Psychiater en zorgaanbieder hebben niet zorgvuldig gehandeld bij begeleiding klaagster

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 23620/31107

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klaagster klaagt over het niet gehoord voelen door de psychiater van de zorgaanbieder, waardoor er onwaarheden in haar dossier stonden, en over het voorschrijven van gedwongen medicatie waardoor zij een depressie heeft gekregen. Volgens de zorgaanbieder heeft de psychiater geprobeerd de klaagster meer medicijnen te laten gebruiken om zo een dreigende huisuitzetting te voorkomen, maar dit wilde zij niet. Daarnaast ging de psychiater ervan uit dat de medicatiedosis te laag was. Omdat de klaagster niet vrijwillig haar medicatie wilde innemen is gedwongen medicatie toegediend. De commissie oordeelt dat er voor het klachtonderdeel over de dwangmedicatie een andere procedure gevolgd had moeten worden. Voor dit onderdeel is de klacht niet-ontvankelijk. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Volgens de commissie is het niet aannemelijk geworden dat de psychiater onvoldoende naar de klaagster geluisterd heeft. De psychiater en de zorgaanbieder zijn bij de behandeling van de klaagster zorgvuldig te werk gegaan. De zorgplicht is naar behoren nagekomen.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Naam klaagster], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Pro Persona Holding, gevestigd te Renkum (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het bureau van de commissie heeft op 27 oktober 2020 aan beide partijen bericht dat de behandeling van het geschil zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan. De commissie heeft die bevoegdheid ook conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van beide partijen te kennen gegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 27 oktober 2020 geïnformeerd dat de commissie binnen vier tot zes weken na 13 november 2020 schriftelijk zal beslissen over het geschil.

Onderwerp van het geschil
Klaagster heeft de klacht op 22 november 2018 voorgelegd aan de zorgaanbieder. Op 3 en 6 december 2018 en op 15 januari en 25 april 2019 zijn er gesprekken gevoerd met klaagster. De onafhankelijk klachtenfunctionaris en de patiënten vertrouwenspersoon zijn betrokken geweest bij de klachtenprocedure. Op 25 april 2019 heeft er een gesprek van klaagster, in aanwezigheid van een vriendin en patiënten vertrouwenspersoon [naam], met psychiater [naam] en [naam] (zorgmanager Nijmegen en onafhankelijk gespreksleider) plaatsgevonden. In een brief van 9 mei 2019 heeft de zorgaanbieder schriftelijke gereageerd naar klaagster. Conclusie van de reactie was dat de klacht van 22 november 2018 was afgesloten.

Het geschil betreft het zich niet gehoord voelen van klaagster door psychiater [naam] (hoofd- en regiebehandelaar van klaagster) van de zorgaanbieder vanaf het begin van de behandeling in augustus 2017 tot en met eind 2018 en het voorschrijven van gedwongen medicatie, waardoor klaagster een depressie heeft gekregen, die haar bijna het leven heeft gekost.

Klaagster vordert schadevergoeding van € 1.000,– tot € 5.000,– voor emotionele schade. Als oplossing voor de klacht stelt klaagster voorts voor om psychiater [naam] een opleiding luistervaardigheden te laten volgen.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Psychiater [naam]:
– luisterde slecht naar klaagster en wantrouwde klaagster, waardoor hij er vanaf het eerste gesprek ten onrechte vanuit is gegaan dat klaagster haar medicatie niet innam en waardoor er onwaarheden in het dossier van klaagster zijn komen te staan;
– schreef gedurende 10 maanden gedwongen medicatie voor, Acemap, waardoor klaagster een depressie heeft gekregen, die haar bijna het leven heeft gekost.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klaagster is in augustus 2017 via de huisarts aangemeld bij de zorgaanbieder en is uiteindelijk in verband met een psychotisch toestandsbeeld opgenomen bij de zorgaanbieder. Psychiater [naam] heeft geprobeerd om klaagster in een ambulante setting meer haloperidol te laten gebruiken om een dreigende uithuiszetting in verband met overlast, te voorkomen. Klaagster wilde dit echter niet en klaagster wenste ook niet te worden opgenomen. Psychiater [naam] ging er niet vanuit dat klaagster haar medicatie niet innam, maar dat de dosis te laag was. In juli 2018 is een voorlopige machtiging afgegeven door de rechtbank en aangezien klaagster niet vrijwillig meer medicatie wilde gebruiken, is gedwongen een depot haloperidol toegediend. Op verzoek van klaagster is dit later gewijzigd in Acemap. Voordat er een machtiging is aangevraagd, hebben er volgens de zorgaanbieder diverse gesprekken met klaagster plaatsgevonden om haar te motiveren voor behandeling, maar heeft klaagster ieder voorstel afgewezen

De zorgaanbieder verzoekt de commissie zich onbevoegd te verklaren wat betreft de klacht over dwangmedicatie, nu deze klacht (in 2019) tot de bevoegdheid van de BOPZ-klachtencommissie behoorde.
Ten aanzien van het verzoek om toekenning van schadevergoeding is de zorgaanbieder van mening dat die onder andere in verband met het ontbreken van causaal verband moet worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klaagster en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met klaagster.

De commissie zal de klacht in drie onderdelen behandelen:
– psychiater [naam] heeft door slecht te luisteren naar klaagster ten onrechte geconcludeerd dat klaagster haar medicatie niet innam (klachtonderdeel A);
– psychiater [naam] heeft gedurende de gehele behandelperiode slecht naar klaagster geluisterd, waardoor er onder andere onwaarheden in het dossier van klaagster zijn vermeld (klachtonderdeel B);
– psychiater [naam] heeft gedwongen medicatie voorgeschreven waardoor klaagster een depressie kreeg (klachtonderdeel C).

Ten aanzien van klachtonderdeel A overweegt de commissie dat niet aannemelijk is geworden dat psychiater [naam] heeft aangenomen dat klaagster haar medicatie niet innam. Psychiater [naam] heeft slechts geconstateerd dat de hoeveelheid medicatie die klaagster innam onvoldoende was om de psychotische klachten te laten afnemen. De commissie acht aannemelijk geworden dat psychiater [naam] op verschillende momenten heeft geprobeerd om aan klaagster uit te leggen dat zij onvoldoende medicatie tot zich nam om de psychotische klachten te doen verminderen, maar dat dit, in verband met het psychotisch klachtenbeeld, niet tot klaagster is doorgedrongen. De commissie acht in dit kader de zorgplicht door de zorgaanbieder naar behoren nagekomen. De commissie is van oordeel dat klachtonderdeel A ongegrond is.

De commissie is voorts van oordeel dat ook niet aannemelijk is geworden dat psychiater [naam] in het verdere verloop van de behandeling onvoldoende naar klaagster heeft geluisterd. De commissie is van oordeel dat psychiater [naam] en de zorgaanbieder bij de behandeling van klaagster zorgvuldig te werk zijn gegaan door te proberen klaagster te horen, maar klaagster ook op de voor haar meest doeltreffende manier te behandelen. De commissie concludeert dat de zorgaanbieder de op de behandeling van toepassing zijnde protocollen en regelgeving in acht heeft genomen. De commissie is van oordeel dat klachtonderdeel B ongegrond is.

Wat betreft klachtonderdeel C overweegt de commissie dat hiervoor de BOPZ-klachtenprocedure had moeten worden gevolgd. De commissie zal klaagster niet-ontvankelijk verklaren in dit klachtonderdeel.

Vordering tot schadevergoeding

Klaagster heeft de commissie verzocht de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade.

Voor een aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de schuldenaar – de zorgaanbieder – in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst. Nu de commissie geen tekortkomingen in de nakoming van de behandelovereenkomst heeft vastgesteld, kan er niet van tekortschieten dat heeft geleid tot schade worden gesproken. De vordering tot vergoeding van schade zal dan ook worden afgewezen

Op grond van voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klachtonderdelen A en B ongegrond zijn, dat klaagster niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel C en dat de vordering moet worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart klachtonderdeel A en B ongegrond;
– verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel C;
– wijst de vordering af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, drs. T. Knap (psychiater), mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koppelman, secretaris, op 13 november 2020.