Voor de behandeling van borstkanker is gekozen voor medicijnen die een negatief effect op het hart kunnen hebben Tijdens de ingezette behandeling is de pompfunctie van het hart bij reguliere controles steeds binnen acceptabele grenzen gebleven. Geen onzorgvuldigheid.

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 112253

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats]

en

Stichting Amphia, gevestigd te Breda
(verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 27 oktober 2017 te Den Haag.

Het geschil is behandeld buiten aanwezigheid van partijen omdat partijen te kennen hebben gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

Onderwerp van het geschil

De cliënte klaagt over de door het ziekenhuis uitgevoerde behandeling van borstkanker met onder meer het medicijn Herceptin, waardoor de cliënte mogelijk ernstig hartfalen heeft opgelopen.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

In april 2014 is bij de cliënte borstkanker geconstateerd. Het behandelplan dat door het ziekenhuis is vastgesteld bestond uit 16 chemokuren, waarvan de laatste 12 gecombineerd werden met immuuntherapie met het middel Herceptin, dat zij in totaal een jaar lang zou krijgen. Herceptin staat erom bekend dat het hartschade kan veroorzaken en dat is bij de cliënte ook gebeurd. Zij heeft ernstig hartfalen opgelopen door de behandeling omdat haar benauwdheidklachten en klachten over verminderde eetlust niet adequaat genoeg onderzocht zijn. Het middel bleef maar toegediend worden, met alle gevolgen van dien.

Op 2 januari 2014 bleek uit onderzoek in het ziekenhuis dat de pompfunctie van haar hart 45-50% bedroeg, hetgeen te laag is voor iemand van haar leeftijd; dit zou minstens 60% moeten zijn. Op 8 mei 2014 was haar hartfunctie 51%, dus ook te laag. Op 28 juli 2014 bij de aanvang van de Taxol/Herceptin kuren was haar hartfunctie 45-50%. Dit is alle keren niet door het ziekenhuis aan de cliënte medegedeeld, er is alleen verteld dat de uitslag in orde was. Het ziekenhuis had haar echter van deze uitslagen op de hoogte moeten stellen. Er had in ieder geval verteld moeten worden dat de pompfunctie voor iemand van haar leeftijd erg laag was.

De cliënte is van april tot half september 2014 behandeld door het Amphia Ziekenhuis in Breda. Op 3 september 2014 werd de cliënte opgenomen wegens benauwdheidklachten. Het ziekenhuis dacht dat er sprake was van een longembolie, hoewel de cliënte nooit heeft gerookt. Er is geen nader onderzoek naar het hart gedaan, alleen naar de longen en deze bleken in orde te zijn. De cliënte mocht die avond onder protest naar huis mits zij zichzelf de volgende ochtend een trombosespuit toediende, hetgeen zij heeft gedaan.

Half september 2014 is de cliënte overgestapt naar het Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg, waar het in Breda gestarte zware behandeltraject is voortgezet. Op 13 oktober 2014 bedroeg de pompfunctie van haar hart nog slechts 21%. Op 14 oktober 2014 is de cliënte met spoed opgenomen op de afdeling cardiologie in het TweeStedenZiekenhuis wegens ernstig hartfalen. De huidige cardioloog van de cliënte is van mening dat de cliënte met een dergelijk lage pompfunctie een ander soort behandeling had moeten krijgen. De cliënte is van mening dat haar hartfunctie door het Amphia Ziekenhuis beter in de gaten gehouden had moeten worden en dat het ziekenhuis haar beter had moeten informeren. De cliënte kreeg al kort na het toedienen van de eerste chemokuur op 31 juli 2014 last van benauwdheid, maar weet dat aan grote stress op haar werk. Als zij had geweten dat zij een lage pompfunctie had, had zij veel alerter op haar klachten gereageerd.

Door het ernstig hartfalen kan de cliënte niet meer werken op het niveau dat zij gewend was en is zij deels afgekeurd voor werk. Ook heeft zij een elektrische fiets moeten aanschaffen. Zij is nu hartpatiënte en dat was zij niet voordat ze borstkanker kreeg. De cliënte verlangt een financiële vergoeding van € 10.000,– voor de schade die aan haar hart is toegebracht en de gevolgen die zij daarvan ondervindt.

Standpunt van het ziekenhuis

Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

Omdat de uitslag van de echo van het hart van de cliënte in januari 2014 afwijkend was, namelijk een verminderde linker ventrikel hartfunctie, werd zij doorverwezen naar het Amphia Ziekenhuis, waar zij op 3 februari 2014 een eerste consult had. De cliënte had op dat moment geen cardiale klachten uitgezonderd reeds 12 jaar bekende hartkloppingen vanwege hartcontracties. Uit het aanvullende onderzoek bleek dat er geen tekenen waren van hartfalen. Bij een herhaald echo-onderzoek op 31 maart 2014 was sprake van normale bevindingen. In april 2014 werd bij de cliënte borstkanker geconstateerd. Bij de aanvang van de behandeling met Adriamycine en Herceptin, die beide cardiotoxisch zijn (giftig voor het hart), werd een meting van de hartfunctie verricht. De EF (ejectiefractie) waarde bleek 51% te bedragen. Op 28 juli 2014 volgde een derde consult. Ook de nieuwe EF-waarde bleek normaal. Op 3 september 2014 werd de cliënte opgenomen in verband met kortademigheid. Er werd geen diagnose gesteld, maar er werd wel gedacht aan een mogelijke longembolie of een bijwerking van de chemotherapie. De cliënte zou worden opgenomen op de afdeling oncologie voor verdere diagnostiek, maar zij besloot tegen het medisch advies in naar huis te gaan. In oktober 2014 gaf de cliënte aan dat zij de chemotherapie bij het Amphia Ziekenhuis wilde beëindigen en wilde overstappen naar het Elisabeth Ziekenhuis. Uit het hartfilmpje in het Elisabeth ziekenhuis bleek dat er sprake is van een EF-waarde van 21%. Uiteindelijk werd hartfalen geconstateerd.

Het ziekenhuis brengt naar voren dat de metingen van de EF-waarde tijdens de behandeling door het ziekenhuis tussen de 50 en 70% zijn geweest en niet onder de 50%. Dit zijn normale waarden voor de pompfunctie van het hart. Het ziekenhuis betwist dat er sprake moet zijn van 60%. Verder vindt het ziekenhuis het opmerkelijk dat er na de cardiotoxische chemotherapie aanvankelijk een opleving van de hartspierfunctie werd geconstateerd en pas na het staken van de chemotherapie een verslechtering plaatsvond. Het ziekenhuis ziet geen aanleiding dat het onzorgvuldig heeft gehandeld, zodat er geen recht bestaat op schadevergoeding. Niettemin begrijpt het ziekenhuis dat het gebeurde een diepe indruk op de cliënte en haar familie moet hebben gemaakt.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie dient de vraag te beantwoorden of er verwijtbare fouten zijn gemaakt bij de behandeling van de cliënte. De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat het ziekenhuis tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en de cliënte moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht. Daarbij geldt in het geval als het onderhavige dat sprake is van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis. Dat wil zeggen dat pas kan worden gesproken van een tekortschieten indien vast komt te staan dat de betrokken behandelaar zich onvoldoende heeft ingespannen; de behandelaar hoeft niet in te staan voor een bepaald resultaat.

Op basis van de overgelegde stukken stelt de commissie vast, dat er bij de cliënte op 2 januari 2014 sprake was van een verminderde EF-waarde van 45-50%, hetgeen reden was om de cliënte door te verwijzen naar de cardioloog. Uit nader onderzoek op 3 februari 2014 (lichamelijk onderzoek en ECG) en 31 maart 2014 (echocardiogram) bleek geen hartfalen en was de pompfunctie van het hart binnen normale waarden. Op 28 juli 2014, bij controle van de hartfunctie in het kader van de ingezette oncologische therapie, was de schatting van de ejectiefractie ongeveer 45%, licht verminderd. De commissie merkt in dit verband op dat het altijd lastig te zeggen is wat een normale waarde is voor de pompfunctie van het hart omdat dit van persoon tot persoon verschilt. In het algemeen wordt een EF-waarde van 60% als gemiddeld gezien, maar een waarde van 55% kan ook voldoende worden geacht. Bij een waarde van onder de 40 of 45% wordt doorgaans pas nader onderzoek verricht en zonodig medicatie toegediend.

Voor de behandeling van borstkanker is in dit geval gekozen voor de medicijnen Adriamycine en Herceptin, die beide een negatief effect op het hart kunnen hebben. Uit het medisch dossier blijkt dat de hartfunctie elke drie maanden werd gecontroleerd en dat dit zonodig eerder gebeurde indien er een aanwijzing was dat de hartfunctie onvoldoende was. Op 28 juli 2014 bleek dat de pompfunctie 45-50% bedroeg, vergelijkbaar met de allereerste meting verkregen in januari 2014, ten tijde van de eerste doorverwijzing door de huisarts. Gelet op de eerdere waarden en de behandeling die inmiddels heeft plaatsgevonden, beoordeelt de commissie deze uitslag als stabiel.
Terzijde merkt de commissie op dat, voor wat betreft de opname van de cliënte in het ziekenhuis op 3 september 2014, het voortijdig vertrek uit het ziekenhuis door de cliënte naar alle waarschijnlijkheid geen negatieve invloed zal hebben gehad, aangezien cliënte bloedverdunnende medicatie gebruikte tot het moment dat de CT-scan gemaakt was.
In oktober 2014 bleek uit de gemaakte echo dat de hartfunctie sterk achteruit was gegaan. Op dat moment werd de medicatie van de cliënte gewijzigd.

Het geschil gaat om de vraag, in hoeverre er voor oktober 2014 ook al aanleiding was om de medicatie van de cliënte aan te passen. Voor het beantwoorden van deze vraag is van doorslaggevend belang, of de betrokken artsen op basis van de op dat moment bekende gegevens in redelijkheid de medicatie konden voortzetten. Gesteld kan worden dat het met de kennis van achteraf mogelijk beter was geweest, indien de cliënte in een eerder stadium andere medicatie had gekregen. Dit is echter gebaseerd op kennis achteraf en zoals is vermeld gaat het bij een medische behandeling om een inspanningsverbintenis op het tijdstip van handelen zelf; of een arts op dat moment handelt naar beste vermogen.
Op basis van de stukken stelt de commissie vast dat het ziekenhuis cliënte altijd goed gevolgd heeft en periodiek controles uitvoerde om de hartfunctie te controleren. Op 28 juli 2014 was de EF-waarde wat lager, maar wel vergelijkbaar met de bevindingen van januari 2014, ruim voor dat met de behandeling was begonnen. Naar het oordeel van de commissie kan op dat moment niet gezegd worden dat de waarde dusdanig laag was, dat dit een reden vormde om behandeling met de betreffende medicatie te staken. Ook kan naar het oordeel van de commissie niet gezegd worden dat op andere momenten de uitslagen dusdanig afwijkend waren dat zij aanleiding gaven tot wijziging van de medicatie. Evenmin hebben zich klachten voorgedaan waaruit afgeleid kon worden dat er sprake was van een verminderde pompfunctie.
Op grond van het voorgaande komt de commissie tot het oordeel dat het ziekenhuis in redelijkheid tot deze behandeling heeft kunnen komen. Tijdens de ingezette behandeling is de pompfunctie van het hart bij reguliere controles steeds binnen acceptabele grenzen gebleven. Naar het oordeel van de commissie kan daarom niet vastgesteld worden dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van het ziekenhuis.
Uit het voorgaande volgt dat de klacht als ongegrond dient te worden afgewezen.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie op 27 oktober 2017.