Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
254258/465115
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In dit geschil gaat het om de financiële verantwoordelijkheid voor jeugdzorgkosten na de invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel op 1 januari 2022. De indiener erkent verantwoordelijk te zijn vanaf die datum, maar vindt dat verweerder te laat heeft gehandeld in het overdragen van het dossier van de jeugdige, waardoor zij nu onverwacht geconfronteerd wordt met een forse rekening van circa €50.000. Hoewel de Jeugdwet geen expliciet kader biedt voor dergelijke situaties, volgt de commissie doorgaans het woonplaatsbeginsel als uitgangspunt. Echter, de commissie stelt dat gemeenten voldoende tijd hebben gehad om hun overdrachten op orde te brengen, en acht het onwenselijk dat overdrachten jaren na dato nog plaatsvinden. In dit geval heeft verweerder erkend al in 2022 te weten dat er fouten in het overdrachtsysteem zaten, maar pas in november 2023 actie ondernomen. Die nalatigheid komt voor rekening van verweerder, aldus de commissie. Het voorstel van de indiener om de kosten over de periode 2022–2024 te delen wordt als redelijk en billijk beschouwd. De commissie verklaart de klacht gegrond en bepaalt dat beide gemeenten elk 50% van deze kosten dragen.
De uitspraak
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2025 te Den Haag.
Namens de indiener waren ter zitting aanwezig: mevrouw [naam] en de heer [naam]. Namens de verweerder zijn mevrouw [naam] en mevrouw [naam] ter zitting verschenen.
Onderwerp van het geschil
De indiener heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.
Het geschil betreft een te late overdracht van een jeugdige waardoor de vraag voorligt welke gemeente in dit geval de kosten dient te dragen.
Standpunt van de indiener
Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Volgens de verweerder is de indiener conform het woonplaatsbeginsel vanaf 1 januari 2022 financieel verantwoordelijk voor de zorgverlening aan een cliënt. De indiener is het hiermee eens.
De verweerder heeft een rekening van ongeveer vijftigduizend euro ingediend om met terugwerkende kracht de kosten te vergoeden die vanaf 4 april 2021 tot aan 4 april 2024 voor de zorgverlening zijn gemaakt.
In 2021 kregen gemeenten reeds de opdracht jeugdigen over te dragen en gemeenten te informeren. De verweerder heeft toen niet voldaan aan deze opdracht en daarom wordt de indiener ruim twee jaar later geconfronteerd met kosten. De indiener heeft als oplossing voorgesteld dat beide gemeenten de helft van de kosten over de periode van 1 januari 2022 tot 1 januari 2024 dragen.
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
De verweerder heeft onterecht kosten gemaakt voor de zorgverlening aan de jeugdige, na wijziging van het woonplaatsbeginsel op 1 januari 2022. Deze kosten dienen voor rekening van de indiener te komen.
Beoordeling van het geschil
Reikwijdte geschil
Niet ter discussie staat dat de indiener op grond van het nieuwe woonplaatsbeginsel verantwoordelijk is voor de jeugdige. Ook staat niet ter discussie dat de verweerder de jeugdige te laat heeft overgedragen, nu de overdrachten per 1 januari 2022 voltooid hadden moeten zijn. Het geschil betreft de kosten die zijn gemaakt in de periode tussen 1 januari 2022 en het moment van feitelijke overdracht van de jeugdige.
Eerdere jurisprudentie
De commissie heeft reeds uitspraak gedaan in gelijkluidende geschillen. In deze uitspraken (zie onder andere de uitspraak met referentienummer 241126/357666) was de commissie van oordeel dat de Jeugdwet geen expliciete wettelijke kaders biedt voor situaties waarin de overdracht van een jeugdige niet tijdig heeft plaatsgevonden.
De commissie verwees hierbij naar hoofdstuk 10 van de Jeugdwet, waarin het overgangsrecht staat beschreven. Dit overgangsrecht ziet uitsluitend op het waarborgen van de continuïteit van zorg en niet op de verdeling van de financiële verantwoordelijkheid. De voornoemde wetsartikelen zijn erop gericht de continuïteit van zorg te waarborgen ter voorkoming van een vacuüm in de hulpverlening.
In beginsel dienen partijen dan ook onderling afspraken te maken over de overdracht datum van een verlaat dossier. Indien partijen niet onderling tot overeenstemming zijn gekomen over een datum tot overdracht van de jeugdige, was de commissie van oordeel dat moet worden teruggevallen op de datum dat het (gewijzigde) woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet is ingetreden, te weten op 1 januari 2022.
Vanaf die datum is de indiener immers op grond van de Jeugdwet formeel verantwoordelijk voor de jeugdige.
Inmiddels heeft de commissie bepaald dat de bovengenoemde jurisprudentiële lijn aan doorontwikkeling onderhevig is. Naar het oordeel van de commissie (bijvoorbeeld in de uitspraak met referentienummer 498577/639619) is het onbeperkt overdragen van jeugdigen niet wenselijk. Niet voor niets was immers vereist dat gemeenten vóór 1 januari 2022 de overdracht van dossiers hadden afgerond. De onder het woonplaatsbeginsel verantwoordelijke gemeente kan anders jaren later geconfronteerd worden met aanzienlijke financiële lasten, terwijl deze gemeente geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de kwaliteit of inhoud van de verleende zorg.
De commissie is dan ook van mening dat gemeenten inmiddels ruim voldoende gelegenheid hebben gehad hun administratie op orde te brengen. Derhalve gaat de commissie ervan uit dat gemeenten uiterlijk per 1 januari 2025 hun administratie met betrekking tot de overdracht van jeugdigen definitief hebben voltooid.
Nu het onderhavige geschil ruim vóór 1 januari 2025 is ingediend (namelijk in februari 2024), houdt de commissie in beginsel vast aan het woonplaatsbeginsel als toetsingskader.
Toets en tijdsverloop
In afwijking van het bovenstaande merkt de commissie het volgende op.
Ter zitting is gebleken dat verweerder nalatig is geweest in het controleren van de casussen die voor overdracht in aanmerking kwamen. Verweerder heeft ter zitting erkend reeds in 2022 op de hoogte te zijn geweest van onjuistheden in de gegevens afkomstig uit de transporttool. Toch is pas in november 2023 in de onderhavige casus gebleken dat het woonplaatsbeginsel onjuist is toegepast.
Gezien het feit dat verweerder reeds in 2022 bekend was met het bestaan van fouten in meerdere casussen, had van verweerder mogen worden verwacht dat zij met de nodige urgentie de overige casussen had onderzocht. Dat het een aanzienlijk aantal casussen betreft, doet daaraan niet af.
De commissie volgt evenmin het betoog van verweerder dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van juiste gegevens primair bij de gecertificeerde instelling ligt. Deze omstandigheid ontslaat verweerder niet van haar eigen verplichting tot zorgvuldige controle.
Naar het oordeel van de commissie is het bovenstaande van dien aard dat deze nalatigheid niet voor rekening en risico van de indiener dient te komen.
Indien de verweerder de facturen eerder gecontroleerd had, had de jeugdige veel eerder overgedragen kunnen worden en was de indiener niet pas ruim twee jaar later met de kosten geconfronteerd.
In zoverre is de klacht dan ook gegrond.
Nu het tijdsverloop aan de verweerder te wijten is, acht de commissie het voorstel van de indiener alleszins redelijk. De commissie zal dit voorstel dan ook bindend opleggen. Dit betekent dat beide partijen de helft van de kosten over de periode 1 januari 2022 tot 1 januari 2024 zullen dragen. De commissie gaat ervan uit dat beide partijen zich in de afwikkeling hiervan constructief zullen opstellen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van de indiener gegrond;
– bepaalt dat beide partijen de helft van de kosten over de periode 1 januari 2022 tot 1 januari 2024 dragen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw E. Liefaard, de heer G.J. van Noort, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 17 april 2025.