Nalatigheid arts door cliënt niet door te verwijzen naar een specialist

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 27301/32128

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klaagster heeft in 2018 een klacht ingediend waarin de tekortkomingen van de behandelend arts ter sprake worden gebracht. De klachten zien op het niet nakomen van afspraken en het niet doorverwijzen naar specialisten, met een spoedopname in het ziekenhuis tot gevolg. De arts was volgens de klaagster nalatig in de medische behandeling van haar zoon (cliënt), die een niet aangeboren hersenletsel heeft. Voorafgaand aan de procedure heeft de commissie beslist dat de klaagster ontvankelijk is. De zorgaanbieder voert nieuwe redenen voor niet-ontvankelijkheid aan. Deze worden door de commissie verworpen. De commissie oordeelt dat de behandelend arts niet de zorg heeft verleend die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben verleend. Tijdens de behandeling van de cliënt zijn er tekortkomingen geweest met betrekking tot communicatie, de medische verslaglegging, de medicatietoediening en het inschakelen van derden-deskundigen, zoals een uroloog. Daarnaast is de klachtbehandeling door de zorgaanbieder onzorgvuldig geweest. De klachten wat betreft het handelen van de arts en de klachtbehandeling door de zorgaanbieder zijn dan ook gegrond. De klacht over de inzage in het medisch dossier van de cliënt aan de deskundige is volgens de commissie ongegrond. Toestemming voor inzage in het medisch dossier is namelijk niet noodzakelijk, wel had de klaagster hierover geïnformeerd moeten worden.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen:
[Naam klaagster], nabestaande van [naam cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Protestantse Zorggroep Crabbehoff, gevestigd te Dordrecht (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie verwijst voor het verloop van de procedure naar haar ontvankelijkheidsverklaring d.d. 10 juli 2020, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. In die beslissing heeft de commissie het niet-ontvankelijkheidsverweer dat verweerster heeft gevoerd en zag op de redelijke termijn verworpen en heeft de commissie klaagster in zoverre ontvankelijk verklaard in haar klacht.

Voor wat betreft het niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd door verweerster dat zag op het ontbreken van enig belang bij klaagster bij het verder behandelen van de door haar ingediende klachten, zal de commissie heden een beslissing nemen.

Partijen hebben aangegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van het geschil. Het secretariaat van de commissie heeft partijen op 22 september 2020 geïnformeerd over de datum waarop de commissie zal beslissen over het geschil.

De behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
Klaagster verwijt de behandelend arts nalatigheid met betrekking tot de medische behandeling van cliënt. De arts heeft geweigerd cliënt door te verwijzen naar specialisten en heeft (daardoor) cliënt onthouden van een mogelijke behandeling. Haar (gebrek aan) handelen was onprofessioneel, onethisch, onverantwoordelijk en onbetrouwbaar, haar houding defensief en onwillig, een professional onwaardig.

Standpunt van de klaagster.
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klaagsters zoon [naam cliënt], cliënt, is in mei 2015 op de afdeling van Cypres van De Crabbehoff gekomen.
Hij was toen 16 jaar. Klaagster heeft destijds bewust voor de Cypres gekozen omdat hier, als één van de weinige plekken in Nederland, extra aandacht is voor (jonge) mensen met een niet aangeboren hersenletsel (NAH). Bij de kennismakings- en intakegesprekken met de staf was er betrokkenheid en ervaring met patiënten met NAH en hun familie. Dit bleek ook in de praktijk. De verpleegkundigen en verzorgenden, de toenmalige arts, de therapeuten en de leiding waren (en zijn ongetwijfeld nog) zeer toegewijd en proactief. Steeds was het team samen met klaagster op zoek naar oplossingen en antwoorden. Van groot belang hierbij waren de wekelijkse consulten met de toenmalig arts [naam toenmalig behandelend arts]. Deze gesprekken waren cruciaal om over en weer goed op de hoogte te zijn van cliënt zijn toestand, mede omdat hij zelf nauwelijks kon communiceren. Ook de bevindingen van therapeuten en verpleging werden meegenomen en externe deskundigen en specialisten werden geraadpleegd om cliënt de beste begeleiding te geven. Op basis van al deze informatie bespraken klaagster en haar echtgenoot met de toenmalige behandelend arts het behandelplan en de (on)mogelijkheden voor verdere behandeling en onderzoek.

Na enkele maanden kwam er een nieuwe arts, [naam nieuwe behandelend arts]. In een overdrachtsgesprek met beide artsen werd afgesproken dat deze wekelijkse overleggen ook met mevrouw [nieuwe behandelend arts] zouden worden voortgezet. Dit gebeurde echter niet. Mevrouw [naam behandelend arts] kwam haar afspraken niet na. Het wekelijks gesprek liet ze vervallen, de pogingen om andere afspraken met haar te maken liepen regelmatig spaak, vaak hebben klaagster en haar echtgenoot vergeefs op deze arts zitten wachten. Ook het e-mailcontact verliep heel moeizaam, soms kregen klaagster en haar man helemaal geen antwoord. Verpleging, arts en klaagster beschikten niet langer over dezelfde informatie over de cliënt. Op vragen kreeg klaagster geen antwoorden en beloften om zaken uit te zoeken en te regelen kwam mevrouw [naam behandelend arts] niet na.
Zo heeft zij ondanks toezegging daartoe geen contact opgenomen met een neuroloog in verband met de epileptische aanvallen en slaapstoornissen van cliënt en met een uroloog vanwege zijn aanhoudende blaasontstekingen. Uiteindelijk is cliënt met spoed in het ziekenhuis opgenomen. Letterlijk doodziek. Hij bleek een sepsis te hebben als gevolg van een urineweginfectie. Ook werd geconstateerd dat zijn beide nieren vol zaten met nierstenen. Voorts heeft de arts ondanks een toezegging daartoe geen advies in deze moeilijke casus gevraagd aan het Centrum voor Consultatie en Expertise en ook niet onderzocht of er psychologische begeleiding voor cliënt mogelijk was. Voorts gaf mevrouw [naam behandelend arts] haar orders voor (aanpassing van) de medicatie regelmatig niet tijdig door. Dit leidde tot verwarring niet alleen bij de verpleging maar ook bij klaagster.

Mevrouw [naam behandelend arts] heeft cliënt mogelijke behandelingen en/of verlichting onthouden omdat ze weigerde advies in te winnen en/of cliënt door te verwijzen. Haar (gebrek aan) handelen was onprofessioneel, onethisch, onverantwoordelijk en onbetrouwbaar, haar houding defensief en onwillig, een professional onwaardig. Aan cliënt zijn plotselinge hartstilstand en de directe gevolgen daarvan kon niemand iets doen. Maar aan het (niet) handelen van mevrouw [naam behandelend arts] wel.

Klaagster maakt voorts bezwaar dat clients medisch dossier zonder haar toestemming aan een derde is gegeven. Ook heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het overschrijden van de behandeltermijnen van haar klachten. Uiteindelijk ontving klaagster op 9 juli 2019 het onderzoeksrapport en de conclusie van de zorgaanbieder.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft in het verweer een beroep gedaan op niet ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht. Naast een beroep op termijnoverschrijding heeft de zorgaanbieder gesteld dat klaagster geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak als bedoeld in artikel 5 sub e van het reglement.

Blijkens de oorspronkelijke klacht van 20 augustus 2018 was de klacht gericht tegen de arts, mevrouw [naam behandelend arts] : “We willen een klacht indienen tegen mevrouw [naam behandelend arts] wegens nalatigheid, weigeren tot doorverwijzen en (daardoor) onthouden van mogelijke behandeling van onze zoon [naam cliënt]. Haar (gebrek aan) handelen was onprofessioneel, onethisch, onverantwoordelijk en onbetrouwbaar, haar houding defensief en onwillig, een professional onwaardig.” De zorgaanbieder heeft verduidelijking gevraagd van deze klacht bij e-mail van 31 augustus 2018 en daarop bij e-mail van klagers van 16 september 2018 het antwoord gekregen: “Voor wat betreft onze verwachting: die is in ons schrijven verwoord. Wij verwachten dat het disfunctioneren van Mevr. [naam behandelend arts] uw aandacht krijgt, met als doel verbetering van de situatie. Daarnaast is het voor ons prettig om een beeld te krijgen van wat wij concreet van u als interventies kunnen verwachten: welke stappen gaat u nemen, wat het tijdspad is en hoe worden wij geïnformeerd.” Blijkens de brief van zorgaanbieder van 15 november 2018 is aan klaagster medegedeeld dat mevrouw [naam behandelend arts] vanaf 1 januari 2019 niet meer werkzaam zou zijn voor zorgaanbieder. Voorts is bij de brief van 15 november 2018 een rapportage van verbetermaatregelen gevoegd, zodat duidelijk is welke interventies hebben plaatsgevonden. Daarmee is voldaan aan de verwachting van klaagster ten aanzien van het aandacht geven van zorgaanbieder aan het functioneren van mevrouw [naam behandelend arts]. Door het beëindigen van de relatie heeft de zorgaanbieder geen invloed meer op het functioneren van mevrouw [naam behandelend arts].

Volgens artikel 21 van de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz) kan een geschil met een zorgaanbieder slechts ter beslechting aan de commissie worden voorgelegd, indien naar het oordeel van de klager zijn klacht in onvoldoende mate is weggenomen door de mededeling van de zorgaanbieder waarin met redenen omkleed is aangegeven tot welk oordeel het onderzoek van de klacht heeft geleid, welke beslissingen de zorgaanbieder over en naar aanleiding van de klacht heeft genomen en binnen welke termijn waartoe is besloten. Bedoelde mededeling is, aldus zorgaanbieder, vervat in de brief van zorgaanbieder van 15 november 2018. In de klachtbrief van maart 2020 wordt gesteld dat de aanleiding voor de klacht is de wijze waarop zorgaanbieder de klachten van klaagster zowel procedureel, inhoudelijk als op menselijk vlak heeft behandeld. Dit wordt verder niet uitgewerkt. Ook de brief van 21 februari 2020, waarin kritiek wordt geuit op het onderzoek door onafhankelijk zorgonderzoeker [naam onafhankelijke zorgonderzoeker] bevat geen concrete opmerkingen over de wijze waarop zorgaanbieder de klacht in voldoende mate had kunnen wegnemen als bedoeld in artikel 21 lid 1 sub b Wkkgz. In het vragenformulier van 13 april 2020 wordt ter toelichting waar het geschil betrekking op heeft door klaagster geschreven: “Het gaat niet over geld: door incompetentie en/of onwil is onze zoon mishandeld. Het feit dat we hem hier niet tegen hebben kunnen beschermen, zal altijd een nachtmerrie voor ons blijven. Hier moeten we me zien te leven.” De klacht is, aldus de zorgaanbieder door klagers niet inhoudelijk voldoende onderbouwd. Het had op de weg van klaagster gelegen om duidelijk te maken hoe en wanneer zorgaanbieder onjuist zou hebben gehandeld en dat vermeend onjuist handelen in voldoende mate kan worden weggenomen. Het is daardoor voor de zorgaanbieder niet goed mogelijk zich inhoudelijk te verweren. Dat klaagster het niet eens is met de conclusies van de zorgaanbieder maakt niet dat de klacht in onvoldoende mate is weggenomen. Bovendien roept het onderwerp van het geschil in het vragenformulier de vraag op of een uitspraak van de commissie aan de beantwoording daarvan kan bijdragen. De zorgaanbieder is van mening dat zij de door klaagster ingediende klacht van 20 augustus 2018, ondanks de opgetreden vertraging en onjuiste doorverwijzing naar de stichting DOKh, waarvoor zij haar verontschuldigingen heeft aangeboden, correct heeft opgepakt en naar aanleiding daarvan gepaste verbetermaatregelen heeft genomen en ingevoerd. De zorgaanbieder herhaalt dat ook de arbeidsrelatie met de arts, mevrouw [naam behandelend arts], inmiddels is beëindigd. De zorgaanbieder verzoekt derhalve de commissie om klaagster in haar klacht niet ontvankelijk te verklaren althans deze ongegrond te verklaren.

In het nagekomen verweer heeft de zorgaanbieder erkend dat de behandeling van de klacht niet binnen de wettelijke termijnen heeft plaatsgevonden. De zorgaanbieder biedt hiervoor haar excuses aan.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder heeft in haar verweer, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 21 sub b van de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz), gesteld dat de klaagster geen redelijk belang meer heeft bij de behandeling van de klacht, voorzover deze betrekking heeft op het handelen van de arts. De zorgaanbieder stelt dat op verzoek van klaagster en haar echtgenoot reeds maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van dergelijke nieuwe situaties in de toekomst. Zo zijn er verbetermaatregelen getroffen, is het dienstverband met de betrokken arts beëindigd en heeft een onafhankelijk onderzoeker de klacht nader onderzocht.

De zorgaanbieder heeft de commissie verzocht klaagster gelet hierop niet ontvankelijk te verklaren.

De commissie heeft in haar voorbeslissing de dato 7 augustus 2020 hier geen oordeel over gegeven maar heeft de beslissing aangehouden tot de inhoudelijke behandeling van het geschil.

De commissie zal hierover thans een oordeel over geven.

Ingevolge artikel 21 Wkkgz kan een geschil met een zorgaanbieder schriftelijk ter beslechting aan de geschilleninstantie worden voorgelegd door een cliënt, een nabestaande van een overleden cliënt dan wel een vertegenwoordiger van de cliënt, indien:
a. is gehandeld in strijd met §1 (effectieve en laagdrempelige geschillenbehandeling);
b. de mededeling, bedoeld in 17, eerste lid, diens klacht naar zijn oordeel in onvoldoende mate wegneemt;
c. van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht over een hem betreffende gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening bij de zorgaanbieder indient.

Klaagster heeft op 20 augustus 2018 een klacht ingediend bij de zorgaanbieder. Deze klacht is, naar het oordeel van de commissie, niet conform de eisen die in §1 (effectieve en laagdrempelige geschillenbehandeling) zijn beschreven behandeld. Zo heeft de zorgaanbieder erkend dat de klaagster voor haar klacht door de zorgaanbieder naar een verkeerd klachtenloket is gestuurd. Voorts zijn de termijnen niet in acht genomen en heeft terzake van de ingediende klachten onvoldoende hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Naar het oordeel van de commissie kan klaagster reeds hierom haar klachten aan de commissie voorleggen en dient het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder te worden verworpen.

Namens de zorgaanbieder is voorts aangevoerd dat klaagster haar klachten niet voldoende heeft onderbouwd en om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De klachten van klaagster zien op het (medisch) handelen van de behandelend arts [naam behandelend arts]. De arts zou afspraken niet zijn nagekomen, er zou sprake zijn van tekortkomingen met betrekking tot medicijnafgifte en terzake het niet doorverwijzen naar specialisten (uroloog/neuroloog) hetgeen heeft geresulteerd in een spoedopname van cliënt in het ziekenhuis. Tenslotte zou er sprake zijn van onvoldoende communicatie tussen deze arts en de ouders van cliënt (klaagster en haar man).

Naar het oordeel van de commissie heeft klaagster haar klachten in haar klachtbrief van 20 augustus 2018 en in de toelichting op de klacht die zij aan de commissie heeft voorgelegd voldoende onderbouwd. Dat de klachten voor de zorgaanbieder ook duidelijk waren blijkt uit het feit dat de zorgaanbieder naar aanleiding van deze klachten, naar eigen zeggen, een deskundigenonderzoek heeft laten uitvoeren. De commissie verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder ook op dit punt.

Namens de zorgaanbieder is ook aangevoerd dat de klachten in voldoende mate zijn weggenomen door de zorgaanbieder.
De zorgaanbieder heeft in dit verband verwezen naar de brief aan klaagster van 15 november 2018 waarbij een rapportage van verbetermaatregelen was gevoegd, zodat het voor klaagster duidelijk was welke interventies hebben plaatsgevonden. Daarmee is volgens de zorgaanbieder voldaan aan de verwachting van klaagster ten aanzien van het aandacht geven van de zorgaanbieder aan het functioneren van de behandelend arts [naam behandelend arts]. Door het beëindigen van de werkrelatie heeft de zorgaanbieder geen invloed meer op het functioneren van haar als arts in de toekomst.

Naar het oordeel van de commissie kan met het enkele verwijzen naar maatregelen die genomen zijn en het beëindigen van het dienstverband van de arts niet worden volgehouden dat de zorgaanbieder daarmee ook de klachten in voldoende mate heeft weggenomen. Daarbij overweegt de commissie dat in het hele klachtentraject onvoldoende hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. Uit de briefwisseling die door klaagster is overgelegd blijkt dat de zorgaanbieder een gesprek met klaagster wilde om vast te stellen welke vragen er speelden en om de verwachtingen vast te stellen. In het gesprek dat uiteindelijk heeft plaatsgevonden heeft, zo leest de commissie uit het gespreksverslag, de zorgaanbieder aangegeven zich niet inhoudelijk te willen uitlaten over het (medisch) handelen van de arts en klaagster hiervoor doorverwezen naar een verkeerd klachtenloket. Bij het onderzoek dat in opdracht van de zorgaanbieder door een deskundige is uitgevoerd, is gebruik gemaakt van het medisch dossier van cliënt. Klaagster heeft weliswaar een concept van het rapport van de deskundige mogen inzien maar uit geen enkel stuk blijkt dat de deskundige voor het opstellen van het rapport klaagster heeft gehoord. Nu dit voor de commissie een belangrijk onderdeel van het rapport zou moeten zijn, zet zij vraagtekens bij de kwaliteit van dit rapport. De commissie verwerpt dan ook het verweer van de zorgaanbieder dat de klachten in voldoende mate zijn weggenomen. Daarbij merkt de commissie op dat in de stukken die namens de zorgaanbieder zijn ingebracht op geen enkele wijze inhoudelijk wordt ingegaan op de aard van de genomen maatregelen.

Gezien het vorenstaande verwerpt de commissie alle niet-ontvankelijkheidsverweren voor zover deze nog niet waren verworpen in de voorbeslissing van de commissie dd. 7 augustus 2020.

Inhoudelijk oordeel van de klachtonderdelen
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Alles overziende is de commissie gelet op alle door partijen ingebrachte stukken van oordeel dat de behandelend arts, werkende onder verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, niet die zorg heeft verleend die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben verleend. Zo blijkt uit de rapportage van de aangestelde deskundige dat er tijdens de behandeling van cliënt tekortkomingen zijn geweest met betrekking tot communicatie (onvoldoende en niet gestructureerd), de medische verslaglegging (ontbreekt op punten), de medicatietoediening en het inschakelen van derden-deskundigen, met name uroloog.

De commissie is van oordeel dat de klacht met betrekking tot het handelen van de arts gegrond is.

Klaagster heeft voorts geklaagd over de wijze waarop haar klachten door de zorgaanbieder zijn behandeld. De commissie heeft uit de stukken vastgesteld dat de zorgaanbieder heeft erkend dat de termijn van de klachtenbehandeling is overschreden en dat klaagster ten onrechte naar de klachtencommissie van de stichting DOKh is verwezen.
De zorgaanbieder heeft in de klachtenprocedure geen klachtenfunctionaris, zoals verwoord in artikel 15 Wkggz, aangesteld die onafhankelijk van partijen een voor beide partijen mogelijke oplossing zou kunnen onderzoeken.
Zoals de commissie in het vorenstaande reeds heeft overwogen is zij van oordeel dat de klachtbehandeling ook inhoudelijk onzorgvuldig is geweest. Er is onvoldoende sprake geweest van een hoor- en wederhoor. Het rapport van de deskundige is opgesteld op basis van het medisch dossier zonder dat klaagster en haar man de gelegenheid hebben gehad om vooraf de klachten nader toe te lichten terwijl wel de betrokken arts en verpleegkundigen zijn gehoord. Illustratief voor de commissie is de beoordeling door de deskundige over het klachtonderdeel van klaagster en haar man over de behandeling van de urineweg problemen van cliënt. Die klacht is concreet verwoord en ook begrijpelijk onderbouwd. In de rapportage wordt hier slechts marginaal op gereageerd. Bij een gerichte betrokkenheid van de ouders tijdens het onderzoek door de deskundige zou daarover waarschijnlijk meer en diepgaander gerapporteerd zijn.

De commissie is van oordeel dat de klachten over de behandeling van de klachten gegrond zijn.

Tenslotte heeft klaagster geklaagd over het verlenen van inzage in het medisch dossier van cliënt aan de deskundige zonder toestemming van de ouders. Als reden voor het niet verlenen van deze toestemming heeft klaagster aangevoerd dat de deskundige in een gesprek in oktober 2018 heeft verklaard geen inhoudelijk onderzoek te kunnen verrichten naar het medisch handelen van de arts.
De commissie is van oordeel dat voor het verrichten van een onafhankelijk onderzoek naar de medische behandeling van een arts jegens een patiënt (cliënt) het voor een deskundige noodzakelijk is dat hij onder verklaring van geheimhouding inzage krijgt in het betreffende medisch dossier. Weliswaar heerste in oktober 2018 de opvatting dat de zorgaanbieder niet over de klacht kon oordelen maar in 2019 bij het aanstellen van de deskundige was deze opvatting verlaten en heeft de deskundige wel degelijk opdracht gekregen om het handelen van de betrokken arts te onderzoeken. De commissie is van oordeel dat klaagster over de inzage in het medisch dossier diende te worden geïnformeerd maar dat haar toestemming in het belang van het onderzoek naar haar klachten niet noodzakelijk was. De commissie verklaart deze klacht niet gegrond.

Nu de klachten van de klaagster overwegend gegrond worden verklaard, zal de commissie – overeenkomstig het reglement van de commissie – de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld van € 52,50 dat klaagster aan de commissie heeft voldaan voor de behandeling van dit geschil.

De commissie zal aldus beslissen.

Beslissing
De commissie:

– verklaart klaagster ontvankelijk in haar klachten;
– verklaart de klachten over het medisch handelen en de klachtenafhandeling gegrond;
– verklaart de klacht met betrekking tot inzage in het medisch dossier door de deskundige ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder aan de klaagster een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst het meer of anders verzochte af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 6 oktober 2020.