Tegenvallende resultaten staarbehandelingen niet het gevolg van een toerekenbare tekortkoming van het ziekenhuis

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Inspanningsverplichting    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 123860

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Na twee staarbehandelingen heeft cliënt nog steeds een bril nodig voor zowel dichtbij als veraf. De arts heeft geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het zicht. Mogelijk is een standaardlens geplaatst in plaats van een comfort toric lens. Het ziekenhuis verweert zich door te stellen dat de oogarts nimmer de garantie heeft gegeven dat met implantatie van de duurste lenzen cliënt volledig zijn zicht terug zou krijgen. Doel van een lensimplantatie is om de patiënt minder brilafhankelijk te maken. De commissie acht het niet aannemelijk dat de oogarts de garantie heeft gegeven dat na de ingreep geen bril meer nodig is. Cliënt heeft een informed consent formulier ondertekend waarin is gewezen op de risico’s bij de tijdens en na de behandeling en de gevolgen voor de brilsterkte. Naar het oordeel van de commissie is uit een second opinion in een ander ziekenhuis niet gebleken dat er verkeerde lenzen zouden zijn geplaatst bij cliënt. De klacht is daarom ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Client], wonende te [woonplaats], en Admiraal de Ruyter Ziekenhuis, gevestigd te Goes,
verweerder, (verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 15 augustus 2019 te Den Haag.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten naar voren gebracht. 

Het ziekenhuis werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], staffunctionaris, en [naam], optometrist. 

Onderwerp van het geschil 
Het geschil betreft de kwaliteit van een staarbehandeling.

Standpunt van de cliënt
Het standpunt van de cliënt, zoals vermeld in het vragenformulier dat de commissie op 26 maart 2019 heeft ontvangen, luidt in hoofdzaak als volgt.

Cliënt houdt het ziekenhuis aansprakelijk voor het ongewenste resultaat van een staarbehandeling. De arts heeft cliënt zonder voorbehoud voorgehouden dat cliënt na de staarbehandelingen optimaal zou zien op alle afstanden. Echter na de twee staarbehandelingen heeft de cliënt toch een bril nodig voor zowel dichtbij als veraf.

Cliënt heeft meerdere malen aan de oogarts en optometrist aangegeven dat zijn zicht niet goed is. Door zowel de oogarts als de optometrist is hem geadviseerd om bij de drogist een +1 brilletje aan te schaffen voor het lezen op de PC en dat zijn zicht op termijn zou verbeteren. Dit is echter niet juist. 

Cliënt heeft zijn ogen laten nakijken door een opticien, die hem heeft geadviseerd een sterkere bril aan te schaffen omdat na zijn metingen +1 niet voldoende is.

Voorts blijkt uit de factuur dat in zijn rechteroog geen comfort toric lens is geplaatst. De opticien kan niet vaststellen dat er een comfort toric lens is geplaatst. Gezien het slechte zicht vermoedt cliënt dat er een standaard lens is geplaatst.

Cliënt heeft bij het ziekenhuis een klacht ingediend met een voorstel tot een oplossing in de vorm van een schadevergoeding. Het ziekenhuis heeft haar aansprakelijkheid niet erkend maar hem een coulancevergoeding van € 1500,–/ € 2000,– aangeboden. De cliënt gaat met deze vergoeding niet akkoord.

De cliënt vordert van het ziekenhuis zowel een materiële schadevergoeding (kosten voor het vervoer naar het ziekenhuis € 873-,-, aankoop lenzen € 1500,–, aankoop brillen € 174,–, eigen risico CZ,

 € 385,–, optometrist € 25,–, tijdsbesteding aan de klachten € 1200,–, kosten geschillenprocedure en extra tijd voor aanleggen van dossier) als immateriële schadevergoeding (ontneming levensplezier door het inbrengen van de verkeerde lenzen) van totaal een bedrag van € 10.000,–.

Daarnaast eist hij een excuusbrief [naam], opticien en een reprimande aan het ziekenhuis in het bijzonder aan de behandelend arts.

Standpunt van het ziekenhuis 
Het ziekenhuis heeft bij brief van 10 juli 2019 verweer gevoerd tegen de klacht van cliënt. De commissie verwijst kortheidshalve naar de inhoud van deze brief.

In de eerste plaats stelt het ziekenhuis dat, indien de opticien zich onheus bejegend heeft gevoeld, hij zelf contact had kunnen opnemen met het ziekenhuis. Tot op heden heeft de opticien dit niet gedaan.

Het ziekenhuis is van oordeel dat de oogarts niet foutief of verwijtbaar heeft gehandeld bij de behandeling van de cliënt. De oogarts heeft cliënt nimmer de garantie gegeven dat met implantatie van de duurste lenzen cliënt volledig zicht terug zou krijgen. Cliënt heeft een informed consent getekend waarin uitdrukkelijk staat vermeld dat een afwijking van -1 tot +1 dioptrie van de afgesproken brilsterkte een goed resultaat is. Het doel van de lensimplantatie is om een patiënt minder brilafhankelijk te maken. Echter een garantie op optimaal zicht kan niet worden gegeven.

Bij cliënt zijn refractieve lenzen geplaatst die aan de onderkant een lees- en aan de bovenkant een veraf gedeelte hebben. Als in het overgangsgebied wordt gemeten kan de waarde verschillen van meting tot meting. De lensstickers in het medisch dossier geven aan dat in beide ogen comfort toric lenzen zijn geplaatst.

De oogarts in het oogziekenhuis Rotterdam heeft geconcludeerd dat moet worden afgewacht en een lenswissel gelet op de goede visus met correctie en risico’s van een eventueel tweede ingreep niet verstandig is.

Het ziekenhuis verzoekt de commissie de klacht niet gegrond te verklaren en de vorderingen af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt op grond van het over en weer gestelde en de door partijen overgelegde stukken het volgende. 

Cliënt houdt het ziekenhuis aansprakelijk voor het onvoldoende resultaat met betrekking tot het totale zicht na twee staaroperaties. Daarnaast vordert cliënt excuses van het ziekenhuis aan de opticien en een reprimande aan de behandelend oogarts.

De commissie heeft ter zitting al aan cliënt meegedeeld dat zij geen oordeel geeft over zijn verzoek om excuses aan de opticien. Deze opticien is immers geen partij in dit geschil. 

Voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis is vereist dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor het ziekenhuis uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden. 

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. 

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval het ziekenhuis) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie is van oordeel dat de klacht van de cliënt niet gegrond is. Daarbij overweegt zij als volgt.

Uit het medisch dossier stelt de commissie vast dat bij cliënt na de staaroperaties een zicht van 95% zonder correctie is gemeten voor het rechteroog en 85% zonder correctie van het linkeroog. 

Voorts blijkt uit de consultverslagen dat de juiste kunstlenzen zijn geplaatst. De brilsterkte valt binnen de marges die bij een staaroperatie worden gehanteerd. 

Naar het oordeel van de commissie zijn de staaroperaties lege artis uitgevoerd. Het resultaat van de staaroperaties ligt binnen de daarvoor gehanteerde maatstaven. Niet kan worden gesteld dat de arts niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld.

Cliënt heeft gesteld dat de oogarts hem een garantie heeft gegeven dat hij na de operaties geen bril meer nodig zou hebben. De commissie acht dit niet waarschijnlijk. Zij verwijst hiervoor naar het door de cliënt ondertekende informed consent waarin is gewezen op de risico’s tijdens en na de operatie en de gevolgen voor de brilsterkte. 

Naar het oordeel van de commissie blijkt voorts uit het medisch dossier dat de oogarts heeft besproken met cliënt dat hij na de ingreep waarschijnlijk een leesbril nodig zou hebben van +1,5. Dit blijkt tevens uit de e-mail van cliënt aan de oogarts van 11 juni 2018, waarin hij aangeeft op 

16 januari 2018 een voorbespreking te hebben gevoerd met de oogarts en dat is besloten tot het plaatsen van comfort toric implantlenzen. Zoals de cliënt zelf aangeeft in deze e-mail zouden de resultaten hiervan, onder voorbehoud, optimaal zicht opleveren op alle afstanden. Ook hieruit blijkt dat de oogarts wel degelijk cliënt heeft gewezen op de mogelijkheid dat toch een bril noodzakelijk zou blijken.

 Voorts heeft cliënt gesteld dat in zijn rechteroog geen comfort toric lens zou zijn geplaatst en dat naar alle waarschijnlijkheid voor de operatie verkeerde metingen zijn uitgevoerd. Hij verwijst hiervoor naar de second opinion in het oogziekenhuis Rotterdam en de metingen die naderhand door een opticien zijn verricht. Het ziekenhuis heeft aangegeven dat op de factuur abusievelijk niet is vermeld dat een comfort toric lens is geplaatst. Gezien de stickers van de geplaatste lenzen die zich in het medisch dossier bevinden moet het, naar het oordeel van de commissie, ervoor worden gehouden dat in beide ogen dezelfde comfort toric lenzen zijn geplaatst. Dat de opticien andere metingen heeft verricht kan worden verklaard door het feit dat bij multifocale comfort toric lenzen geen standaard oogmetingen door een opticien kunnen worden verricht vanwege de scheiding tussen veraf en dichtbij in de lens. Uit het advies van het oogziekenhuis blijkt niet dat er verkeerde lenzen zijn geplaatst. De cliënt heeft het advies van het oogziekenhuis kennelijk niet juist gelezen. Hij heeft de vraagstelling van het ziekenhuis aan het oogziekenhuis aangehaald en ten onrechte aangenomen dat dit de bevindingen van het oogziekenhuis waren. 

Conclusie.

De commissie is van oordeel dat de staaroperaties lege artis zijn uitgevoerd en de betrokken oogarts geen onzorgvuldig handelen kan worden verweten. Van een toerekenbare tekortkoming ter zake van de informatieverstrekking in zijn geheel door het ziekenhuis is, zoals hiervoor is overwogen, is evenmin sprake, zodat aan cliënt geen aanspraak op schadevergoeding toekomt. De door hem verlangde materiële en immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande dient als volgt te worden beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van cliënt ongegrond en wijst zijn vorderingen af.

Aldus beslist op 15 augustus 2019 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, de heer dr. H.M.A. Brink en de heer ir. H.J.A.M. Bodelier, leden, waarbij mevrouw mr. W. Hartong van Ark als plaatsvervangend secretaris fungeerde.