Uitblijven EMDR-behandeling tijdens de opnameperiode is niet aan zorgaanbieder te wijten

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 121564

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De commissie is van oordeel dat de opname in eerste instantie heeft plaatsgevonden omdat klaagster een time-out nodig had in verband met haar depressiviteit en suïcidaliteit. Het ondergaan van een EMDR-behandeling was een secundair doel, waarvoor de zorgaanbieder zich ook voldoende heeft ingespannen. Dat een iPad is gestolen door een medepatiënt, kan de zorgaanbieder niet worden verweten.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Client], wonende te [woonplaats], gemachtigde: [naam] en Stichting MET ggz, gevestigd te Roermond (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de

Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Het geschil is, buiten aanwezigheid van partijen, ter zitting behandeld op 17 april 2019 te Den Haag.

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de behandeling van cliënt door de zorginstelling in de periode van januari 2012 tot en met oktober 2018.

Standpunt van cliënt
Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De door cliënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënt op het volgende neer.

Cliënt heeft begeleid gewoond bij de zorginstelling. De zorginstelling heeft cliënt niet de benodigde zorg geboden. Cliënt heeft herhaaldelijk moeten verhuizen; de zorginstelling heeft hem geen rustige en veilige woonomgeving geboden. De zorginstelling heeft cliënt een periode in een ‘hok’ gezet met weinig of geen begeleiding. Er hebben zich meerdere incidenten voorgedaan.

Bij problemen van cliënt was de zorginstelling niet te bereiken, ook niet voor de ouders van cliënt. De communicatie en informatieverstrekking door de zorginstelling lieten te wensen over. Cliënt bleek, zonder dat zijn ouders het wisten, een waarschuwingsbrief te hebben gekregen. Bij de tweede waarschuwingsbrief, die de ouders wel hebben ontvangen, kregen zij het gevoel dat de zorginstelling van cliënt afwilde. Er is hun gezegd dat dit niet zo was en dat een waarschuwingsbrief maar drie maanden geldig was. Anderhalf jaar later, bij de derde waarschuwingsbrief, bleken de eerste twee waarschuwingen echter wel degelijk van invloed te zijn.

De zorginstelling heeft cliënt op enig moment ten onrechte laten uitschrijven bij het CAK. Daardoor werd de eigen bijdrage niet meer ingehouden op de uitkering van cliënt. De zorginstelling heeft niets gedaan met vragen hierover van (de ouders van) cliënt. Pas een jaar later is cliënt met terugwerkende kracht opnieuw aangemeld en moest hij alsnog de eigen bijdrage betalen. Door deze gang van zaken is cliënt in de schulden terechtgekomen. Als de zorginstelling de fout meteen had gecorrigeerd, zou er niets aan de hand zijn geweest. Ook toen cliënt problemen kreeg met het UWV, heeft de zorginstelling niets gedaan.

De ouders van cliënt hebben heel vaak hun zorgen geuit en herhaaldelijk klachten ingediend. Dit heeft echter geen resultaat gehad. Ook hebben zij, ondanks verzoeken daartoe, nooit een gesprek met de psychiater(s) van cliënt gehad.

De zorginstelling heeft cliënt nooit centraal gesteld. Door toedoen van de zorginstelling is cliënt in een neerwaartse spiraal terechtgekomen en is hij momenteel psychisch een wrak.

Cliënt is van mening dat de zorginstelling haar zorgplicht niet goed is nagekomen.

Cliënt verzoekt de commissie zijn klacht jegens de zorginstelling gegrond te verklaren en hem een vergoeding van € 3.000,– toe te kennen voor de door hem ten gevolge van het handelen en/of nalaten van de zorginstelling geleden schade.

Standpunt van de zorginstelling
Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. Het standpunt van de zorginstelling luidt als volgt.

Cliënt heeft gedurende zijn traject binnen de zorginstelling verschillende woonadressen gehad. Er is steeds een beoordeling gemaakt van het op dat moment best passend aanbod voor cliënt. Cliënt heeft een periode op een time-out plek verbleven. Dit betreft een ruimte die zeer basaal is ingericht. De begeleiding is in deze voorziening minder dan in de 24-uurssetting waar cliënt op dat moment vandaan kwam. De zorginstelling bestrijdt dat de plek vies zou zijn geweest.

De zorginstelling heeft cliënt altijd serieus genomen in zijn vragen. De zorginstelling heeft de verzoeken van cliënt echter niet altijd kunnen inwilligen.

De zorginstelling is telefonisch bereikbaar via het mobiele nummer van de persoonlijk begeleider en, indien deze niet bereikbaar is, via de bereikbaarheidsdienst. De hoeveelheid begeleiding is uitgevoerd conform indicatie. Het kan incidenteel zijn voorgekomen dat de begeleiding niet direct bereikbaar was of dat cliënt onvoldoende aanwezigheid van de begeleiding heeft ervaren, maar van een structureel slechte bereikbaarheid of aanwezigheid is geen sprake geweest. Bij verhuizing van het ene naar het andere wijkteam veranderden de personen die de begeleiding doen. Over de financiële begeleiding van cliënt zijn in het begeleidingsplan afspraken gemaakt. Cliënt heeft echter onvoldoende openheid gegeven over zijn financiën en de zorginstelling kan dit niet afdwingen.

Klachten van cliënt zijn steeds serieus genomen. De psychiater(s) met wie (de ouders van) cliënt een gesprek wilde(n), zijn niet werkzaam bij de zorginstelling.

Het beleid met betrekking tot waarschuwingsbrieven is gedurende het traject van cliënt bij de zorginstelling gewijzigd. In de uitdraging van dit beleid is wellicht tegenstrijdige informatie gegeven. Dit heeft geen consequenties gehad, nu de begeleiding van cliënt niet is gestopt op grond van de eerdere (twee) waarschuwingen.

Cliënt is niet uitgeschreven binnen de zorginstelling. De gemaakte schulden houden verband met de verandering van financiering van de eigen bijdrage, toen cliënt in mei 2016 van de WMO naar Justitie overging. De zorginstelling heeft daar geen invloed op. Wel is het zo dat de zorginstelling niet direct in de gaten heeft gehad wat de implicaties waren van deze overgang op de eigen bijdrage van cliënt en dat dit pas later duidelijk is geworden. Bovendien was het systeem van aan- en afmelden van cliënten bij het CAK niet goed ingericht in die periode. Vanaf 1 januari 2016 diende cliënt aan- en afgemeld te worden door de gemeente Venlo, die het toentertijd niet goed heeft opgepakt. In de situatie van cliënt is fout op fout gestapeld. De zorginstelling heeft cliënt ondersteuning geboden bij het treffen van betalingsregelingen met het CAK.

De zorginstelling heeft cliënt ook ruimschoots ondersteund in zijn gesprekken met het UWV. Dit laat onverlet dat de uitkomst van de gesprekken niet altijd naar de wens van cliënt is geweest.

De zorginstelling betreurt het ten zeerste dat cliënt en zijn ouders ontevreden zijn over de geboden begeleiding, maar bestrijdt dat de begeleiding niet adequaat is geweest en dat de zorgplicht niet is nagekomen dan wel cliënt niet centraal is gesteld. De casus van cliënt was complex en de begeleiding heeft zich steeds maximaal ingespannen om alles in goede banen te leiden. Helaas konden begeleidingsdoelen niet altijd worden behaald, maar de neerwaartse spiraal waarin cliënt zegt terecht te zijn gekomen, kan niet aan (kwalitatief) onvoldoende begeleiding worden geweten.

De zorginstelling is van mening dat zij niet aansprakelijk is voor het in schulden raken van cliënt. Cliënt is zelf eindverantwoordelijk voor zijn financiële handelen, ook voor wat betreft de veranderde situatie ten aanzien van de eigen bijdrage van het CAK. De zorginstelling heeft cliënt maximaal ondersteund in zijn financiële huishouding. Cliënt heeft echter zelf verkeerde keuzes gemaakt.

De zorginstelling verzoekt de klacht van cliënt ongegrond te verklaren en het door hem verlangde af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de zorginstelling vereist is dat voldoende aannemelijk is dat de zorginstelling tekort is geschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorginstelling. De tekortkoming moet aan de zorginstelling kunnen worden verweten en cliënt dient daarvan nadeel te hebben ondervonden.

De commissie dient concreet de vraag te beantwoorden of verantwoorde zorg is verleend op basis van goed zorgverlenerschap. Dit zorgverlenerschap dient patiëntgericht te zijn en afgestemd op de reële behoefte van de cliënt.

De commissie stelt vast dat cliënt voorafgaand aan deze procedure een klacht heeft ingediend bij de Klachtencommissie van de zorginstelling. In de procedure bij de Klachtencommissie is de klacht verdeeld in 17 klachtaspecten, te weten:

  1. Erg onduidelijk, eerst andere kamer dan plotseling moeten verhuizen en zeker niet cliënt centraal stellen;
  2. Als cliënt belt hem niet serieus nemen, waardoor hij in de problemen komt;
  3. Cliënt na een klein jaar alleen in een vies hok zetten, met maar heel weinig begeleiding;
  4. Cliënt financieel nauwelijks ondersteunen, terwijl dat was beloofd;
  5. Heel vaak niet te bereiken, ook niet voor de ouders van cliënt;
  6. Slecht op de hoogte hoe het toegaat met betrekking tot opname in Venray;
  7. Heel vaak niemand aanwezig als het echt nodig is;
  8. Uitschrijven waardoor cliënt in de schulden is geraakt;
  9. Zeggen dat een officiële waarschuwingsbrief maar drie maanden geldig is en vervolgens anderhalf jaar later zeggen dat dat veranderd is en die brieven meetellen;
  10. Bij een gesprek met ouders iemand het woord laten doen die er een paar maanden in zit en zich heeft ingelezen, dan voel je je als ouder niet serieus genomen;
  11. Als cliënt een begeleidster heeft waar hij iets van aanneemt, bij verhuizing iemand op hem zetten die net van school komt, jong en een frêle poppetje is;
  12. Bij problemen met het UWV het niet voor cliënt opnemen;
  13. Bij binnenkomen rekeningen van het CAK geen bezwaar aantekenen;
  14. Niet de zorgplicht nakomen en alles afschuiven op een medewerkster van de gemeente

(zorg- en veiligheidshuis van Venlo);

  1. Cliënt onder dwang verhuizen naar een niet geschikte plek voor hem, een brief opstellen met leugens die hij met tijdslimiet moet ondertekenen en vervolgens niet bereikbaar zijn;
  2. Bij verhuizing zelfs vuile was in dozen pleuren;
  3. Cliënt op het matje laten komen en dan met verschillende personen tegen hem en als hij vervolgens reageert hem aangeven wegens bedreiging.

De Klachtencommissie van de zorginstelling heeft de klachtaspecten 1 tot en met 9 en 15 gegrond verklaard, de klachtaspecten 11, 13 en 14 deels gegrond en de klachtaspecten 10, 12, 16 en 17 ongegrond. De commissie volgt de overwegingen van de Klachtencommissie en maakt het oordeel van de Klachtencommissie tot het hare. Met de Klachtencommissie is de commissie van oordeel dat de begeleiding van cliënt door de zorginstelling op een aantal punten tekort is geschoten. Hieruit volgt dat de zorginstelling naar het oordeel van de commissie op deze punten tekort is geschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en dat de klacht van cliënt derhalve grotendeels gegrond is.

De commissie stelt voorts vast dat het onderhavige geschil zich blijkens de geformuleerde klacht toespitst op de vraag of de zorginstelling cliënt een schadevergoeding dient te betalen. De door cliënt verzochte materiële schadevergoeding ziet met name op klachtaspect 8.

Cliënt stelt dat hij door toedoen van de zorginstelling in de schulden is geraakt. De zorginstelling heeft uiteindelijk erkend dat cliënt ten onrechte is afgemeld bij het CAK, waardoor de eigen bijdrage niet meer maandelijks werd ingehouden en cliënt achteraf is geconfronteerd met een betaalachterstand. Dat dit vervelend is geweest voor cliënt, mag zo zijn, maar dit betekent niet dat de zorginstelling gehouden is tot vergoeding van de eigen bijdrage aan cliënt. Immers, dat de eigen bijdrage door een fout van de zorginstelling niet meer maandelijks werd ingehouden, neemt niet weg dat cliënt deze wel verschuldigd is geweest. De commissie neemt voorts in aanmerking dat de schuld kennelijk grotendeels is kwijtgescholden en dat voor het restant een betalingsregeling is getroffen.

De commissie heeft voorts kennisgenomen van de brief van de gemachtigde van cliënt van

19 maart 2019 en leest deze aldus dat cliënt ook verzoekt om toekenning van een immateriële schadevergoeding. De commissie is te dien aanzien van oordeel dat het causaal verband tussen de door cliënt gestelde geestelijke schade en het handelen van de zorgaanbieder onvoldoende is aangetoond. Zo dit verband al aanwezig kan worden geacht, dan geldt bovendien dat de gestelde (gevolg)schade op geen enkele wijze is onderbouwd.

Uit het voorgaande volgt dat de door cliënt verlangde schadevergoeding zal worden afgewezen.

Nu de klacht van cliënt grotendeels gegrond wordt verklaard, ziet de commissie wel aanleiding de zorginstelling te veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie:

  • verklaart de klacht van cliënt deels gegrond;
  • bepaalt dat de zorginstelling overeenkomstig het reglement van de commissie aan cliënt het  klachtengeld ten bedrage van € 52,50 dient te vergoeden;
  • wijst het door cliënt meer of anders verlangde af 

Aldus beslist op 17 april 2019  door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw dr. N.D. Veen en de heer mr. S. Sierksma, leden, waarbij mevrouw mr. drs. I.M. van Trier als plaatsvervangend secretaris fungeerde.