Verpleegkundig specialist GGZ had door moeten te vragen naar de als bijwerking van lithium ervaren klachten

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 122234

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënte kreeg lichamelijke klachten na het gebruik van het voorgeschreven lithium. Hoewel door middel van een bloedonderzoek intoxicatie werd uitgesloten, had de verpleegkundig specialist GGZ bij cliënte door moeten te vragen naar haar klachten en de door haar als bijwerking van de lithium ervaren klachten. Ook de communicatie met cliënte had beter gekund.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënte], wonende te [woonplaats], gemachtigde: [naam] en Stichting GGZ Eindhoven en de Kempen, gevestigd te Eindhoven (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de

Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Het geschil is, buiten aanwezigheid van partijen, ter zitting behandeld op 17 april 2019 te Den Haag.

Onderwerp van het geschil
Cliënte beklaagt zich erover dat de zorginstelling weigert om een psycholoog aan huis te regelen.

Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De door cliënte overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënte op het volgende neer.

Cliënte is 51 jaar en lijdt sinds haar achttiende aan een bipolaire stoornis met hevige depressies. Sinds 2016 heeft zij ook een vrijwel constante angst voor mensen en voor haar eigen huis. Zij durft slechts sporadisch haar huis te verlaten.

Begin januari 2018 is cliënte terechtgekomen bij (het FACT team van) de zorginstelling. In juni 2018 heeft cliënte een verzoek gedaan voor behandeling door een psycholoog aan huis.

Cliënte wil via persoonlijke gesprekken inzicht krijgen in de oorzaak van haar angst en leren  om daarmee om te gaan, zodat haar levenskwaliteit verbetert. Protocollaire behandeling van de angstklachten (waaronder exposure) heeft cliënte in het verleden reeds geprobeerd, maar dit werkte niet.

Echter, cliënte heeft slechts een intake met een psycholoog van de zorginstelling gehad. Op

9 augustus 2018 heeft de psychiater van de zorginstelling gemeld cliënte als patiënt te gaan overdragen aan de huisarts. De partner van cliënte heeft vervolgens geprobeerd zelf een psycholoog aan huis te regelen, maar heeft er nog geen kunnen vinden.

Cliënte begrijpt niet waarom de zorginstelling geen indicatie ziet voor één of meerdere individuele gesprekken met een psycholoog aan huis. Het FACT team dient op de patiënt afgestemde zorg te verlenen, eventueel ook ambulant (bij de patiënt thuis). Cliënte is van mening dat sprake is van weigering van zorg. Zij voelt zich door de zorginstelling met de rug tegen de muur gezet.

Cliënte verzoekt de commissie haar klacht jegens de zorginstelling gegrond te verklaren en te bepalen dat de zorginstelling een psycholoog aan huis moet regelen.

Standpunt van de zorginstelling
Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. Het standpunt van de zorginstelling luidt als volgt.

Cliënte is in juli 2017 via een andere zorginstelling aangemeld bij het team Bipolaire stoornis van de zorginstelling. Dit team kon cliënte niet in behandeling nemen, omdat cliënte haar huis niet kan verlaten door angsten en het team geen zorg aan huis aanbiedt.

Begin 2018 is cliënte vervolgens aangemeld bij het FACT team van de zorginstelling. Er hebben inventariserende gesprekken aan huis plaatsgevonden door zowel een psycholoog als een psychiater. Uit deze gesprekken is naar voren gekomen dat bij cliënte geen vraag is naar protocollaire, psychologische behandeling voor angststoornissen op basis van cognitieve gedragstherapie, EMDR of exposure, omdat cliënte daar in het verleden geen baat bij heeft gehad. Cliënte wil graag gesprekken met een psycholoog (en psychiater) aan huis. Deze door cliënte gewenste ondersteuning wordt over het algemeen niet outreachend geboden en is niet in huis bij het FACT team. Vanwege het ontbreken van herstelgerichte behandeldoelen was behandeling door het FACT team derhalve geen passende zorg voor cliënte.

Daarom is voorgesteld cliënte uit te schrijven en de medicatieverstrekking via de huisarts te laten lopen. De huisarts heeft echter aan de psychiater van de zorginstelling laten weten zich niet bekwaam te voelen de voorgeschreven medicatie van cliënte te monitoren. De psychiater is daarom de behandelaar van cliënte gebleven en schrijft de benodigde medicatie voor en monitort deze. Cliënte is op dit moment stabiel.

De zorginstelling is van mening dat het haar niet aan te rekenen valt dat de wens van cliënte niet valt binnen het behandelaanbod van de zorginstelling. Er is geen sprake van zorgweigering, omdat de zorginstelling cliënte tot op heden psychiatrische hulp biedt in de zin van medicamenteuze zorg voor haar psychiatrische aandoening.

De zorginstelling verzoekt de klacht van cliënte ongegrond te verklaren en het door haar verlangde af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de zorginstelling vereist is dat voldoende aannemelijk is dat de zorginstelling tekort is geschoten in de uitvoering van de

behandelings­overeenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorginstelling. De tekortkoming moet aan de zorginstelling kunnen worden verweten en cliënte dient daarvan nadeel te hebben ondervonden.

De commissie dient concreet de vraag te beantwoorden of verantwoorde zorg is verleend op basis van goed zorgverlenerschap. Dit zorgverlenerschap dient patiëntgericht te zijn en afgestemd op de reële behoefte van de cliënt.

Op grond van de stukken stelt de commissie vast dat op 5 juli 2018 een psycholoog bij cliënte thuis is geweest, die heeft geïnventariseerd wat de vragen en wensen van cliënte waren. Vast staat dat cliënte en haar echtgenoot hebben aangegeven geen psychologische behandeling op basis van cognitieve gedragstherapie of exposure te willen. Naar aanleiding van haar bezoek heeft de psychologe cliënte en haar echtgenoot op 12 juli 2018 een e-mail gestuurd, waarin zij onder meer schrijft: “Aangezien er duidelijk geen vraag voor psychologische behandeling (therapie) is, is mijn expertise niet nodig”. In deze e-mail van 12 juli 2018 heeft zij verder aangegeven dat de casemanager en de psychiater van het FACT team graag op 9 augustus 2018 bij cliënte willen langskomen. Als niet weersproken staat vast dat ook in het gesprek van 9 augustus 2018 naar voren is gekomen dat cliënte geen vraag heeft naar protocollaire,  psychologische behandeling voor angststoornissen op basis van cognitieve gedragstherapie, EMDR of exposure.

De commissie is van oordeel dat (de psychiater van) de zorginstelling zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen indicatie is voor een andersoortige psychologische therapie, in de vorm van de door cliënte gewenste individuele gesprekken met een psycholoog aan huis. Daarnaast is komen vast te staan dat de zorginstelling ook overigens de mogelijkheid daartoe niet in huis heeft. Vanwege het ontbreken van een indicatie lag een verwijzing door de zorginstelling naar een psycholoog aan huis buiten de zorginstelling dan ook niet voor de hand.

De zorginstelling heeft onweersproken gesteld dat de psychiater van het FACT team van de zorginstelling op dit moment nog steeds de behandelaar is van cliënte en dat hij cliënte medicamenteuze zorg biedt.

Het geheel overziende, kan naar het oordeel van de commissie onder de gegeven omstandigheden niet de conclusie worden getrokken dat de zorginstelling een verwijt valt te maken in het kader van de behandeling van cliënte. Uit de overgelegde stukken is de commissie genoegzaam gebleken dat de zorginstelling de hulpvraag van cliënte wel serieus heeft genomen, maar de door haar gewenste psychologische behandeling niet geïndiceerd acht en bovendien niet zelf in huis heeft.

De commissie acht de klacht van cliënte daarom ongegrond en zal het door cliënte verlangde afwijzen.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van cliënte ongegrond en wijst het door haar verlangde af.

Aldus beslist op 17 april 2019  door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw dr. N.D. Veen en de heer mr. S. Sierksma, leden, waarbij mevrouw mr. drs. I.M. van Trier als plaatsvervangend secretaris fungeerde.