Onderzoek door zorgaanbieder naar aard van psychische klachten om vast te stellen welke behandeling cliënt nodig had, is zorgvuldig

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: -    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 467-4866

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klacht van de cliënt is dat de door de zorgaanbieder uitgevoerde onderzoeksgesprekken onnodig waren en/of inadequaat. De zorgaanbieder heeft de cliënt niet direct doorverwezen voor een klinische behandeling. De betreffende behandeling kon echter niet meer worden aangeboden en daarom was doorverwijzing onmogelijk. Dat de zorgaanbieder er vervolgens voor heeft gekozen om eerst met meerdere disciplines grondig onderzoek te doen naar de aard en omvang van de problematiek, is niet onnodig, maar juist zorgvuldig. Uit niets is gebleken dat die inschatting onjuist is geweest. Voor het doen van onderzoek door een psycholoog is niet noodzakelijk dat gespiegeld wordt en een (intensieve) dialoog ontstaat. Observeren en luisteren zijn juist twee belangrijke elementen. Geen sprake van gemaakte fout of verwijtbaar handelen.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [plaats] en Stichting Mondriaan, gevestigd te Heerlen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken. De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2019 te Eindhoven. De cliënt is verschenen evenals namens de zorgaanbieder; mevrouw [naam], de heer [naam] en mevrouw [naam]. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft het door de zorgaanbieder ingestelde onderzoek naar de aard van de psychische klachten van cliënt om vast te stellen welke behandeling cliënt nodig had.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken waarna de klacht op de zitting nader door de cliënt is geformuleerd. De klacht spitst zich toe op het door mevrouw [naam], de behandelend GZ-psycholoog (hierna: de psycholoog), verrichte onderzoek. De cliënt stelt zich op het standpunt dat het door de psycholoog uitgevoerde onderzoek niet adequaat en onnodig was.

Het onderzoek was niet nodig geweest, zo stelt de cliënt, omdat uit zijn dossier van zijn voormalig psychotherapeut en huisarts bleek dat hij direct opgenomen had kunnen en moeten worden in de Viersprong te Halsteren. Dat was de wens van de cliënt, omdat hij in een klinische setting de veiligheid en houvast zou kunnen vinden die hij op dat moment hard nodig had. Vanuit die positie had hij dan kunnen werken aan zijn hulpvraag op het gebied van zijn persoonlijkheid.

Daarnaast was het onderzoek niet adequaat. Er zijn naast de gesprekken met de verpleegkundig specialist en de psychiater gedurende twee jaar meerdere gesprekken gevoerd met de psycholoog. De psycholoog was niet capabel volgens de cliënt; zij was onvoldoende geschoold om hem – gezien de complexiteit van zijn hulpvraag – te onderzoeken. In 2015 is vastgesteld dat het nodig was om zijn actuele geestelijke toestand te onderzoeken. Aan die onderzoeksopdracht heeft de psycholoog echter niet voldaan. Naast dat ieder gesprek een monoloog was waarin de cliënt vertelde over zijn jarenlange zoektocht naar zijn persoonlijkheid, voldeden de gesprekken dus ook niet aan de doelstelling; er werd enkel gesproken over het verleden en niet over zijn actuele problemen. Kortom; er is veel onnodige tijd besteed met het onderzoek door de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer. De zorgaanbieder betwist dat het door haar uitgevoerde onderzoek inadequaat of onnodig is geweest. Direct na het eerste contact met de cliënt, heeft zij gebeld met de huisarts van de cliënt en zijn voormalig psychotherapeut. Het advies luidde; starten met een klinisch traject bij de Viersprong in Halsteren. De door hem voorgestelde therapie werd echter niet meer aangeboden, zodat doorverwijzing niet kon plaatsvinden. Verder onderzoek was dus wel degelijk noodzakelijk. Vanwege de complexiteit van de klachten van de cliënt en het vermoeden dat er meerdere problemen (depressie, suïcidaliteit en vermoeden van psychoticiteit) aan de orde waren, heeft de zorgaanbieder destijds besloten een vakteam samen te stellen. Dat vakteam zou de problematiek van de cliënt uit meerdere invalshoeken en vanuit meerdere disciplines beoordelen, zodat daarna kon worden geadviseerd waar de cliënt het beste thuis was voor zijn behandeling. De gesprekken met de psycholoog vormden het grootste deel van het onderzoek. Dat de cliënt dit heeft ervaren als een monoloog zijnerzijds maakt nog niet dat het onderzoek niet goed is uitgevoerd. Luisteren is een wezenlijk element van het doen van onderzoek waaruit de benodigde conclusies kunnen worden getrokken. De gesprekken hebben uiteindelijk geleid tot een verwijzing van de cliënt naar PsyQ persoonlijkheid. Dat de cliënt hier niet op heeft doorgepakt, kan niet aan de zorgaanbieder worden verweten.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Ter zitting is gebleken dat de klacht zich niet (meer) richt tegen mevrouw [naam], zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit onderdeel van de klacht is ingetrokken.

Uitgangspunt in deze is de zorgovereenkomst die tussen partijen is gesloten. De zorgaanbieder moet op grond daarvan bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de door hulpverleners geldende professionele standaard. Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende is vastgesteld dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of verwijtbaar nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder.

Tussen partijen staat vast dat het in 2017 door de zorgaanbieder verstrekte advies, namelijk een verwijzing naar PsyQ voor het werken aan zijn persoonlijkheid, het juiste is en overeenkomstig de wens van de cliënt. Het resultaat van de onderzoeken vormt daarmee dus geen onderdeel van de klacht, slechts de weg daar naartoe.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de door de zorgaanbieder uitgevoerde onderzoeksgesprekken onnodig waren en/of inadequaat. De zorgaanbieder heeft de cliënt niet direct bij ‘binnenkomst’ doorverwezen naar de Viersprong om daar een klinische behandeling te ondergaan, maar daarmee staat nog niet vast dat de zorgaanbieder om die reden onzorgvuldig heeft gehandeld. De betreffende behandeling kon niet meer worden aangeboden en daarom was doorverwijzing onmogelijk.
Dat de zorgaanbieder er vervolgens voor heeft gekozen om eerst met meerdere disciplines grondig onderzoek te doen naar de aard en omvang van de problematiek, is niet onnodig, maar juist zorgvuldig. Uit niets is gebleken dat die inschatting onjuist is geweest. Daarbij komt dat is komen vast te staan dat de cliënt tijdens de intakeprocedure zelf het voorstel deed om te starten met een 5-tal gesprekken. Bij hem bestond de behoefte om te delen wat hij in de voorgaande jaren over zichzelf had geleerd.

Ten aanzien van de toegevoegde waarde van de gesprekken tussen de cliënt en de psycholoog is de commissie het volgende van oordeel. Voor het doen van onderzoek door een psycholoog is niet noodzakelijk dat gespiegeld wordt en een (intensieve) dialoog ontstaat. Observeren en luisteren zijn eveneens twee belangrijke elementen. Dat de cliënt de gesprekken heeft ervaren als monologen maakt dus nog niet dat het door de zorgaanbieder uitgevoerde onderzoek inadequaat is geweest en betekent ook niet dat de bevindingen en conclusies van de psycholoog niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Integendeel, zij hebben, zoals cliënt dat uiteindelijk ook wilde, geleid tot een verwijzing naar PsyQ.

Niet ter discussie staat dat de verwijzing naar PsyQ per e-mail aan de cliënt is gestuurd en door hem ontvangen is. Er is daarna echter door cliënt in het geheel niet gereageerd en dan ook geen opvolging aan die verwijzing gegeven. De cliënt verwijt de zorgaanbieder dat het plan van aanpak onduidelijk was en hij daarom niet is gestart met de behandeling. Dat verwijt is, naar het oordeel van de commissie, niet terecht. Door de cliënt is ter zitting erkend dat hij per e-mail vragen heeft gesteld over het plan van aanpak en dat de zorgaanbieder daarop heeft gereageerd. Ook heeft hij erkend dat hij daarna zelf niet meer reageerde. Hoewel de commissie begrijpt dat een plan van aanpak onduidelijk kan zijn en om een toelichting vraagt, kan het in dit geval niet aan de zorgaanbieder worden verweten dat het plan van aanpak klaarblijkelijk nog niet volledig duidelijk was voor de cliënt. Hij heeft immers zelf geen contact meer opgenomen. Het lag op de weg van cliënt om (nogmaals) om uitleg of een onderbouwing te vragen wanneer het hem nog niet duidelijk was welke behandeling aan hem werd voorgesteld.

Op grond van het bovenstaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld als bekwaam en redelijk handelend hulpverlener en daarbij heeft gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende zorgplicht. Zij heeft gedaan wat zij kon en moest doen. Van een door de zorgaanbieder gemaakte fout of verwijtbaar nalaten is geen sprake.
Om deze redenen is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.

De beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van cliënt ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg op 27 september 2019, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer L.H.M. van de Paal, de heer mr. P.C. de Klerk, leden en in aanwezigheid van mevrouw mr. T. Lap als plaatsvervangend secretaris.