Verjaring omdat gebeurtenissen dateren uit de periode 1979–1981

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: consument aan voorwaarden voldaan    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 2210/10810

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De gebeurtenissen waarop de cliënt zijn schade baseert, dateren uit de periode 1979 – 1981. In het voor de cliënt meest gunstige geval is de verjaringstermijn van twintig jaren gaan lopen op 1 januari 1982 en is geëindigd op 1 januari 2002. De rechtsvordering die de cliënt op 20 april 2019 bij de zorgaanbieder heeft ingediend is daarom verjaard en kan niet behandeld worden. Het beroep dat de zorgaanbieder doet op verjaring, is niet onaanvaardbaar.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [plaats], en Stichting Dimence Groep, gevestigd te Deventer (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Cliënt heeft op 9 september 2019 door middel van het vragenformulier Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg bij de commissie een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder. Bij brief van 11 oktober 2019 heeft de zorgaanbieder verweer gevoerd tegen die klacht en onder meer gesteld dat de klacht van cliënt is verjaard op grond van het bepaalde in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek. Op 15 oktober 2019 heeft cliënt schriftelijk op het verweer van de zorgaanbieder gereageerd. De commissie heeft partijen meegedeeld dat zij – alvorens in te gaan op de inhoud van de klacht –eerst het verjaringsverweer zal behandelen zonder dat partijen daarbij aanwezig zijn. De behandeling van het geschil heeft buiten aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op 15 november 2019 te Eindhoven.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer. Cliënt heeft in de periode 1979-1981 verbleven in een instelling van de rechtsvoorganger van de zorgaanbieder. Cliënt heeft een posttraumatische stressstoornis overgehouden van de wijze waarop hij toen daar door die rechtsvoorganger is behandeld. Cliënt heeft op 15 maart 2007 voor het eerst zijn klacht bij de zorgaanbieder kenbaar gemaakt. Cliënt verlangt voor het leed dat hem is aangedaan van de zorgaanbieder een symbolische schadevergoeding van € 1.170,– en excuses. Cliënt heeft schriftelijk zijn verwondering uitgesproken over het hierna vermelde standpunt van de zorgaanbieder.
Hij stelt dat hij nog met regelmaat de gevolgen ondervindt van de door hem gestelde gedragingen die tot zijn klacht hebben geleid en wijst erop dat er in de pers nog steeds aandacht wordt besteed aan ernstige zaken uit een ver verleden, die niet verjaard zouden zijn.

Standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder is van mening dat de klacht van cliënt is verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Tot dit oordeel was de aansprakelijkeidsverzekeraar van de zorgaanbieder, aan wie de claim eerder dit jaar was voorgelegd, ook al gekomen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken het volgende overwogen.

Cliënt heeft op 20 april 2019 bij de zorgaanbieder een claim ingediend tot verkrijging van een – naar de commissie begrijpt – immateriële schadevergoeding. De gebeurtenissen waarop die claim betrekking heeft, hebben plaatsgevonden in de periode 1979–1981 toen cliënt verbleef in een instelling van de rechtsvoorganger van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft die claim met een beroep op verjaring en onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgewezen. De commissie dient het geschil tussen partijen te beoordelen aan de hand van het burgerlijk recht.

Voor zover van belang voor dit geschil bepaalt het hiervoor genoemde artikellid dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade (…) verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade (…) als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (…).Deze absolute verjaringstermijn van twintig jaren begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, ook al was de benadeelde toen niet bekend dat hij schade had geleden en ook niet bekend met de daarvoor aansprakelijke persoon. Als de commissie uitgaat van het voor cliënt meest gunstigste geval dan is die termijn van twintig jaren gaan lopen op 1 januari 1982 en geëindigd op 1 januari 2002. Gesteld noch gebleken is dat cliënt in dat tijdsbestek een rechtshandeling heeft verricht die de toen lopende verjaring heeft afgebroken (gestuit), waardoor er een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. De commissie gaat er dan ook van uit dat er geen nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. De klacht die cliënt volgens zijn stelling op 15 maart 2007 bij de zorgaanbieder heeft ingediend, kon – indien aangenomen moet worden dat deze een vordering tot schadevergoeding zou hebben ingehouden – geen stuitend effect meer hebben omdat die indiening plaatsvond toen de absolute verjaringstermijn van twintig jaren was verstreken. De commissie komt dan ook tot de conclusie dat de rechtsvordering, die cliënt op 20 april 2019 – en dus ruim 17 jaar na 1 januari 2002 bij de zorgaanbieder heeft ingediend – is verjaard. Naar aanleiding van het beroep op verjaring door de zorgaanbieder heeft cliënt zich beroepen op ernstige zaken uit een ver verleden, die hem uit de pers bekend zijn en die niet verjaard zouden zijn. Kennelijk beoogt cliënt daarmee te bereiken dat het verjaringsberoep van de zorgaanbieder in zijn geval op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing gelaten zou moeten worden. De commissie overweegt hierover als volgt. De verjaringstermijn van twintig jaren heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter. Hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzicht van degene die mogelijk schade heeft geleden, brengt niet alleen het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen, maar ook de billijkheid tegenover de wederpartij van de benadeelde mee dat aan die termijn strikt de hand moet worden gehouden.

Wat die billijkheid betreft, valt in het bijzonder te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor die wederpartij kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de toenmalige feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing zou kunnen blijven. Dat is dan echter alleen het geval indien toepassing van de wettelijke verjaringsbepaling in de gegeven omstandigheden op grond van die maatstaven onaanvaardbaar zou zijn. Van onaanvaardbaarheid zal slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Uit de jurisprudentie van de Nederlandse overheidsrechter en dan met name van de Hoge Raad blijkt immers dat onaanvaardbaarheid alleen aan de orde kan zijn in een uitzonderlijk geval. Het uitzonderlijke van het te beoordelen geval moet niet worden gezocht in de feitelijke omstandigheden van dat geval, zoals hier de door cliënt beweerde gebeurtenissen in de periode 1979-1981, maar het moet daarbij gaan om een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin. Zo zou het in een geval als dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat de zorgaanbieder zich op verjaring zou mogen beroepen, indien cliënt zijn rechtsvordering niet heeft kunnen instellen door omstandigheden die aan de zorgaanbieder toegerekend moeten worden. Dergelijke omstandigheden zijn de commissie niet gebleken.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat deze zaak niet kan worden gekwalificeerd als een uitzonderlijk geval in bovengenoemde zin. Reeds op die grond moet worden geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat het beroep op verjaring van de zorgaanbieder in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, dient cliënt niet-ontvankelijk verklaard te worden. De commissie wijst er ten overvloede op dat deze niet-ontvankelijkverklaring is gebaseerd op overwegingen van juridisch-technische aard, waarmee expliciet noch impliciet enig inhoudelijk oordeel is gegeven over de verwijten van cliënt aan de (rechtsvoorganger van de) zorgaanbieder. Aan een dergelijk oordeel komt de commissie niet toe.

Beslissing
De commissie verklaart cliënt niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus beslist op 15 november 2019 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw M. Berkelouw en de heer mr. P.C. de klerk, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.