Wijziging advies van operatie naar conservatieve multidisciplinaire behandeling bij een liesbreuk was niet verkeerd

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: -

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Vanwege verschillende klachten in het lies/buikspieren-gebied was cliënt in behandeling in het ziekenhuis. De door de chirurg ingeplande operatie aan de liesbreuk aan beide kanten, is door de sportarts ten onrechte gecanceld, omdat een operatie wel noodzakelijk is. De commissie oordeelt anders: een multidisciplinaire behandeling was geen verkeerd behandeladvies. Dat eerst een operatie was geadviseerd, is een kwestie van voortschrijdend inzicht. Deze wijziging is ook met de cliënt besproken.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
de heer [naam],
wonende te [woonplaats],
(verder te noemen: de cliënt),

en

Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam,
(verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het geschil is ter zitting behandeld op 1 april 2019 te Den Haag. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen voor de zitting. De cliënt is niet verschenen. Het ziekenhuis werd ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [naam jurist], jurist bij het ziekenhuis, en de heer [naam sportarts], sportarts

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de behandeling van de cliënt in het ziekenhuis in de periode van september 2017 tot april 2018 en de vraag of het ziekenhuis respectievelijk de behandelend arts(en) daarbij verwijtbare fouten hebben gemaakt.

Standpunt van de cliënt
Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.

De cliënt is in behandeling geweest bij de afdeling Heelkunde en Sportgeneeskunde van de afdeling Orthopedie van het ziekenhuis. Dit in verband met verschillende klachten in het lies/buikspieren-gebied waardoor de cliënt niet meer kon trainen (voetbal/dansen) en ook overigens veel klachten ondervond. Door het uitblijven van een adequate behandeling, is de schade aan zijn lichaam toegenomen. De door de chirurg ingeplande operatie aan de liesbreuk aan beide kanten, werd door de sportarts uit de planning gehaald. De cliënt stond daarbij wel degelijk open voor een multi-disciplinaire aanpak. De cliënt verwijst eveneens naar het rapport uit London van dr. [naam Engelse arts]. Duidelijk is dat hij geopereerd had dienen te worden. Voor de cliënt voelt het alsof hij zijn lichaam is kwijt geraakt. De cliënt stelt dat het ziekenhuis niet de juiste diagnose heeft gesteld en dat ten onrechte is gesteld dat geen sprake is van lichamelijke afwijkingen. Inmiddels is bekend dat wel degelijk sprake is van lichamelijke afwijkingen. De tarlov cyste in de onderrug heeft inmiddels voor klachten gezorgd, die geen enkele psychiater had kunnen verhelpen. Er is sprake van een levensbedreigende aandoening. Hij ondervindt vanuit het ziekenhuis geen adequate hulp, noch begrip voor zijn situatie.

De cliënt heeft de volgende klachtonderdelen geformuleerd:

1) verkeerd behandelingsadvies
2) beschuldigingen psychiater
3) geen behandelplan
4) ondermaats klinisch onderzoek
5) geen follow-up met betrekking tot overdracht
6) generiek advies (fysio bezocht ik al voordat ik aanraking kwam met [naam sportarts] 7) operatie geannuleerd
8) tegenstrijdige adviezen (operatie vs. conservatief)
9) uitblijven van conservatieve poging
10) vier maanden aan progressieve schade die voorkomen had kunnen worden met proper onderzoek
11) inhoudelijke censuur van richtlijnen, communicatie en onderzoek
12) rommelige verwijzingen en communicatie (intern)
13) ingeplande operatie (twee dagen voor de operatie geannuleerd)
14) overdracht en uitblijven multi disciplinaire aanpak
15) deze arts is geen psycholoog, maar een sportarts.

De cliënt verlangt dat zijn klacht inhoudelijk wordt besproken, vraagt een inhoudelijk behandelplan en verantwoording met betrekking tot het klinische onderzoek. Hij verlangt vergoeding van de door hem geleden schade van € 5.000,–. De schade bestaat uit verloren tijd en energie en het uitblijven van verder klinisch onderzoek om te concluderen tegen welke dynamische beweegproblemen de cliënt op loopt. Verder stelt de cliënt schade te hebben opgelopen door de ongefundeerde bewering dat hij eerst psychiatrische hulp nodig heeft. Bij brief van 24 januari 2019 stelt de cliënt dat zijn schade inmiddels is opgelopen en op een bedrag van boven de € 500.000,– zal uitkomen in geval van permanente onomkeerbare schade.

Per e-mailbericht van 1 januari 2019 heeft de cliënt aangegeven zijn klacht bij de commissie te willen intrekken.

Standpunt van het ziekenhuis
Het standpunt van het ziekenhuis luidt in hoofdzaak als volgt.

Het ziekenhuis schetst allereerst de medische voorgeschiedenis van de cliënt.

De gang van zaken na het indienen van de klacht was verder als volgt. Na het indienen van de klacht bij de klachtenfunctionaris in januari 2018, is contact opgenomen met de sportarts, die op 9 februari 2018 de cliënt schriftelijk toestemming vraagt om contact te mogen leggen met de nieuwe huisarts. De sportarts heeft op 19 februari 2018 contact opgenomen met de (nieuwe) huisarts, die de coördinerende rol in de eerstelijnszorg van de cliënt op zich had genomen. Daarbij is afgesproken dat de sportarts bereid is aan te sluiten bij het multidisciplinair traject, wanneer de cliënt daarin toestemt. Vervolgens stuurt de cliënt een bericht dat hij graag een plan wil zien en dat hij geen psycholoog nodig heeft. Vervolgens heeft in maart 2018 de sportarts nog overleg met de huisarts en met de psychiatrisch consultatieve dienst. De cliënt is bij meer dan 30 zorgverleners geweest, blijft ontevreden, stuurt een aanhoudende stroom e-mails, weigert psychiatrische behandeling, wil geen multidisciplinaire behandeling, maar wel een operatie. De sportarts zegt dan op 29 maart 2018 de behandelrelatie op.

Ten aanzien van de klachten heeft het ziekenhuis het volgende naar voren gebracht. Het ziekenhuis heeft klachtonderdelen samengevoegd en teruggebracht tot vijf aspecten.

Onjuiste medische behandeling
Uit het medisch dossier volgt dat de cliënt, gezien door chirurg [naam chirurg] (hierna: de chirurg), op de wachtlijst is gezet voor een zogenoemde Totaal Extra Peritoneale endoscopische liesbreuk correctie (hierna: TEP-operatie) en is verwezen naar de sportarts en de uroloog. Na meerdere consulten en verrichte onderzoeken hebben de sportarts en de uroloog geconcludeerd dat een multidisciplinair traject was aangewezen. Hierin zouden ook psychologische ondersteuning, bekkenbodemfysiotherapie en medicamenteuze ondersteuning vanuit urologie een rol moeten hebben. In december 2017 is besloten vooralsnog af te zien van een operatie. Dit is ook aan de cliënt medegedeeld. Het is spijtig dat de cliënt die boodschap onvoldoende heeft begrepen en heeft vastgehouden aan de voorlopige datum voor de operatie op de wachtlijst. Geconcludeerd moet worden dat op goede gronden een multidisciplinair traject aan de cliënt is aangeboden en is getracht hem daaraan te laten deelnemen.

Geen follow-up en overdracht
De sportarts voelde zich genoodzaakt de behandelrelatie te beëindigen, omdat de cliënt zich niet wilde laten behandelen zoals was voorgesteld. Het bericht van de beëindiging van de behandelingsovereenkomst is in kopie naar de huisarts gegaan en ook is telefonisch contact opgenomen met de huisarts om hem te laten weten dat de cliënt eerst moet instemmen met psychologische begeleiding alvorens de sportarts het heropenen van de behandelrelatie kan overwegen. Onder verwijzing naar de richtlijn “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst” van de KNMG, stelt het ziekenhuis dat voldaan is aan de voorwaarde onder b (de patiënt weigert aan de behandeling mee te werken). Hierbij van belang is dat veel inspanningen zijn verricht om de cliënt te laten instemmen met een behandeltraject en dat, toen dat zonder resultaat bleef, op zorgvuldige wijze een goede overdracht naar de eerstelijnszorg is geregeld.

4 maanden progressieve schade als gevolg van niet inzetten proper onderzoek
Er zijn geen aanwijzingen dat onderzoek niet is ingezet als gevolg waarvan schade zou zijn ontstaan.

De cliënt heeft dit ook niet nader onderbouwd.

Inhoudelijke censuur van richtlijnen, communicatie en onderzoek
Dit klachtonderdeel is niet nader onderbouwd en als gevolg daarvan onbegrijpelijk voor het ziekenhuis.

Rommelige verwijzingen en communicatie (intern)
Dit klachtonderdeel is niet nader onderbouwd en als gevolg daarvan onbegrijpelijk voor het ziekenhuis.

Het ziekenhuis verzet zich tegen de door de cliënt verzochte intrekking van het geschil en meent dat de klachtonderdelen ongegrond dienen te worden verklaard. Tevens verzoekt het ziekenhuis aan de commissie de aansprakelijkstelling van 10 maart 2018, die mede ziet op de ervaringen van de cliënt op de polikliniek Neurologie, te betrekken bij de beoordeling van het geschil.

Ter zitting heeft het ziekenhuis gesteld dat de cliënt afgelopen vrijdag en die ochtend nog een mail gestuurd heeft naar onder meer 500 medewerkers van het ziekenhuis.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht.

De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten is een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek. De cliënt is van mening dat het ziekenhuis bij de uitvoering van die overeenkomst niet adequaat heeft gehandeld en dat de lichamelijke klachten van de cliënt niet zijn verholpen en zelfs zijn verergerd. De cliënt houdt het ziekenhuis hiervoor aansprakelijk.

Voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis is vereist dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed zorgverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor zorgverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis/de voor het ziekenhuis werkzame artsen die zorg moet betrachten die een bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Voor een goed begrip van bovengenoemde beoordelingsmaatstaven is het verder van belang te weten dat de verplichting die voor een zorgverlener voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst in beginsel niet wordt aangemerkt als een resultaatsverbintenis, waarbij de zorgverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverbintenis, waarbij de zorgverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de zorgverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener.

Uit het toegezonden medisch dossier blijkt de commissie het volgende chronologisch pad aan gebeurtenissen in verband met de behandeling van de cliënt. De cliënt is op 7 november 2017 in verband met liesklachten en klachten bij inspanning door de chirurg op de poli Heelkunde gezien. Hij is toen op wachtlijst voor een TEP-operatie gezet in verband met liesbreuk aan beide kanten. De dag erna is hij op de poli Urologie geweest voor bekkenbodemproblematiek. De behandelend arts concludeerde dat er disbalans een bekkenbodem-regio is en noteert als beleid uitleg ‘belang van multidisciplinaire aanpak (fysiotherapie, psychische en medicamenteuze ondersteuning vanuit Urologie)’, en (advies) intercollegiale consulten met bekkenbodemfysiotherapeut en psycholoog. Op 15 november 2017 heeft de cliënt nog een poliklinisch consult bij Urologie, waarbij aanvullend lichamelijk onderzoek is gedaan. Als differentiaal diagnose is genoteerd: Dysmorfie Body Disorder. Bij beleid is contact met huisarts genoteerd, en geplande afspraak met bekkenbodemfysio en sportarts. Vervolgens vinden op 22 november 2017 en 6 december 2017 consulten plaats bij de sportarts. Er is lichamelijk onderzoek gedaan. De conclusie die wordt getrokken is dat sprake is van liesklachten gerelateerd aan alle spiergroepen rondom liesgebied. Gezien wordt dat de klachten zijn leven beheersen, en gelet op de wisselende rapporten over mogelijke afwijkingen is besloten om een MRI bekken te laten maken. De sportarts geeft uitleg dat aandacht nodig is voor fysieke klachten, maar ook zijn mentaal welbevinden. Verder adviseert de sportarts fysiotherapie. De TEP-operatie zal onderdeel moeten zijn van een multidisciplinaire aanpak met fysiotherapie/revalidatie en psychologische ondersteuning. De sportarts bespreekt de uitslag van de MRI op 6 december 2017 telefonisch met de cliënt. Dit gebeurt ook op 13 december 2017, het daaropvolgende consult bij de sportarts. De sportarts had intussen contact opgenomen met uroloog, chirurg en de huisarts over de juiste aanpak van de klachten. In overleg is besproken dat een multidisciplinaire aanpak meest wenselijk is, ideale combinatie is bekkenbodem fysiotherapie combineren met sport fysiotherapie. Dat moet ondersteund worden door psychiater en psycholoog. De chirurg geeft aan dat gelet op het aantal verschillende problemen op dat moment er geen operatie-indicatie bestaat. Bij het consult van 13 december 2017 is de cliënt het niet eens met het voorstel om te beginnen met multidisciplinaire conservatieve behandeling. Hij blijft volharden dat het traject dient te beginnen met een operatie en dat hij daarna pas psychiatrisch hulp wil zoeken.

Op 14 december 2017 schrijft de sportarts op verzoek van de cliënt nog een verwijzing naar een arts in Londen, dr. [naam Engelse arts]. De cliënt is al eerder bij dr. [naam Engelse arts] in Londen geweest en wil nog eens door hem gezien worden in verband met diens wijze van opereren. De sportarts legt uit dat dit naar zijn mening – los van een multidisciplinair traject – weinig zal helpen. Dat lijkt de cliënt niet te begrijpen. De sportarts heeft diezelfde dag nog gebeld met de fysiotherapeut van de cliënt en de nieuwe huisarts. Daarbij heeft de sportarts zijn zorgen geuit over de steeds slechter wordende psychische/psychiatrische toestand van de cliënt. Op 20 december 2017 is in het dossier genoteerd dat het ziekenhuis veel mails heeft ontvangen van de cliënt. In de ene mail staat dat de behandeling wordt verworpen en in de andere mail staat dat hij open staat voor een multidisciplinaire aanpak. De sportarts vraagt de poli een mail aan de cliënt te sturen, waarin wordt aangegeven dat het ziekenhuis wil starten met het multidisciplinaire traject als de cliënt dat ook wil.

De commissie zal nu op de verschillende klachtenonderdelen ingaan. Voor de overzichtelijkheid zal zij de 15 klachtonderdelen samenvatten in een aantal kernelementen, te weten klachten met betrekking tot de behandeling door de sportarts, de multidisciplinaire aanpak en de communicatie.

Voorop staat dat de commissie – anders dan het ziekenhuis wenst – niet zal oordelen over de klachten die in een later stadium door de cliënt naar voren zijn gebracht, maar geen onderdeel waren van de klacht zoals die oorspronkelijk bij de commissie is ingediend.

Behandelingsovereenkomst met de sportarts
De klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 9, 10 en 15 zien op de behandeling door de sportarts.

Op grond van de hiervoor gestelde tijdslijn en de toelichting zoals die blijkt uit de stukken, is de commissie van mening dat geen sprake is van een verkeerd behandelingsadvies, maar van een goed onderbouwd advies en een behandelplan. De sportarts heeft in zijn dossier aangetekend dat in 50-60% van de gevallen een dergelijke multidisciplinaire behandeling tot succes leidt en dat, in het geval dat de behandeling geen succes heeft, alsnog chirurgie kan worden overwogen. Op basis van het dossier en eigen waarneming mocht de sportarts voorts vraagtekens zetten bij de psychische gesteldheid van de cliënt en adviseren bij de behandeling een psycholoog of psychiater te betrekken. De klachtonderdelen 1 tot en met 3, waarbij de commissie klachtonderdeel 2 (beschuldigingen psychiater) aldus begrijpt dat de cliënt klaagt over het feit dat de sportarts hem verwijst naar een psychiater, zijn dan ook ongegrond.

Op basis van geschetste tijdslijn concludeert de commissie dat geen sprake is van ondermaats klinisch onderzoek. Klachtonderdeel 4 is dan ook ongegrond.

Voor wat betreft klachtonderdeel 5 stelt de commissie vast dat in het dossier zich een verzoek van de cliënt aan het ziekenhuis bevindt om te bewerkstelligen dat hij in Londen door dr. [naam Engelse arts] wordt gezien, om zo daar mogelijk een operatie te kunnen ondergaan. Uit het medisch dossier blijkt dat de sportarts (aan de cliënt) een verwijsbrief heeft gestuurd voor dr. [naam Engelse arts]. De commissie ziet in die brief, noch overigens, aanleiding om te concluderen dat er een omissie is begaan in de overdracht. Klachtonderdeel 5 is dan ook ongegrond.

Dat de cliënt al een fysiotherapeut had bezocht voordat hij bij de sportarts kwam, maakt niet dat het advies om een fysiotherapeut te betrekken bij de behandeling onjuist is. Onderdeel van de door de sportarts voorgestelde multidisciplinaire conservatieve behandeling, bestaat uit behandeling door een bekkenbodemfysiotherapeut en een sportfysiotherapeut. De sportarts heeft daarbij ook telefonisch contact gehad met de eerdere/vaste fysiotherapeut van de cliënt. Klachtonderdeel 6 is dan ook ongegrond.

Indien het klachtonderdeel “uitblijven van conservatieve poging” zich richt op het niet starten van een conservatieve behandeling, stelt de commissie vast dat dit wordt weersproken door het dossier. Op 13 december 2017 heeft de sportarts in een uur durende afspraak op de poli het multidisciplinaire behandelplan met de cliënt besproken. De cliënt was het daar niet mee eens en wilde graag geopereerd worden. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op het uitblijven van resultaat na conservatieve behandeling, merkt de commissie op dat uit het dossier volgt dat de cliënt niet, althans niet duidelijk/constant, heeft ingestemd met een conservatieve multidisciplinaire behandeling, zodat het uitblijven van resultaat ook niet aan het ziekenhuis verweten kan worden. Zoals gezegd rust op het ziekenhuis daarbij geen resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting om zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Het is de commissie niet gebleken dat het ziekenhuis zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. Klachtonderdeel 9 is dan ook ongegrond.

Nu uit het voorgaande volgt dat het verwijt aan de sportarts/het ziekenhuis ten onrechte is en dus ook niet is gebleken dat sprake zou zijn van een ondeugdelijk onderzoek, volgt hieruit al dat geen causaal verband bestaat tussen het handelen van de sportarts en de door de cliënt eventueel geleden schade. Voor de commissie is dan ook niet vast komen te staan dat vier maanden progressieve schade, als die al zou zijn ontstaan, is voortgevloeid uit gesteld onjuist onderzoek. Klachtonderdeel 10 is eveneens ongegrond.

De stelling van de cliënt dat de sportarts geen psycholoog is, is correct. Voorzover met dit klachtonderdeel is bedoeld dat de sportarts zich geen oordeel mag vormen over de psychische gesteldheid van de cliënt, mist dit doel. Iedere arts gaat om met lichaam en geest en iedere arts is, gezien zijn opleiding, bekwaam zich een oordeel te vormen over de psyche van de mens. Klachtonderdeel 15 is dan ook ongegrond.

Concluderend stelt de commissie dat naar haar oordeel niet is gebleken dat de sportarts/het ziekenhuis bij het vaststellen van het behandelplan en/of het verdere onderzoek en de verdere behandeling niet zou hebben gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener.

Multidisciplinaire aanpak
De klachtonderdelen 7, 8, 13 en 14 zien op het aspect van de multidisciplinaire aanpak.

De communicatie daarover tussen de chirurg en/of de sportarts en de cliënt is voor de commissie echter niet helder geworden uit het dossier. Hoewel het logisch en te begrijpen stappen zijn, is dit voor de commissie niet te achterhalen uit het dossier, hetgeen niet de schoonheidsprijs verdient.

Het is niet helder of dit op 8 november 2017 met de cliënt is besproken. De commissie acht het echter waarschijnlijk, gezien het intensieve contact tussen de cliënt en de sportarts, dat het niet doorgaan van de operatie en de conservatieve behandeling op meerdere momenten met hem is besproken. In ieder geval blijkt uit het medisch dossier dat dit op 13 december 2017 onderdeel van het gesprek is geweest. De klachtonderdelen 7, 8 en 13 zijn ongegrond.

De commissie begrijpt klachtonderdeel 14 zo dat de cliënt er over klaagt dat er geen multidisciplinaire aanpak en overleg is geweest. De commissie stelt vast dat het dossier dit weerspreekt. Op verschillenden momenten is multidisciplinair overleg geweest. De commissie acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Communicatie
De commissie begrijpt klachtonderdeel 11 aldus dat de cliënt het ziekenhuis verwijt dat de sportarts respectievelijk het ziekenhuis op een gegeven moment niet meer heeft gecommuniceerd met de cliënt. Gezien de hoeveelheid mails met bijlagen vindt de commissie het niet onbegrijpelijk dat het ziekenhuis op enig moment (na het opzeggen van de behandelingsovereenkomst) niet diezelfde aandacht meer heeft besteed/geen acht meer heeft geslagen op de e-mails van de cliënt. Het ziekenhuis (zie het e-mailbericht van 23 januari 2019), heeft de cliënt ook geïnformeerd dat zijn mail van 21 januari 2019 niet meer beantwoord zou worden. Dit ook gezien het gegeven dat de klacht in behandeling is bij de commissie. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Nu klachtonderdeel 12 niet nader is onderbouwd, en de commissie ook uit het dossier niet is gebleken van rommelige verwijzingen en communicatie, wordt het al daarom verworpen.

De commissie acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Het verzoek tot schadevergoeding
Voor aanspraak op schadevergoeding is tenminste vereist dat het ziekenhuis in enig opzicht toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting of (aan de andere kant) onrechtmatig heeft gehandeld. De commissie heeft hiervoor geoordeeld dat de klachtonderdelen ongegrond zijn, waarmee impliciet is geoordeeld dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming of een onrechtmatig handelen van de zorgaanbieder. Dit betekent dat aan de cliënt geen aanspraak toekomt op schadevergoeding, die overigens onvoldoende is onderbouwd. Afgezien daarvan overschrijdt de gevraagde schadevergoeding de grens van € 25.000,– waardoor de commissie niet bevoegd zou zijn om een dergelijke schadevergoeding toe te kennen. De verzochte schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.

Hetgeen partijen ieder voor zich meer of anders naar voren hebben gebracht dan waarvan de commissie hiervoor is uitgegaan, behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst het door de cliënt verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer ir. H.J.A.M. Bodelier en de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, leden, op 1 april 2019 in aanwezigheid van mevrouw mr. B.J. van Gent, secretaris.