Omdat cliënte de klacht bijna twee jaar na de afwijzing van de aansprakelijkheid bij de commissie aanhangig heeft gemaakt, is dat ruim na de in het reglement gestelde termijn van twaalf maanden na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis. De commissie kan de klacht daarom niet behandelen.

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 120228

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Stichting Ziekenhuis Bernhoven, gevestigd te Uden, (verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het geschil is buiten aanwezigheid van partijen behandeld op 8 januari 2019 te Den Haag. Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen, omdat eerst moet worden vastgesteld of de commissie het
geschil inhoudelijk kan behandelen. Het ziekenhuis heeft zich in het verweerschrift beroepen op
niet-ontvankelijkheid van de cliënte in haar klacht. De cliënte is vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop een schriftelijke reactie te geven. De commissie heeft op 13 december 2018 een reactie van de cliënte ontvangen. De commissie heeft eveneens kennis genomen van de overige stukken die zich in het dossier bevinden.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de op 12 januari 2012 uitgevoerde borstoperatie en de daardoor veroorzaakte schade.

Standpunten van partijen ten aanzien van de ontvankelijkheid

Het ziekenhuis stelt zich op het standpunt dat de cliënte niet-ontvankelijk is in haar klacht. Het ziekenhuis wijst op de in artikel 6, eerste lid, sub a van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen (hierna: het reglement) gestelde termijn. Op 24 oktober 2016 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar, Medirisk, de schadeclaim van de cliënte afgewezen, waarmee de klacht van de cliënte is behandeld en afgesloten. Vanaf dat moment is de termijn van twaalf maanden gaan lopen waarbinnen de cliënte haar klacht aanhangig had dienen te maken bij de commissie.
Dat de cliënte het ziekenhuis op 9 maart 2018 opnieuw aansprakelijk heeft gesteld, betekent niet dat de termijn van twaalf maanden is verlengd of opnieuw is gaan lopen.
Op 24 september 2018 heeft de cliënte het geschil bij de commissie aanhangig gemaakt, zodat de cliënte dat niet binnen de termijn van twaalf maanden heeft gedaan en dus niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De cliënte stelt, naar de commissie begrijpt, dat zij ontvankelijk is in haar klacht. Zij stelt dat zij juist op aanraden van het ziekenhuis de procedure bij de commissie is gestart. Zij uit als wens dat de commissie de zaak inhoudelijk in behandeling neemt en eist, zoals zij stelt ‘mede door het gemanipuleer van het ziekenhuis’, de maximaal mogelijke vergoeding.

Beoordeling ten aanzien van de ontvankelijkheid

Alvorens aan een inhoudelijke toetsing van het geschil kan worden toegekomen, zal de commissie eerst dienen te oordelen over de ontvankelijkheid van de cliënte in deze procedure.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het reglement dient de commissie een cliënt niet-ontvankelijk te verklaren op verzoek van het ziekenhuis, gedaan bij eerste gelegenheid, indien de cliënt zijn geschil niet binnen twaalf maanden na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. In afwijking hiervan kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft (zie hiervoor artikel 6, tweede lid van het reglement).

Uit de stukken blijkt dat [naam] namens de cliënte op 13 juli 2016 het ziekenhuis aansprakelijk heeft gesteld voor de door de cliënte gestelde medische fout en de daardoor geleden en te lijden schade. Bij brief van 24 oktober 2016 heeft Medirisk de aansprakelijkheid van het ziekenhuis afgewezen. Hoewel deze afwijzing door de aansprakelijkheidsverzekeraar formeel niet is aan te merken als afhandeling van de klacht door het ziekenhuis, zal de commissie, gezien de datering van deze afwijzing en het feit dat de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna te noemen: Wkkgz) pas per 1 januari 2017 in werking is getreden, de afwijzing van de aansprakelijkheidsverzekeraar in dit geval wel als zodanig aanmerken. Hierbij neemt de commissie eveneens in aanmerking dat de cliënte zowel met de onderhavige klacht bij de commissie als met de eerdere aansprakelijkstelling een financiële vergoeding verlangt voor de in haar ogen verkeerde medische ingreep van 12 januari 2012. Nu de cliënte de klacht bijna twee jaar na de afwijzing van de aansprakelijkheid bij de commissie aanhangig heeft gemaakt, namelijk op 24 september 2018, is dat ruim na de in het reglement gestelde termijn van twaalf maanden na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis.

De commissie overweegt verder als volgt. In reactie op de bij de commissie ingediende klacht van de cliënte, heeft het ziekenhuis zich bij verweerschrift van 6 december 2018 op het standpunt gesteld dat de cliënte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht. Conform artikel 6, eerste lid onder a van het reglement dient de cliënte in haar klacht dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij haar klacht niet binnen twaalf maanden na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis bij de commissie heeft ingediend én het ziekenhuis bij eerste gelegenheid om
niet-ontvankelijkverklaring heeft verzocht.

Voorts heeft de cliënte niet gesteld, noch is dit de commissie gebleken, dat de cliënte redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van deze termijnoverschrijding.

De commissie is op grond van al het voorgaande van oordeel dat de cliënte niet-ontvankelijk is in haar klacht. Haar opnieuw ingediende aansprakelijkstelling jegens het ziekenhuis van 9 maart 2018, neemt het voorgaande niet weg.

De commissie kan daarom geen inhoudelijk oordeel uitspreken over de klacht van de cliënte. 

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de cliënte niet-ontvankelijk in haar klacht.

Aldus beslist op 8 januari 2019 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit
de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw dr. M.H. Godfried en de heer ir. H.J.A.M. Bodelier, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. B.J. van Gent, secretaris.