Orthopedisch chirurg geeft juiste beoordeling van MRI-scan knie

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 14110/22352

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt stelt dat de orthopedisch chirurg tekort is geschoten bij het beoordelen van een MRI-scan van zijn linkerknie. Door deze verkeerde beoordeling heeft de cliënt blijvend letsel en financiële schade opgelopen. De zorgaanbieder geeft aan dat er op basis van het lichamelijk onderzoek en de beoordeling van de beelden van de MRI een adequate analyse is verricht. De zorgaanbieder vindt dan ook dat er niet is tekortgeschoten in de beoordeling van de MRI-scan van de linkerknie van cliënt. De commissie beslist dat de zorgaanbieder volgens de richtlijn ‘arthroscopie van de knie’ heeft gehandeld. De orthopedisch chirurg heeft juist gehandeld en is niet te kort geschoten bij de verleende zorg. Er is geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de medische behandeling. De schadevergoeding wordt niet toegekend.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam cliënt], wonende te [woonplaats] en
Stichting Christelijk Algemeen Ziekenhuis Noordwest-Veluwe, gevestigd te Harderwijk
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen. Bij brief van 26 maart 2020 heeft het bureau van de Commissie aan beide partijen bericht dat de Commissie de behandeling van het geschil zal afdoen zonder mondelinge behandeling. De Commissie heeft daartoe ook de bevoegdheid conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de mogelijkheid gesteld, hebben geen van partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen bij brief van 20 mei 2020 geïnformeerd over de datum wanneer de Commissie zal beslissen over het geschil.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de verkeerde beoordeling van de MRI-scan van de linkerknie van de cliënt door de behandelend arts van de zorgaanbieder. De cliënt heeft door deze verkeerde beoordeling pijn, blijvend letsel en financiële schade geleden.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is van mening dat de behandelend arts van de zorgaanbieder te kort geschoten is bij het bekijken van de MRI scan van de linkerknie van de cliënt op 19 december 2017.
De conclusie van de arts was dat er sprake was van bewegingsangst en angst voor slotklachten, verder een puntgave knie.
Later bleek door middel van het onderzoeken van de scan en de verzamelde kennis die de cliënt door gesprekken met specialisten had verkregen, dat duidelijk te zien is dat met de voorste en achterste kruisband van de linkerknie iets mis is. Na in gesprek te zijn gegaan hierover op 6 augustus 2019 met de betreffende arts en de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder blijft de arts bij zijn eerdere conclusie namelijk dat op de scan van 19 december 2017 niets afwijkends te zien is.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. Het standpunt komt op het volgende neer.

Allereerst merkt de zorgaanbieder op het heel vervelend te vinden dat de cliënt op jonge leeftijd al zoveel ongemakken heeft aan zijn knie. Het is jammer dat dit een negatieve invloed heeft op zijn mogelijkheden. De zorgaanbieder betwist echter het verwijt van de cliënt dat de zorgaanbieder tekortgeschoten zou zijn bij de beoordeling van de MRI-scan van de linkerknie van de cliënt. Deze MRI is gemaakt naar aanleiding van het consult op de polikliniek op 5 december 2017. De reden om een MRI te maken was om uit te sluiten dat er een lateraal meniscusletsel aanwezig was. Bij het lichamelijk onderzoek was er namelijk sprake van pijn lateraal en een lichte extensiebeperking van 5 graden. Er was geen hydrops en de stabiliteitstesten waren niet afwijkend. De MRI van 19 december 2017 werd door de radioloog beoordeeld en behoudens het niet ossificerend fibroom (NOF) als normaal afgegeven. Bij het hierop volgende consult op 28 december 2017 heeft de orthopedisch chirurg de MRI ook zelf beoordeeld en geconstateerd dat de MRI geen afwijkingen aan de menisci of een andere derangement interne toonde. Wel is het NOF te zien, maar deze leek geen klachten te geven. De uitslag is met de cliënt besproken en met het beeld van bewegingsangst is een expectatief en conservatief beleid geadviseerd en is de cliënt doorverwezen naar een fysiotherapeut.

De cliënt is niet ontslagen uit de controle. Hierna heeft de cliënt zich niet meer bij de zorgaanbieder gemeld totdat hij zijn klacht medio 2019 aan de zorgaanbieder kenbaar maakte. Hierop heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de cliënt en de chirurg en de klachtenfunctionaris. Tijdens dit gesprek is uitgebreid de ziektegeschiedenis doorgenomen en zijn de MRI’s van zijn linkerknie bekeken.
Aanvankelijk was het verwijt dat de behandelend chirurg geen diagnostische artroscopie had verricht en dat de eerdere MRI van 2016 niet goed beoordeeld was omdat daar het kruisbandletsel op te zien zou zijn geweest. Echter op die MRI zijn de kruisbanden niet afgebeeld. De chirurg heeft aan de hand van de beelden geprobeerd uit te leggen dat de voorste kruisband er op de MRI van 19 december 2017 normaal uitziet. Daarbij heeft de chirurg aangegeven achter zijn destijds genomen besluit te staan dat er op dat moment geen aanleiding was om een diagnostische artroscopie uit te voeren. Ook heeft de chirurg aangegeven het te betreuren dat de cliënt zich destijds niet vrij heeft gevoeld zijn knieklachten nogmaals bij hem onder de aandacht te brengen. Nadien heeft de cliënt nadrukkelijk gesteld het niet eens te zijn met de gemaakte beoordeling en conclusie en heeft hij het geschil bij de commissie aanhangig gemaakt.
Naar aanleiding van de klacht is de casus binnen de vakgroep besproken en is er opnieuw met een tweede radioloog naar de MRI van 19 december 2017 gekeken. Er zijn hierbij geen andere inzichten ontstaan.

De zorgaanbieder concludeert op basis van de feiten na zorgvuldige anamnese, lichamelijk onderzoek en beoordeling van de beelden van de MRI van 19 december 2017 dat destijds een adequate analyse is verricht en een gangbare conservatieve behandeling is voorgesteld.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Toetsingskader
De overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW. Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de verantwoordelijk orthopedisch chirurg – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Het gaat daarbij niet om de vraag of dat handelen anders of zelfs beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de arts binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Doet de hulpverlener dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij en/of het ziekenhuis de schade die een cliënt daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 in verband met artikel 7:462 van het BW).
Voor aansprakelijkheid is derhalve vereist dat voldoende aannemelijk is dat de arts tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan de arts verweten kunnen worden en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorgaanbieder moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgaanbieder zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen, kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener/arts zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van de cliënt afgezet tegen het hierboven geschetste toetsingskader beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling
De commissie is van oordeel dat de klacht van de cliënt niet gegrond is. Daarbij overweegt zij als volgt.

Op grond van de bij de commissie bekende stukken en na bestudering van de MRI-scan van
19 december 2017, is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder conform de richtlijn ‘arthroscopie van de knie’ heeft gehandeld en terecht geen indicatie heeft gezien voor een diagnostische arthroscopie van de knie.

Eveneens terecht is door de zorgaanbieder een conservatief beleid geadviseerd. Op de MRI van 19 december 2017 is géén voorste kruisbandlaesie te zien. De commissie is van oordeel dat de behandelend orthopedisch chirurg juist heeft gehandeld en niet te kort is geschoten bij de verleende zorg bestaande uit anamnese, onderzoek en beoordeling van de MRI-scan van de cliënt.
De commissie is voorts van oordeel dat de verantwoordelijk chirurg die zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht en aldus binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Gelet hierop kan niet gesteld worden dat er sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming in de medische behandeling. Nu er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de zorgaanbieder is er geen grondslag voor het opleggen van schadevergoeding, zodat aan de beoordeling van de vraag om schadevergoeding niet wordt toegekomen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

• Verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst af het door de cliënt gevorderde.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. C.J.R. de Locht, voorzitter, de heer prof. dr. B.J. van Royen, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, en mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 22 mei 2020.