Niet-ontvankelijk. Het geschil is niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de klacht bij de zorgaanbieder is ingediend, aan de commissie voorgelegd. Dat klaagster een veelheid aan andere gerechtelijke procedures heeft aangespannen brengt niet mee dat dit haar niet verweten kan worden

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 112252

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Klaagster], wonende te [plaats] en Stichting GGZ inGeest.

Behandeling van het geschil

Klaagster heeft bij klachtenformulier van 7 augustus 2017 de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) verzocht onderhavig geschil in behandeling te nemen.

Klaagster en de zorgaanbieder zijn niet voor de zitting opgeroepen, omdat de commissie op grond van de stukken eerst dient vast te stellen of klaagster gelet op het verweer van de zorgaanbieder ontvankelijk is in haar klacht.

Partijen zijn bij brief van 11 januari 2018 geïnformeerd dat de commissie eerst een voorbeslissing dient te nemen alvorens het dossier op de inhoud kan worden beoordeeld.

De commissie heeft kennisgenomen van de overlegde stukken.

Het geschil is buiten aanwezigheid van partijen behandeld op 25 januari 2018 te Rotterdam.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft – kort samengevat – de vraag of klaagster ten onrechte onder curatele is gesteld.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie allereerst naar de overlegde stukken. De door klaagster overlegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De klacht van klaagster richt zich er tegen dat de zorgaanbieder ten onrechte een verzoek tot ondercuratelestelling van klaagster heeft ingediend en de psychiatrische beoordeling die ten behoeve van dit verzoek is gedaan, gebaseerd heeft op ondeugdelijk onderzoek.

Klaagster wenst dat de ondercuratelestelling met spoed wordt opgeheven, omdat haar dagelijks – als gevolg van deze ondercuratelestelling – schade wordt berokkend.

Klaagster wenst tot slot aanspraak te maken op een schadevergoeding, waarvan de hoogte nog nader dient te worden uitgezocht.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door de zorgaanbieder overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De zorgaanbieder heeft – onder meer – aangevoerd dat de klacht niet door de commissie behandeld kan worden. Volgens de zorgaanbieder is klaagster namelijk niet-ontvankelijk in haar klacht. Daartoe voert de zorgaanbieder de volgende gronden aan.

Klaagster heeft reeds in 2015, voor de inwerkingtreding van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een klacht ingediend over hetzelfde onderwerp bij de Klachtencommissie Cliënten. Deze klacht is door de klachtencommissie op 5 oktober 2015 ongegrond verklaard. Volgens de zorgaanbieder is het niet mogelijk om een klacht, waarover de klachtencommissie reeds een bindende uitspraak heeft gedaan – voordat de Wkkgz in werking is getreden – daarna, zonder nieuwe feiten, opnieuw aanhangig te maken bij de geschillencommissie. De zorgaanbieder tekent daar nog bij aan dat de klacht niet binnen 12 maanden – na indiening bij de zorgaanbieder – is ingediend bij de Geschillencommissie.

Verder heeft de zorgaanbieder nog aangevoerd dat klaagster geen toestemming heeft van haar curator voor het indienen van de onderhavige klacht.

Tot slot heeft de zorgaanbieder aangevoerd dat klaagster geen redelijk belang heeft bij haar klacht. Zij heeft immers over hetzelfde onderwerp al geklaagd bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam in zowel 2011 als in 2015, waarbij haar klachten zijn afgewezen. Ook in hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege in Den Haag is klaagster in het ongelijk gesteld.

Voor zover klaagster toch ontvankelijk is, verzoekt de zorgaanbieder haar klachten kennelijk ongegrond te verklaren. De zorgaanbieder lijdt onredelijk financieel nadeel bij het behandelen van de klacht nu al meerdere (rechterlijke) instanties hebben geoordeeld dat [naam psychiater] niet onprofessioneel of verkeerd gehandeld heeft door het afgeven van de verklaring op basis waarvan klaagster onder curatele is gesteld.

Beoordeling 

De commissie overweegt naar aanleiding van het over en weer gestelde het volgende.

Alvorens de commissie tot een inhoudelijke behandeling van het geschil kan komen, dient zij eerst te onderzoeken of klaagster ontvangen kan worden in haar klacht. De commissie stelt in dit verband voorop dat nu gebleken is dat de curator bij brief van 16 november 2017 toestemming heeft gegeven voor het indienen van de onderhavige klacht, het verweer van de zorgaanbieder op dit punt niet langer opgaat en dat dit aspect verder onbesproken kan blijven.

De commissie dient vervolgens te onderzoeken of de overige door de zorgaanbieder naar voren gebrachte argumenten in de weg staan aan een inhoudelijke behandeling van het geschil. De commissie acht dat het geval op grond van het navolgende.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het reglement verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.

De commissie stelt vast dat klaagster zich reeds bij klaagschrift van 11 mei 2015 heeft beklaagd bij de zorgaanbieder over het feit dat 1) de instelling ten onrechte een verzoek tot ondercuratelestelling heeft ingediend en dat er 2) ten behoeve van dit verzoek een psychiatrische beoordeling is gedaan die gebaseerd is op ondeugdelijk onderzoek, uitgevoerd door [naam psychiater].
Deze klacht is op 7 september 2015 behandeld door de Klachtencommissie GGZ InGeest, Arkin, AMC Psychiatrie, Sinai Centrum, die beide klachten van klaagster bij beslissing van 5 oktober 2015 ongegrond heeft verklaard. Die commissie heeft daarbij overigens onder meer overwogen dat klaagster haar tweede klacht in twee instanties heeft voorgelegd aan de tuchtrechter en daar eveneens in het ongelijk is gesteld.

De commissie stelt verder vast dat uit de stukken blijkt dat de op 3 augustus 2017 bij deze commissie door klaagster ingediende klachten tegen de zorgaanbieder, dezelfde feiten en gronden betreffen als bij klaagschrift van 11 mei 2015. Gelet op het tijdsverloop van meer dan twee jaar tussen enerzijds het indienen van de oorspronkelijke klacht tegen de psychiater en het bij deze commissie aanhangig gemaakte geschil, is de commissie dan ook met de zorgaanbieder van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klachten nu het geschil aldus niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de klacht bij de zorgaanbieder is ingediend, aan de onderhavige commissie is voorgelegd.

De in artikel 6 lid 2 van het reglement bedoelde situatie waarin de commissie kan besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, namelijk indien de cliënt ter zake de termijnoverschrijding redelijkerwijs geen verwijt treft, doet zich in het onderhavige geval niet voor.

De commissie heeft kennisgenomen van het feit dat klaagster (bij beroepschrift van 16 oktober 2015) beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Amsterdam (afdeling bestuursrecht) tegen de uitspraak van 7 september 2015 van de Klachtencommissie GGZ InGeest, Arkin, AMC Psychiatrie, Sinai Centrum en dat de rechtbank zich bij uitspraak van 9 december onbevoegd heeft verklaard van dat beroep kennis te nemen, waarop klaagster vervolgens tegen die uitspraak verzet heeft ingesteld (eveneens bij de rechtbank Amsterdam, afdeling bestuursrecht) die in de uitspraak van 21 februari 2017 het verzet ongegrond heeft verklaard. Al deze procedures hebben echter geen schorsende werking, zoals klaagster thans lijkt te stellen in haar reactie op het verweer van de zorgaanbieder.
Dat klaagster een veelheid aan andere procedures heeft aangespannen brengt niet mee dat haar geen verwijt treft terzake de termijnoverschrijding in de onderhavige procedure.
Gelet op het vorenstaande verklaart de commissie klaagster dan ook niet-ontvankelijk in haar klacht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie oordeelt klaagster niet ontvankelijk in haar klacht(en).

Aldus beslist op 25 januari 2018 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.