Onheuse bejegening door psychologe leidt tot vertrouwensbreuk en beschadiging zelfbeeld cliënte

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: bejegening    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 11201/20285

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Er is een voorval geweest waarbij de klaagster onheus is bejegend door haar psychologe. Hierdoor heeft ze weinig vertrouwen in mensen en ze heeft een ernstige beschadiging van haar zelfbeeld opgelopen. De klaagster heeft een klacht tegen de psychologe ingediend. De gehele klachtenprocedure is doorgelopen, maar partijen zijn er niet uitgekomen. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat de klacht van klaagster terecht is. De zorgaanbieder is bereid om €500,- aan schade te vergoeden. De klaagster heeft echter verzocht om een schadevergoeding van €5000,-. De commissie vindt dat de zorgaanbieder met het voorval de zorgplicht heeft geschonden. Zo is de geheimhoudingsplicht geschonden, die juist bij een behandeling van psychische klachten erg belangrijk is. Ook hebben de opmerkingen geleid tot een breuk in het vertrouwen van klaagster. Er is sprake van een toerekenbare tekortkoming door de zorgaanbieder. Er wordt een schadevergoeding van €2000,- toegekend.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Klaagster], wonende te [plaats] en Ermelosche Psychologenpraktijk BV, gevestigd te Ermelo (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het bureau van de commissie heeft op 26 maart 2020 aan beide partijen bericht dat de behandeling van het geschil zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan. De commissie heeft die bevoegdheid ook conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van beide partijen te kennen gegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 12 mei 2020 geïnformeerd dat de commissie op 26 mei 2020 zal beslissen over het geschil.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil
Klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het verlies van vertrouwen in mensen en ernstige beschadiging van het zelfbeeld van klaagster doordat psychologe [naam psychologe], die in dienst is van de zorgaanbieder, zich in de openbare ruimte zeer negatief heeft uitgelaten over klaagster.

Klaagster vordert schadevergoeding van € 5.000,–.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 19 februari 2019 om 16:30 uur had klaagster een afspraak met [naam psychologe]. Vanuit de wachtkamer hoort klaagster [naam psychologe] tegen een derde zeggen dat ze om 16:30 uur nog een afspraak heeft staan met ‘echt zo’n borderlinegeval, echt een ongeleid projectiel’ en dat het maar afwachten is of ze überhaupt komt, omdat het ‘echt zo’n verwaarloosd en beschadigd meisje is’. Klaagster is vervolgens naar [naam psychologe] toegelopen en heeft [naam psychologe] geconfronteerd met haar uitlatingen. Volgens klaagster heeft [naam psychologe] erkend dat ze een enorme fout heeft gemaakt en heeft ze klaagster erop gewezen dat ze een klacht tegen [naam psychologe] kan indienen.

Klaagster heeft op 26 februari 2019 een klacht ingediend en naar aanleiding daarvan heeft er op 11 maart 2019 een gesprek met [naam teamleider] van het team waarin [naam psychologe] werkzaam is, plaatsgevonden. Bij brief van 24 september 2019 heeft [naam klachtenfunctionaris] aan de commissie bericht dat klaagster de volledige klachtenprocedure heeft doorgelopen maar dat klaagster en de zorgaanbieder er samen niet zijn uitgekomen.

Klaagster stelt als oplossing voor de klacht voor dat de zorgaanbieder er zorg voor moet dragen dat dit soort voorvallen zich niet opnieuw voordoet en verzoekt aan haar schadevergoeding toe te kennen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft onder andere in een brief d.d. 31 januari 2020 van [naam bestuurder] aan de commissie medegedeeld dat de klacht van klaagster terecht is. Het voorval heeft zich voorgedaan zoals klaagster het beschrijft. [naam psychologe] is kort na het incident ziek uitgevallen en heeft enkele maanden niet kunnen werken. Met de kennis van nu, bleek achteraf dat [naam psychologe] ten tijde van het voorval niet fit was. [Naam bestuurder] biedt in haar brief nogmaals excuses aan en biedt opnieuw aan om het door klaagster voorgestelde schikkingsbedrag van € 500,– te voldoen.

In een verweerschrift van 28 april 2020 meldt zich namens de zorgaanbieder [naam juridisch adviseur], juridisch adviseur van VvAA Juridisch advies en rechtsbijstand. [Naam juridisch adviseur] verklaart dat klaagster nooit op een aanbod om met [naam psychologe], de klachtenfunctionaris en/of [naam bestuurder] in gesprek te gaan is ingegaan. Inmiddels is het duidelijk geworden dat klaagster in plaats van toekenning van € 500,– om toekenning van € 5.000,– aan schadevergoeding verzoekt. Volgens [naam juridisch adviseur], is het verband tussen het incident en de geleden schade niet aangetoond en is het verzoek om schadevergoeding van € 5.000,– niet onderbouwd. De zorgaanbieder handhaaft het aanbod om € 500,– aan schade te vergoeden en verzoekt de commissie de klacht voor het overige af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Bij de beoordeling van de klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klaagster en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met klaagster.

De commissie stelt vast dat het door klaagster beschreven incident zich heeft voorgedaan. Dit wordt ook niet betwist door de zorgaanbieder. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder door dit voorval de zorgplicht heeft geschonden. Immers is onder andere de geheimhoudingsplicht, die van onschatbaar belang is in de verhouding tussen patiënt en behandelaar, met name indien het gaat om de behandeling van psychische klachten, met voeten getreden door de zorgaanbieder. Daarnaast leiden dit soort opmerkingen tot een breuk in het vertrouwen dat een patiënt ten opzichte van de behandelaar moet kunnen hebben. De zorgaanbieder is dus tekort- geschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst met klaagster.

De commissie is op grond van vorenstaande van oordeel dat de klacht gegrond is.

Vordering tot schadevergoeding

Klaagster verzoekt de commissie de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van (im)materiële schade ad € 5.000,–. Klaagster heeft ter onderbouwing aangevoerd dat in verband met het voorval haar laatste arbeidscontract niet is verlengd, dat zij nog steeds niet in staat is op zoek te gaan naar een nieuwe baan en dat zij dientengevolge een uitkering ontvangt, dus een lager inkomen heeft. Bovendien heeft klaagster aangevoerd weer jaren therapie nodig te hebben door het voorval.

De commissie overweegt dat voor een aanspraak op schadevergoeding ten minste is vereist dat de schuldenaar – in dit geval de zorgaanbieder – in enig opzicht is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting. Ook moet de hulpverlener het tekortschieten kunnen worden toegerekend. De commissie heeft geoordeeld dat er sprake is van tekortschieten. De commissie is eveneens van oordeel dat dit tekortschieten aan de zorgaanbieder moet worden toegerekend. Voorts komt voor vergoeding van schade alleen die schade in aanmerking, die in voldoende causaal verband staat tot de toerekenbare tekortkoming.
De commissie is van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat het eindigen van het arbeidscontract en het (nog) niet op zoek kunnen gaan naar een andere baan het directe gevolg is van het incident. Immers liet klaagster zich voor het voorval reeds voor haar psychische klachten behandelen door [naam psychologe] en spreekt zij ook over een behandelaar die in een eerder stadium heeft vastgesteld dat klaagster geen borderline-verschijnselen vertoont. Volgens de commissie is niet vast komen te staan dat indien het voorval zich niet had voorgedaan, klaagster thans geen uitkering, maar (een hoger) loon zou ontvangen.

De commissie is echter wel van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat klaagster als gevolg van de bejegening door [naam psychologe] in een psychisch nadeliger situatie is terechtgekomen dan waarin zij voorheen verkeerde en dat klaagster (langer) therapie moet volgen om haar zelfbeeld te verbeteren en om aan haar vertrouwen in mensen te werken. De commissie is van oordeel dat klaagster hiervoor immateriële schadevergoeding dient te ontvangen en stelt die schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 2.000,–.
Voor het overige zal de commissie de vordering tot vergoeding van (im)materiële schadevergoeding afwijzen.

Het reglement van de commissie bepaalt dat indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond wordt bevonden de zorgaanbieder aan klager het door deze betaalde klachtengeld geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Nu de klacht van klaagster gegrond is bevonden, zal de commissie de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld van € 52,50.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht gegrond is en de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk moet worden toegewezen.

Dientengevolge beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie:

• verklaart de klacht van klaagster gegrond;
• wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 2.000,–;
• wijst de vordering tot (im)materiële schadevergoeding voor het overige af;
• bepaalt dat de zorgaanbieder, nu de klacht gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan klaagster dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
• bepaalt dat de betaling van de schadevergoeding en het klachtengeld binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, de heer dr. J.W. Stenvers, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 26 mei 2020.