Psychologische begeleiding bij de ziekte MS. Er is niet gebleken dat de zorgaanbieder niet die zorg heeft geboden die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben geboden

  • Home >>
  • Zorg Algemeen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 118184

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Stichting Medisch Psychiatrisch Centrum PsyToBe, gevestigd te Rotterdam (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 27 november 2018 te Den Haag. Cliënte heeft ter zitting haar standpunt nader toegelicht. Zij werd vergezeld van [naam]. De zorgaanbieder was met bericht van verhindering niet aanwezig.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de zorgverlening.

Standpunt van de cliënte

Het standpunt van de cliënte, zoals vermeld in het vragenformulier met bijlagen, dat de commissie op 14 juni 2018 heeft ontvangen, waarnaar de commissie kortheidshalve verwijst, luidt in hoofdzaak als volgt.

De klachten van cliënte gaan over de beslissingen en handelen van de zorgaanbieder. Zij heeft een aantal vragen/klachten waarop zij absoluut een antwoord wil hebben.
De klachten zijn:
1. [Naam medewerker Raad van Bestuur] heeft haar als patiënt aangenomen terwijl zorgaanbieder, waarvan [naam medewerker Raad van Bestuur] de functie heeft als [naam functie] van de Raad van Bestuur, niet beschikt over de juiste expertise om haar probleem, seksueel trauma in combinatie met het plotseling overlijden van haar moeder, te behandelen;
2. Er was geen behandelplan met een plan van aanpak met behandeltijd opgesteld en er zijn geen evaluaties geweest van de gemaakte vorderingen;
3. Waarom wil [naam medewerker Raad van Bestuur] niet horen dat cliënte niet tevreden was over [naam psycholoog] als haar behandelende psycholoog;
4. [Naam medewerker Raad van Bestuur] geloofde niet dat de privacy van cliënte veelvuldig is geschonden als gevolg van het delen van haar medisch dossier met andere zorgaanbieders;
5. In het neuropsychologisch onderzoek (verder te noemen: NPO) zijn medische gegevens van cliënte onjuist weergegeven.

Cliënte verzoekt de commissie te bewerkstelligen dat haar vragen worden beantwoord. Voorst wil zij van [naam medewerker Raad van Bestuur] een totale rehabilitatie dat zij nimmer een psychiatrisch patiënt is geweest, dat de behandeling op aannames is gebaseerd en dat bij haar behandeling [naam medewerker Raad van Bestuur] heeft gefaald en daarvoor zijn verantwoording dient te nemen. Alle oud patiënten moeten schriftelijk op de hoogte worden gesteld van de schending van hun privacy tot 2014 met de mogelijkheid tot het stellen van vragen en indienen van klachten zowel bij de zorgaanbieder als bij de instellingen waar de zorgaanbieder de privacy heeft geschonden. Cliënte is zeer teleurgesteld dat [naam medewerker Raad van Bestuur] het mediation traject met haar advocaat heeft geweigerd. Zij verwacht excuses van [naam medewerker Raad van Bestuur] dat hij zich niet verantwoordelijk voelt haar vragen te beantwoorden en de aanleiding recht te zetten. [Naam medewerker Raad van Bestuur] dient de onderzoeker over de fraude met betrekking tot cliënte ’s medische gegevens in het NPO onderzoek aan te spreken en gekeken moet worden of de onderzoeken en gemeten resultaten en diagnoses bij alle patiënten wel via de juiste, onafhankelijke wijze gevonden zijn. Cliënte vordert al haar reiskosten die zij gedurende de behandeling heeft moeten maken van de zorgaanbieder terug, zijnde een bedrag van € 500,– en tevens wil zij smartengeld vanwege de geleden psychische schade als ook een brief dat zij nimmer psychiatrisch patiënt is geweest.

Ter zitting heeft cliënte haar standpunt nader toegelicht. Het MS-team van het Rijndam Revalidatiecentrum verwijst standaard, als vervolg op de behandeling, MS-patiënten door naar de zorgaanbieder. Vanaf het begin is het fout gegaan. Cliënte had helemaal geen vragen over de behandeling van haar geestelijke gezondheid maar had als gevolg van een zware operatie aan haar enkel ‘slechts’ een revalidatietraject nodig om te leren lopen. Door de zware pijnstillers die zij op dat moment slikte dacht zij dat zij door de ziekte MS cognitief zo achteruit was gegaan dat zij om die reden naar een psychiatrisch centrum moest.
Tegen [naam medewerker Raad van Bestuur] heeft cliënte haar jeugdtrauma’s verteld. Hij begreep haar goed en heeft haar aangeraden een biografie te schrijven. Onder toezicht van [naam medewerker Raad van Bestuur] is cliënte ruim 3 jaar lang blootgesteld aan geestelijke mishandeling door met psychologische vernietiging te trachten haar emotionele kracht volledig te breken. Zij heeft ongeveer 100 sessies bij de zorgaanbieder gehad, waarvan ongeveer 10 tot 15 keer bij [naam medewerker Raad van Bestuur]. In het medisch dossier van het Rijndamrevalidatiecentrum staat informatie die door de zorgaanbieder is verstrekt, die echter niet klopt. Thans is cliënte vanwege haar ziekte onder behandeling bij de afdeling neurologie van het Erasmus MC. Zij is daar tevreden.
Cliënte heeft haar klacht bij het tuchtcollege ingetrokken. Zij was alleen naar de bespreking gegaan en is daar volledig geblokkeerd en in de war geraakt.

Standpunt van de zorgaanbieder

De zorgaanbieder heeft de commissie in zijn brief van 2 oktober 2018 verzocht de klachten van cliënte niet ontvankelijk te verklaren, daar deze reeds onderwerp zijn geweest in de tuchtprocedure die cliënte tegen de zorgaanbieder heeft aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft de zorgaanbieder uitvoerig op alle klachten gereageerd.

Beoordeling van het geschil

De commissie overweegt op grond van de door partijen overgelegde stukken het volgende.

Ontvankelijkheid
De commissie dient allereerst een beslissing te geven over de ontvankelijkheid van de klachten van cliënte.
Artikel 5 onder b van het Reglement van de Geschillencommissie Zorg Algemeen luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “De commissie verklaart de cliënt in zijn geschil ambtshalve niet ontvankelijk
indien het een geschil betreft waarover de cliënt (…) reeds bij de rechter een procedure aanhangig
heeft gemaakt of waarin de rechter reeds een uitspraak over de inhoud heeft gedaan
”.

De commissie stelt weliswaar vast dat onderhavige klachten sterk samenhangen met de eerder
aanhangig gemaakte en vervolgens weer door cliënte ingetrokken procedure tegen [naam medewerker Raad van Bestuur] bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar dat het binnen het tuchtrecht draait het om  de persoonlijke tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de in het BIG geregistreerde beroepsbeoefenaar en de commissie stelt vast dat de onderhavige klachten – kort gezegd – met name betrekking hebben op de behandeling door de behandelaars van de zorgaanbieder waarbij cliënt haar pijlen richt op de zorgaanbieder, niet zijnde een BIG-geregistreerde. Het betreft inhoudelijk dus een ander geschil tegen ook een andere zorgaanbieder. Daarbij overweegt de commissie dat gesteld noch gebleken is dat cliënt bij de civiele rechter reeds een geschil aanhangig heeft gemaakt tegen de zorgaanbieder. De commissie verklaart de cliënte in haar klachten ontvankelijk.

Klachten inhoudelijk
De commissie heeft tot taak geschillen tussen cliënte en de zorgaanbieder te beslechten voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van een gesloten behandelings
overeen¬komst tussen cliënte en de zorgaanbieder.
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De commissie kan uitsluitend een oordeel geven over de klachten van cliënte voor zover deze zijn gericht op haar eigen behandeling. De commissie verklaart de cliënte niet-ontvankelijk in haar klacht, voor zover deze is gericht op behandeling van- en inzage in dossiers van cliënten van de zorgaanbieder in het algemeen.

Cliënte heeft de volgende klachten aan de commissie voorgelegd:
Klacht 1. [Naam medewerker Raad van Bestuur] heeft haar in zijn hoedanigheid van [naam functie] van de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder als patiënt aangenomen terwijl deze zorgaanbieder niet beschikt over de juiste expertise om haar probleem, seksueel trauma in combinatie met het plotseling overlijden van haar moeder, te behandelen;
Klacht 2. Er was geen behandelplan met een plan van aanpak met behandeltijd opgesteld en er zijn geen evaluaties geweest van de gemaakte vorderingen.

De commissie heeft uit de overgelegde stukken vastgesteld dat cliënte door de revalidatiearts van het Rijndam Revalidatiecentrum omstreeks 13 december 2011 is verwezen naar de zorgaanbieder in verband met moeheid, depressie en lichte geheugen problemen voor visuele informatie als gevolg van haar ziekte MS. In verband met de hoge lijdensdruk en stress die cliënte ondervond op dat moment, achtte de verwijzend arts ondersteunende psychologische begeleiding wenselijk.
Uit de stukken is voor de commissie genoegzaam komen vast te staan dat cliënte op dat moment open stond voor psychologische begeleiding.
Uit het intakeformulier dat de zorgaanbieder na het eerste gesprek met cliënte heeft opgesteld blijkt dat de zorgaanbieder een aantal diagnoses heeft vastgesteld en daarop een beleid heeft uitgezet.
De commissie kan niet tot het oordeel komen dat de behandelaars niet zouden beschikken over de juiste expertise en dat er geen sprake is geweest van een beleidsplan. In zoverre acht de commissie deze klachtonderdelen niet gegrond.

Klacht 3. Waarom wil [naam medewerker Raad van Bestuur] niet horen dat cliënte niet tevreden was over [naam psycholoog] als haar behandelende psycholoog.

De commissie heeft vastgesteld dat cliënte een zeer groot aantal gesprekken heeft gevoerd met haar behandelaar [naam psycholoog]. Ondanks haar ontevredenheid over deze gesprekken, is cliënte deze gesprekken blijven voeren. Dit heeft kennelijk aanleiding gegeven voor [naam medewerker Raad van Bestuur] om niet tot actie over te gaan, hetgeen de commissie kan billijken. De commissie verklaart ook dit klachtonderdeel niet gegrond.

Klacht 4. [Naam medewerker Raad van Bestuur] geloofde niet dat de privacy van cliënte veelvuldig is geschonden als gevolg van het delen van haar medisch dossier met andere zorgaanbieders.

De commissie overweegt dat het gebruikelijk is binnen de psychiatrie om collegiale gesprekken te voeren over patiënten, in het belang van de behandeling van een patiënt, waarbij niet ontkomen wordt aan het benoemen van medische gegevens. In zijn algemeenheid kan niet worden gesteld dat door het collegiaal bespreken van een behandeling van een patiënt zoals in het onderhavige geval, het beroepsgeheim wordt geschonden.
In casu is de commissie niet gebleken dat de zorgaanbieder geen dan wel onvoldoende toezicht heeft gehouden op haar medische gegevens waardoor misbruik plaatsgevonden zou kunnen hebben.
De cliënte heeft weliswaar gesteld dat er vanwege informatie van de zorgaanbieder onjuiste gegevens in het medisch dossier van Rijndam Revalidatiecentrum zijn beland, maar de commissie heeft dit niet kunnen vaststellen.  De commissie acht deze klacht niet gegrond.

Klacht 5. In het neuropsychologisch onderzoek (NPO) zijn medische gegevens van cliënte onjuist weergegeven.

Uit de overgelegde stukken heeft de commissie kunnen afleiden dat door de zorgaanbieder geen diagnose is gesteld na het NPO. Wel is objectief op basis van de neuropsychologische testen in kaart gebracht in welke functiedomeinen sprake was van schade (op stoornisniveau) en wat de sterke punten van cliënte destijds waren. De commissie benadrukt hierbij dat het om een momentopname ging en uitgevoerd is eind 2013. Op grond hiervan (momentopname en tijdsverloop) kan de commissie de vermeende onjuistheid van het NPO en de neuropsychologische testen niet vaststellen. De commissie verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
De commissie begrijpt de situatie en de psychologische worsteling die cliënte mede als gevolg van haar ziekte MS heeft doorgemaakt. Zij ziet echter geen aanleiding haar klachten gegrond te verklaren. Niet is gebleken dat de zorgaanbieder niet die zorg heeft geboden die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben geboden.

Voor aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.
Van een toerekenbare tekortkoming is hier echter geen sprake. De commissie wijst het verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding af.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

I. verklaart cliënte ontvankelijk in haar klachten;

II. verklaart de klachten ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af;

III. wijst het meer of anders door partijen verlangde af.

Aldus beslist op 27 november 2018 door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit
de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.W. Stenvers en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, waarbij mevrouw mr. W. Hartong van Ark als plaatsvervangend secretaris fungeerde.