in verband met een eerder rectumcarcinoom waarbij zij uitgebreide bestralingen heeft ondergaan op het perineum sprake was van radiatieschade. Het destructieve effect van de bestralingen op het onderlichaam, de vagina en het os pubis was ongebruikelijk groot.

De cliënte bezocht de polikliniek urologie al enkele maanden voordat de diagnose vulvacarcinoom werd gesteld met allerlei klachten in het bestraalde gebied, onder andere mictieklachten en pijnklachten. De cliënte heeft diverse onderzoeken ondergaan en werd behandeld met pijnstillers en anticholinergica. Dat cliënte niet serieus is genomen in haar klachten, wordt door het ziekenhuis betwist en is niet komen vast te staan.

De behandelaars meenden dat de klachten van de cliënte werden veroorzaakt door radiatieschade in dat gebied, hetgeen de commissie gezien de voorgeschiedenis van de cliënte en de overgelegde stukken niet onaannemelijk voorkomt.

De radiatieschade heeft de op zichzelf reeds lastige diagnose bemoeilijkt. Dat de er reeds (enkele) maanden een ulcus of een tumor zichtbaar was, zoals door de klachtencommissie wordt aangenomen, is door het ziekenhuis gemotiveerd betwist en is naar het oordeel van de commissie ook niet komen vast te staan.

Hoewel de late diagnose voor de cliënte de nodige (ernstige) consequenties heeft gehad kan het ziekenhuis hierin naar het oordeel van de commissie geen verwijt worden gemaakt. De commissie acht de klacht van de cliënte dan ook ongegrond. De door de cliënte verlangde schadevergoeding naar aanleiding van het gewraakte handelen in 2014 door de zorgaanbieder wordt afgewezen.

Derhalve dient als volgt te worden beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht niet gegrond en wijst de vordering af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. M.T.W.T. Lock en mevrouw mr. T.H. Disselkoen-van Raalte leden, op

21 juni 2019 in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris.