Voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14a Wet Bopz. De klachten van de cliënte gaan over de toegepaste behandeling- en medicatie en hebben daarom betrekking op de voorwaarden van de voorwaardelijke machtiging. Deze voorwaarden kunnen alleen door de rechter worden gewijzigd

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 118126

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Altrecht, gevestigd te Utrecht, (verder te noemen: de zorgaanbieder), gemachtigde: [naam].

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Op 16 oktober 2018 heeft buiten aanwezigheid van partijen de behandeling plaatsgevonden door de commissie. Partijen zijn niet opgeroepen om ter zitting te verschijnen omdat eerst moet worden
vastgesteld of de commissie bevoegd is om over de klacht van de cliënte te oordelen.

Onderwerp van het geschil

De klacht van de cliënte betreft de uitvoering van de zorg die zij van de zorgaanbieder ontvangt.
 
Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken en in het bijzonder naar het vragenformulier van 8 juni 2018. Het standpunt van de cliënte luidt in
hoofdzaak als volgt.

De cliënte stelt dat de zorgaanbieder haar geen goede begeleiding geeft. Het is niet goed mogelijk om met de psychiater en de casemanager over de medicatie te overleggen. De cliënte ondervindt ernstige lichamelijke klachten van de medicatie, maar de behandelaar ziet hierin geen aanleiding haar behandeling te wijzigen. Daarnaast klaagt de cliënte dat haar medicatie zonder haar instemming en medeweten is verhoogd. De cliënte heeft geen vertrouwen meer in de behandelaar en de zorgaanbieder. Er is overigens ook geen reden haar deze medicatie te geven; in haar dossier staan onjuistheden. Zij voert aan recht te hebben op een behandeling die erop is gericht haar gezondheidstoestand te verbeteren, waar veranderingen toegelicht worden en waarbij zij in haar bezwaren serieus genomen wordt. Zij stelt als oplossing van haar klachten voor dat de zorgaanbieder haar therapie in plaats van medicatie geeft of dat zij door een andere praktijk behandeld wordt. De cliënte verlangt voorts vergoeding van de door haar geleden schade, welke zij stelt op € 25.000,–. De schade bestaat uit het feit dat zij al twee jaar niet kan werken en zij daarnaast hogere kosten heeft, zoals voor de zorgverzekering, het ziekenhuis en haar advocaat.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en in het bijzonder naar het verweerschrift d.d. 13 september 2018 van de gemachtigde van de zorgaanbieder, [naam gemachtigde]. Het standpunt van de zorgaanbieder luidt in hoofdzaak als volgt.

De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat de cliënte niet kan worden ontvangen in haar klacht, nu de cliënte inmiddels – naast een nieuwe casemanager – een nieuwe regiebehandelaar heeft. Verder vraagt de zorgaanbieder zich af of de commissie, gezien het gegeven dat de rechter reeds verschillende beschikkingen heeft gewezen over het gebruik van medicatie door klaagster, bevoegd is te oordelen over de klachten van de cliënte. Bij beschikking van 4 oktober 2016 is een voorwaardelijke machtiging ex artikel 14a Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) afgegeven, op basis waarvan de cliënte onder voorwaarden buiten een psychiatrisch ziekenhuis mag verblijven. Deze machtiging is bij beschikking van 21 september 2017 verlengd tot 21 september 2018.  Met de onderhavige klacht probeert de cliënte opnieuw de voorwaarden van de machtiging te wijzigen. Op grond van de rechterlijke machtiging moet de cliënte zich houden aan de behandeling volgens het behandelplan en de daarin opgenomen voorwaarden. Eén van die voorwaarden is medicatiegebruik volgens voorschrift van de behandelaar. Voor aanpassing van de dosering van de medicatie is dan ook geen toestemming van de cliënte vereist. Het staat de cliënte overigens vrij geen medicatie meer te nemen, maar daarmee leeft zij de voorwaarden van de rechterlijke machtiging niet na en kan deze machtiging worden omgezet naar verplichte opname in een psychiatrisch ziekenhuis.

De stelling van de cliënte dat de medicatie zonder haar medeweten of instemming zou zijn verhoogd,
is onjuist, stelt de zorgaanbieder. Zowel de casemanager als de behandelend psychiater hebben de verhoging met de cliënte besproken en toegelicht. Dit volgt ook uit de cliëntenrapportage (bijlage 3 bij het verweerschrift). Voorstellen om over te stappen naar andere medicatie zijn door de cliënte van de hand gewezen.

Verder voert de zorgaanbieder het volgende aan. Bij beschikking van 10 april 2018 heeft de rechter, op het verzoek van de cliënte de machtiging op te heffen ex artikel 14g Wet Bopz, bekrachtigd dat de cliënte de voorgeschreven medicatie dient te gebruiken.
Uitsluitend de rechter of de geneesheer-directeur kunnen op grond van de Wet Bopz besluiten de voorwaardelijke machtiging te laten vervallen of de voorwaarden waaronder deze is gegeven aan te passen.

Tot slot voert de zorgaanbieder aan dat wanneer de commissie zich wel bevoegd acht, de cliënte
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht dan wel de klacht ongegrond moet worden verklaard. De gevorderde schadevergoeding komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Beoordeling van het geschil

Alvorens aan een inhoudelijke toetsing van het geschil kan worden toegekomen, zal de commissie eerst dienen te oordelen over haar bevoegdheid om de klacht te behandelen.

Het betreft in deze een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14a Wet Bopz. Dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de officier van justitie een voorwaardelijke machtiging kan
verlenen indien naar het oordeel van de rechter:
a. de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken, en
b. het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis – niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of een
verpleeginrichting – slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend.

Artikel 14a Wet Bopz bepaalt dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat na overleg met de betrokkene is opgesteld door de
psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling (de behandelaar). Aan het
behandelingsplan wordt een passage toegevoegd waaruit blijkt dat het overleg tot overeenstemming heeft geleid of, indien zulks niet het geval is, op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Het achtste lid van artikel 14a Wet Bopz houdt in dat de rechter slechts toepassing geeft aan het eerste lid van dit artikel “indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven”.

Uitgangspunt van de regeling is dat een voorwaardelijke machtiging kan dienen als een geschikt
alternatief voor een (onvoorwaardelijke) onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis, mits het te duchten gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis door middel van het stellen van voorwaarden kan worden afgewend en mits de patiënt zich aan de door de rechter te stellen voorwaarden houdt. De keerzijde is dan ook, dat de patiënt op basis van de verleende voorwaardelijke machtiging alsnog in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen indien buiten de inrichting het gevaar niet langer kan worden afgewend door de naleving van de voorwaarden. Voorts kan de geneesheer-directeur de betrokken patiënt alsnog in het ziekenhuis doen opnemen indien de patiënt een of meer door de
rechter gestelde voorwaarden niet naleeft.

Het is – wanneer de voorwaardelijke machtiging is verleend – aan de rechter om te beslissen over het eventueel wijzigen van de voorwaarden of het aanwijzen van een andere behandelaar. Dit loopt via een door de cliënt of de behandelaar gedaan verzoek aan de officier van justitie, die vervolgens de beslissing van de rechter verzoekt.

De commissie stelt vast dat de verschillende klachten van de cliënte in de kern neerkomen op
klachten over de toegepaste behandeling- en medicatie, met andere woorden de klachten hebben betrekking op de voorwaarden van de voorwaardelijke machtiging. De vraag naar de juiste
behandeling, de noodzakelijkheid en dosering van medicatie, en de verandering van de behandelaar in het behandelplan, betreffen de voorwaarden die door de rechter zijn opgelegd en enkel – wanneer hier-over tussen partijen geen overeenstemming is bereikt – door de rechter kunnen worden gewijzigd.

Het voorgaande houdt in dat de commissie zich dan ook niet bevoegd acht te beslissen over de
klachten van de cliënte met betrekking tot de medicatie en de behandelaar/behandeling. Dit is ten eerste aan de rechter om te beslissen. Bovendien zou daarmee ook impliciet een inhoudelijk oordeel gegeven worden over de reeds gegeven beschikkingen van de rechter tot (verlenging van) de
voorwaardelijke machtiging, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de commissie behoort.
Dit heeft ook te gelden voor de schadevergoedingsvordering van de cliënte, nu deze gebaseerd is op de medicatie en dus verweven is met de voorwaarden die zijn opgelegd. Eveneens geldt dit voor de beoordeling van de informatie welke ten grondslag is gelegd aan het behandelplan respectievelijk aan het verzoekschrift tot voorwaardelijke machtiging.

Dat alles maakt naar het oordeel van de commissie dat de commissie geen oordeel kan uitspreken over de klachten van de cliënte.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist op 16 oktober 2018 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.