Pijnklachten na hartkatheterisatie: het staat niet vast dat tijdens de ingreep een zenuw is geraakt. Er is sprake van niet-gebruikelijke klachten waarvoor de zorgaanbieder ook geen diagnose heeft kunnen vaststellen

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Complicatie    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 111568

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [plaats] en Stichting Nijmeegs Interconfessioneel Ziekenhuis Canisius Wilhelmina, gevestigd te Nijmegen.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 6 november 2017 te Arnhem. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De cliënt werd vergezeld van haar echtgenoot. Namens de zorgaanbieder waren aanwezig [naam], hoofd afdeling B24 en [naam], jurist.
Ter zitting heeft het ziekenhuis een pleitnota overgelegd die zich onder de stukken bevindt.
Onderwerp van het geschil

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting staat tussen partijen als erkend, dan wel als niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

De cliënt heeft op 17 februari 2016 in het ziekenhuis een geplande hartkatheterisatie ondergaan waarna pijnklachten aan haar rechterbeen zijn ontstaan. Tijdens haar opnamen tot en met 10 maart 2016 zijn meerdere onderzoeken verricht waarbij geen oorzaak van haar pijnklachten werd gevonden. Bij de zoektocht naar de oorzaak en de behandeling van de klachten zijn een cardioloog, neuroloog, vaatchirurg, uroloog, revalidatiearts en het pijnteam betrokken geweest.

Standpunt van de cliënt

Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.
De cliënt is niet geïnformeerd over de ernstige complicaties die door een hartkatheterisatie kunnen ontstaan. Het ziekenhuis had de cliënt binnen 48 uur na de hartkatheterisatie moeten waarschuwen dat er een complicatie was opgetreden en beleid moeten uitzetten. Daarnaast had het ziekenhuis aan het verzoek van de cliënt om haar eigen cardioloog te willen spreken gehoor moeten geven.
De cliënt is niet geïnformeerd over het feit dat er protocollair een coördinerend behandelaar voor de cliënt beschikbaar was en aan haar duidelijk moeten maken dat deze de regie in handen heeft en als haar aanspreekpunt gold.
De cliënt heeft slechts onaangekondigde consulten met voor haar onbekende artsen gehad, terwijl volgens haar een duidelijk beleid had moeten worden ingesteld in de handen van een ervaren revalidatiearts.
Zij heeft wekenlang op een short stay afdeling gelegen en heeft in die periode vernederende opmerkingen van sommige verpleegkundigen moeten ondergaan omdat men dacht dat de cliënt zich aanstelde. Het ziekenhuis had de cliënt niet op de laatste kamer achterin de gang moeten laten liggen waar de verpleging weinig zicht op had en de cliënt zich letterlijk weggezet voelde. Ook hadden duidelijke afspraken moeten worden gemaakt ten aanzien van de katheter zodat deze niet telkens opnieuw verwijderd en ingebracht diende te worden om het “gewoon te proberen”. Het is een pijnlijke en vernederende gang van zaken geweest die infectie gevaarlijk is en de cliënt ook een infectie heeft opgeleverd en een geïrriteerde, pijnlijke schaamstreek.
Ook is zonder uitleg en overleg een psychiatrisch verpleegkundige bij de cliënt geweest om te testen of het niet tussen de oren zat. De cliënt voelde zich zwaar beledigd en de verpleging werd hierdoor nog meer in hun beeld bevestigd dat het probleem door de cliënt zelf werd veroorzaakt.
De belofte van het ziekenhuis dat de cliënt naar een revalidatiecentrum zou gaan is zonder overleg niet nagekomen. Ook de beloofde hulp thuis is er niet gekomen. Het ziekenhuis heeft de cliënt naar huis gestuurd zonder enig perspectief, er was nog steeds niet vastgesteld wat de oorzaak was. Er was afgesproken dat de thuiszorg, huisarts, rollator en andere zaken geregeld zouden zijn, maar bij thuiskomst bleek zowel de huisarts als thuiszorg helemaal niets van de cliënt af te weten. Er was niets geregeld.
Tijdens een latere opname via de eerste hulp kreeg de cliënt te horen dat ze eerst maar eens 25 kilo moest afvallen om van haar longklachten af te komen. En dat terwijl de cliënt al vanaf haar jeugd longklachten heeft en zij 25 kilo is aangekomen door de complicaties en het niet meer kunnen lopen. Een en ander had in het medisch dossier van de cliënt moeten staan.

De cliënt heeft van het ziekenhuis geen erkenning gehad dat het ziekenhuis na de complicatie op een ongecontroleerde, onprofessionele manier met de cliënt is omgesprongen en dat het totaal ontbreken van een duidelijke regie en beleid het herstel van de cliënt niet heeft bevorderd en zij zowel fysiek als emotioneel onnodige schade heeft opgelopen.

De cliënt verlangt een vergoeding van € 25.000,–. Zij is lopend het ziekenhuis ingegaan en zit nu permanent in een rolstoel. De cliënt is urine incontinent, draagt permanent een blaaskatheter en is inmiddels 25 kilo aangekomen. De cliënt heeft hierdoor vijf keer haar kleding moeten vervangen en betaalt een eigen bijdrage voor haar scoormobiel en andere medische zaken zoals zalfjes en voeding. Ook heeft de cliënt een verstelbaar bed moeten aanschaffen. Haar echtgenoot is een maand lang 2x per dag naar het ziekenhuis gereden. De woning van de cliënt is aangepast. De cliënt werkte fulltime en zit nu in een afkeuringsprocedure. In de nabije toekomst verliest zij een groot deel van haar inkomen. De cliënt moet overal een taxi voor huren en is net een maand lang dagelijks naar een revalidatiekliniek geweest.
 
Ter zitting heeft de cliënt aangegeven dat zij het schandalig vindt hoe er met haar is omgegaan. Het ziekenhuis is ernstig tekort geschoten. Pas na anderhalve week werd duidelijk dat er bij de hartkatheterisatie een zenuw was geraakt. Dat dit eerst is verzwegen neemt de cliënt het ziekenhuis erg kwalijk.

Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van het ziekenhuis luidt in hoofdzaak als volgt.

In de kern verwijt de cliënt het ziekenhuis in haar klachtbrief aan de klachtencommissie dat de verleende medische en verpleegkundige zorg in de periode na de hartkatheterisatie onvoldoende is geweest. De klachtencommissie heeft beide klachtonderdelen – op een deelaspect na – ongegrond verklaard. Het gegrond verklaarde deelaspect betreft het informeren van [eigen cardioloog]. De klachtencommissie is van mening dat [eigen cardioloog] tijdens de opname van de cliënt geïnformeerd had moeten worden over de moeilijkheden bij haar. Ze heeft aan haar uitspraak een tweetal aanbevelingen verbonden.

In verband met aanhoudende klachten van pijn op de borst en een positieve SPECT-scan heeft de cliënt een hartkatheterisatie ondergaan op woensdag 17 februari 2016. Het onderzoek verliep zonder complicaties. De conclusie was dat er sprake was van een mild coronairlijden waarvoor een expectatief medicamenteus beleid werd afgesproken.
De cliënt gaf na het onderzoek forse pijnklachten aan in haar rechterbeen en buik. Zij is vervolgens door de afdelingsarts onderzocht en er is pijnmedicatie voorgeschreven en er is een CT-scan van de buik en het rechterbeen gemaakt. Er bleken geen aanwijzingen voor een bloeding en de vaten waren toegankelijk. Er was een fors gevulde blaas te zien en de cliënt is dan ook gekatheteriseerd en bleek 600 ml residu in haar blaas te hebben.
De cliënt heeft pijnklachten gehouden en op 18 februari 2016 zijn de neuroloog en de vaatchirurg in consult gevraagd. De neuroloog heeft de cliënt uitgebreid onderzocht en kwam tot de conclusie dat er geen sprake was van een neurogene oorzaak. De vaatchirurg heeft de cliënt eveneens uitgebreid onderzocht en heeft daarbij onder meer een echo doppler verricht waarbij een goed signaal werd gevonden. Er werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een vasculair probleem. Op 19 februari 2016 heeft de cliënt aangegeven dat de pijn onveranderd in haar rechterbeen aanwezig bleef en de pijnstilling geen effect had. Het pijnteam werd in consult gevraagd. Er werd oxynorm en lyrica voorgeschreven evenals mobiliseren en fysiotherapie. Er werd overlegd met de uroloog in verband met de blaasretentieproblemen. Er werd afgesproken dat de blaaskatheter verwijderd kon worden als mobiliseren goed zou gaan. Verder is op advies van de vaatchirurg een MRI gemaakt en de conclusie luidde dat er geen aanwijzingen waren voor macrovasculair letsel.
Er werd aldus geen verklaring gevonden voor de pijnklachten en in de differentiaaldiagnose werd CRPS (complex regionaal pijnsyndroom) opgenomen. De maximale pijnmedicatie werd geadviseerd en voorgeschreven. In de periode daarna bleek er nog steeds sprake van veel pijn en bleek eveneens dat de urinekatheter gehandhaafd diende te worden. Op 29 februari 2016 bleek dat er sprake was van een urineweginfectie waarvoor de cliënt antibiotica heeft gekregen. Vanaf 1 maart 2016 is ook de revalidatiearts betrokken bij de behandeling. De cliënt is op 7 maart 2016 voor het weekend met proefverlof naar huis gegaan en op 10 maart 2016 met definitief ontslag. Er werd vanuit de afdeling cardiologie op 14 maart 2016 een brief aan de huisarts gezonden. Op 15 april 2016 is de cliënt bij de revalidatiearts voor controle gewest. De revalidatiearts kwam tot de conclusie dat opnieuw een neurologische evaluatie diende plaats te vinden. Gelet op de hevige pijnklachten en onduidelijke diagnose werden er op dat moment geen revalidatiemogelijkheden gezien. De cliënt is hierna opnieuw door de neuroloog gezien op 25 mei 2016. Er bleken geen aanwijzingen voor een causasyndroom. De neuroloog stelde een expectatief beleid voor en adviseerde een revalidatietraject in te gaan.

De cliënt geeft in het vragenformulier niet duidelijk aan op welke punten zij het niet eens is met het oordeel van de klachtencommissie. Ook is niet eerder een verzoek tot schadevergoeding bij het ziekenhuis ingediend. Het ziekenhuis heeft hierover ook niet eerder een standpunt kunnen innemen. De cliënt dient volgens het ziekenhuis dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het ziekenhuis is wat betreft de medische zorg met de klachtencommissie van mening dat de behandelend artsen al het mogelijke hebben gedaan om met behulp van andere behandelaren en disciplines tot een sluitende verklaring van het klachtenbeeld te komen en zich hebben beijverd de cliënt zo goed mogelijk te ondersteunen. Tevens onderschrijven zij de conclusie van de klachtenkommissie dat er sprake is geweest van een zeer zeldzaam en onverklaarbaar beloop dat niet was te voorzien en waarop zo goed mogelijk is gereageerd door de behandelaars.
Er is naar de mening van het ziekenhuis gehandeld volgens de professionele standaard.
Het ziekenhuis werkt sinds enige tijd met een coördinerend behandelaar. Deze specialist heeft tijdens de opname de regie en is verantwoordelijk voor de medische zorg en is het aanspreekpunt voor de patiënt en de familie. Het ziekenhuis is van mening dat de verantwoordelijk coördinerend behandelaar/zaalarts tijdens de opname van de cliënt tegemoet had moeten komen aan het verzoek [eigen cardioloog] te informeren en hem te vragen bij haar langs te komen. Niet duidelijk is wanneer en aan wie de cliënt het verzoek heeft gericht en wat de reden is geweest waarom [eigen cardioloog] niet is geïnformeerd. Er zijn over de gestelde verzoeken geen aantekeningen te vinden in het medisch en verpleegkundig dossier. Zijn komst zou echter geen invloed hebben gehad op de medische zorg.

Wat betreft de klachten ten aanzien van de verpleegkundige zorg en met name de bejegening verwijst het ziekenhuis naar de reactie van [hoofd afdeling B24]. Zij herkent de klachten van de cliënt over de verpleegkundigen niet en heeft naar aanleiding van de klacht met een aantal verpleegkundigen gesproken. Zij gaven aan juist erg veel tijd aan haar te hebben besteed. De kritiek op de verpleegkundige [naam] deelt ze absoluut niet. Haar conclusie is dat zij het vervelend vindt dat de cliënt nog steeds klachten heeft maar dat de afdeling er alles aan heeft gedaan om de cliënt optimale zorg te verlenen. Daarbij zijn haar klachten steeds serieus genomen en waar nodig zijn andere disciplines ingeschakeld. De consultatief verpleegkundige psychiatrie wordt laagdrempelig ingeschakeld ter ondersteuning van de patiënt en het verpleegkundig team.
Met de klachtencommissie is het ziekenhuis van mening dat het erop lijkt dat steeds zo goed mogelijk en naar beste kunnen op de behoeften van de cliënt is ingespeeld. Het ziekenhuis is van mening dat de verpleegkundige zorg heeft voldaan aan de professionele standaard. De klachten van de cliënt zijn op geen enkele manier te herleiden tot het verpleegkundig dossier dan wel af te leiden uit gesprekken met betrokken verpleegkundigen.

Het ziekenhuis is van mening dat de klachten ongegrond zijn en dat de gevorderde schadevergoeding dient te worden afgewezen. Voor een schadevergoeding is onvoldoende gesteld of gebleken.

Beoordeling van het geschil

Voordat de commissie over kan gaan tot beoordeling van de klachten van de cliënt zal eerst worden beslist op het beroep van het ziekenhuis op de niet-ontvankelijkheid van de cliënt.

Uit het feit dat klachtencommissie de klachten van de cliënt grotendeels heeft verworpen en het feit dat de cliënt haar klachten thans bij de commissie heeft neergelegd blijkt reeds dat de cliënt zich niet kan vinden in het oordeel van de klachtencommissie. Het is een misvatting van het ziekenhuis om de klachtenbehandeling bij de klachtencommissie van het ziekenhuis onlosmakelijk te verbinden met de commissie. De klachtencommissie van het ziekenhuis is alleen het voortraject om de klachten bij de commissie neer te kunnen leggen. Zou de cliënt haar klachten niet eerst bij de klachtencommissie van het ziekenhuis hebben neergelegd dan zou zij in haar klachten bij de commissie niet-ontvankelijk zijn verklaard. Uit de stukken blijkt – hetgeen ook niet door het ziekenhuis wordt betwist – dat de cliënt haar klachten eerst bij de klachtencommissie van het ziekenhuis heeft neergelegd. Er hoeven geen grieven te worden gericht tegen datgene wat de klachtencommissie van het ziekenhuis heeft beslist. Dat de cliënt de schadeclaim eerst bij het ziekenhuis had moeten neerleggen is geen vereist ingevolge het Reglement van de Geschillencommissie Ziekenhuizen. De cliënt is dan ook ontvankelijk in haar klachten.
Derhalve kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de klachten.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis, danwel de behandelend arts, tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van onzorgvuldig handelen en/of nalaten is een vereiste voor de aansprakelijkheid van het ziekenhuis. Van onzorgvuldigheid wordt gesproken indien niet volgens de regels der medische kunst is gehandeld, en er een fout is gemaakt die een redelijk bekwaam en een redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden niet zou hebben gemaakt. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

De commissie is van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat de hartkatheterisatie niet lege artis is uitgevoerd. Niet is komen vast te staan dat tijdens de ingreep een zenuw is geraakt zoals door de cliënt is gesteld. Samenhangend met de ingreep zijn de door de cliënt en het ziekenhuis omschreven (niet gebruikelijke) complicaties ontstaan. Wat er precies is gebeurd kan de commissie niet nagaan. Wel is duidelijk dat de cliënt na de ingreep diverse klachten heeft ontwikkeld. Er is veel inspanning verricht om een diagnose te krijgen, maar een diagnose heeft het ziekenhuis uiteindelijk niet kunnen stellen. De klacht op dit punt is ongegrond.

Ten aanzien van de bejegening door de verpleegkundigen overweegt de commissie dat uit de stukken blijkt dat er aandacht is geweest voor de pijnklachten van de cliënt. Met de klachtencommissie van het ziekenhuis is de commissie van oordeel dat ten aanzien van de werkzaamheden van de verpleegkundigen rondom de behandeling van de cliënt door de verpleegkundigen is gehandeld zoals van hen verwacht mag worden. De klacht op dit punt is in zoverre ongegrond. Uitzondering hierop is dat men heeft nagelaten gevolg te geven aan het verzoek van de cliënt om [eigen cardioloog] te spreken. Het ziekenhuis heeft echter erkend dat op dit punt niet juist is gehandeld. De klacht op dit punt is gegrond. Dit kan echter niet tot een schadevergoeding leiden.

Uit het boven overwogene volgt dat de vordering van de cliënt dient te worden afgewezen. Een en ander leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De commissie:

verklaart de cliënt ontvankelijk in haar klachten;

wijst de vordering van de cliënt af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen op 6 november 2017.