Klager ontneemt zorgaanbieder kans om vragen over dwangverpleging en dwangmedicatie te beantwoorden

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 48857/58388

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Volgens de klager heeft de zorgaanbieder bij de cliënte, die was opgenomen voor verwardheid, onnodig en zonder overleg dwangmiddelen en dwangmedicatie gebruikt. Daarnaast is er tijdens een worsteling met het personeel van de zorgaanbieder een borstprothese lek geraakt bij de cliënte en werd zij als een soort proefkonijn behandeld door allerlei soorten testen uit te voeren zonder hierover te overleggen. Uiteindelijk heeft de klager de cliënte zonder overleg mee naar huisgenomen. De zorgaanbieder stelt dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, omdat hij niet eerst naar de klachtencommissie van het ziekenhuis is gegaan. Daarnaast werd de cliënte opgenomen als nieuwe patiënte waarvan de (medische) voorgeschiedenis niet bekend was. Omdat de klachten veel oorzaken konden hebben heeft uitgebreid onderzoek en overleg plaatsgevonden. Uit het EPD blijkt dat er meerdere gesprekken zijn geweest over de dwangverpleging en -medicatie. De commissie oordeelt dat veel van de vragen van de klager hadden kunnen worden beantwoord in het ontslaggesprek dat nooit heeft plaatsgevonden omdat de klager de cliënte zonder overleg mee naar huis heeft genomen. Daarna heeft de klager gesprekken geweigerd en hiermee de kans ontnomen om vragen te beantwoorden. De zorgaanbieder heeft zorgvuldig gehandeld en de klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Klager], partner/vertegenwoordiger van [cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Stichting HagaZiekenhuis, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2021 te Utrecht.

Klager is ter zitting verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam], neuroloog en [naam], jurist.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van zorg voor de cliënte. Klager verwijt de zorgaanbieder het gebruik van dwangmiddelen en het voorschrijven van dwangmedicatie zonder vooroverleg en zonder rekening te houden met de voorgeschiedenis van de cliënte.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte is van 8 oktober 2019 tot 18 oktober 2019 vanwege verwardheid op de afdeling neurologie van de zorgaanbieder opgenomen geweest. Aanvankelijk werd gedacht aan een hersenontsteking en werd een infuus ingebracht. Enkele dagen later veranderde de diagnose kennelijk en opeens moesten de bedhekken omhoog en werd klager telefonisch gevraagd om toestemming te verlenen om de cliënte te mogen vastbinden. Klager heeft dat geweigerd. Naar zijn mening zat de zorgaanbieder op het verkeerde spoor.
Bij aankomst op de afdeling werd klager weer om toestemming gevraagd om de cliënte met Zweedse banden te mogen vastbinden om een infuus in te brengen dat de cliënte eruit had getrokken. Klager heeft zich toen onder druk gezet gevoeld om toch die toestemming te verlenen maar het vastbinden van de cliënte bleef uit. Een anesthesie-medewerker kon het infuus zonder problemen inbrengen. De Zweedse banden bleven echter in een hoek van de kamer liggen als een soort “zwaard van Damocles” wat bij de cliënte erg veel angst en onrust veroorzaakte. In haar jeugd werd zij namelijk door haar vader opgesloten en vastgebonden. Klager stelt dat het (dreigen met het) gebruik van de banden volstrekt onnodig en beangstigend was. De cliënte werkte vrijwillig mee, ook na de vraag: “Blijf nog even, we willen nog wat testjes doen“, die zich enkele dagen achter elkaar herhaalde. Klager had de indruk dat de toestemmingsverklaring die hij had ondertekend een vrijbrief was om de cliënte aan alle mogelijke testen en onderzoeken te onderwerpen. De cliënte voelde zich een proefkonijn. Wat voor testjes er werden gedaan werd niet uitgelegd of toegelicht. Klager was bang dat de artsen een epileptisch insult wilden opwekken.
Een andere dag bleek de borstprothese van de cliënte te zijn lekgeraakt. Het verplegend personeel liet aan klager weten dat dit was gebeurd tijdens een “worsteling” met de cliënte. De cliënte en klager hadden inmiddels alle vertrouwen in de zorgverleners verloren. Klager heeft de cliënte op 18 oktober 2019 dan ook zonder overleg meegenomen naar huis.
Thuis kreeg de cliënte onbekende bijverschijnselen van de medicatie die zij in het ziekenhuis niet had. De huisarts liet de cliënte weten dat zij nog steeds welkom was in het ziekenhuis van de zorgaanbieder maar de cliënte had daar geen vertrouwen meer in. Volgens de huisarts was de medicatie dezelfde als die de cliënte van de zorgaanbieder had ontvangen. De cliënte heeft haar medische dossier bij de zorgaanbieder opgevraagd en daaruit bleek dat er tijdens haar opname was gestart met dwangmedicatie (Haldol en Lorazepam). Klager en de cliënte waren hierover niet geïnformeerd. Klager verklaart de vreemde bijverschijnselen na thuiskomst als ontwenningsverschijnselen van de medicatie die zij van de zorgaanbieder had ontvangen. De cliënte had hierover moeten worden geïnformeerd.

Klager verwijt de zorgaanbieder het onnodig en zonder overleg gebruiken van dwangmiddelen en dwangmedicatie. Daarnaast verwijt hij de zorgaanbieder geen reactie te hebben gegeven op zijn klacht.

Wegens een gebrek aan vertrouwen heeft klager uitnodigingen om in gesprek te gaan met de zorgaanbieder niet geaccepteerd en het geschil voorgelegd aan de commissie.

Standpunt van de zorgaanbieder
De zorgaanbieder stelt zich vooraf en primair op het standpunt dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht aangezien hij de stap naar de Klachtencommissie van het ziekenhuis heeft overgeslagen.
Subsidiair is de zorgaanbieder van mening dat de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond dient te worden verklaard.

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en hetgeen de neuroloog ter zitting naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte werd op 8 oktober 2019 opgenomen met een enorme verwardheid na een epileptisch insult. Zij was voor de zorgaanbieder een onbekende patiënte en er waren grote zorgen over haar gezondheid. De (medische) voorgeschiedenis van de cliënte (het bestaan van angsten als gevolg van een jeugdtrauma) was de zorgaanbieder op dat moment niet bekend. De klachten van de cliënte konden duiden op een breed spectrum aan oorzaken. Eerst werd gedacht aan een hersenontsteking, maar die kon worden uitgesloten. Vervolgens werd gedacht aan een auto immuunziekte; een soort reuma van de hersenen. In het team van artsen en verpleegkundigen werd steeds over de gezondheid van de cliënte en de in te stellen behandeling gesproken. De neuroloog merkt op dat het jammer is dat hij en klager elkaar destijds niet hebben gesproken. Als de behandelend artsen op dat moment op de hoogte waren gebracht van de jeugdtrauma’s van de cliënte hadden de Zweedse banden uiteraard uit haar zicht kunnen worden neergelegd.
De neuroloog was niet op de hoogte van de vragen die er bij klager en de cliënte speelden. Op 18 oktober 2019 is de opname van de cliënte plotseling en zonder overleg of eindgesprek geëindigd. Pas door de klachtbrief van een jaar later werd de neuroloog op de vragen geattendeerd. De neuroloog heeft klager en de cliënte toen uitgenodigd voor een gesprek maar dat gesprek heeft niet plaatsgevonden. De neuroloog waardeert het zeer dat hij en klager nu ter zitting de gelegenheid krijgen elkaar te spreken. De neuroloog hoopt dat hiermee de al twee jaar levende vragen bij klager kunnen worden beantwoord.

Op 11 oktober 2019 werd vastgesteld dat de cliënte vanwege haar ernstige verwardheid wilsonbekwaam was. Zij was niet in staat om voor zichzelf op te komen en de kans dat zij zichzelf zou kunnen beschadigen werd hoog ingeschat. Om de cliënte zo nodig tegen zichzelf te kunnen beschermen werd vooraf de toestemming tot het gebruik van dwangmiddelen gevraagd. Door de zorgaanbieder wordt dan een strikt protocol gevolgd en aan de wettelijke vertegenwoordiger (klager) wordt vervangende toestemming gevraagd voor de te volgen behandelingen. In het Elektronische patiëntendossier (EPD) van die dag is opgenomen: “Wegens wanen, hallucinaties en acute toename verwardheid uitgebreid met partner en patiënte gesproken. Partner akkoord met dwangverpleging en dwangmedicatie” en vervolgens: “Dwangmedicatie afgestemd met partner”. Gelukkig was het uiteindelijk niet nodig die middelen bij de behandeling van de cliënte toe te passen. Uit het EPD blijkt dat er zeven contactmomenten zijn geweest tussen klager en de behandelend artsen. De neuroloog betreurt het dat klager desondanks het gevoel heeft gehad onvoldoende te zijn voorgelicht over de behandeling van de cliënte en onvoldoende de gelegenheid heeft gevoeld om vragen over de behandeling van zijn partner te stellen.

Na de abrupte beëindiging van de opname van de cliënte op 18 oktober 2019 heeft de neuroloog direct contact opgenomen met de huisarts van de cliënte omdat er nog steeds ernstige zorgen bestonden omtrent haar gezondheid en zij medische begeleiding nodig had. Op dat moment was de dwangmedicatie afgebouwd zodat die niet meer in het online dossier was terug te vinden. Wel diende de cliënte het middel Depakine gedurende langere tijd te gebruiken. Een vaak gehoorde klacht is dat de werking en bijwerkingen van Depakine van verschillende fabrikanten kunnen verschillen. In overleg tussen de patiënt en de voorschrijvend arts kan dan voor een andere variant of dosis worden gekozen. Ter toelichting op het medicatiebeleid vermeldt de neuroloog nog dat tijdens een actief ziekteproces, zoals dat van de cliënte, de medicatie iedere dag moet worden getoetst en gewogen en zo nodig bijgesteld. Wellicht is er daardoor onduidelijkheid over de medicatie tussen de huisarts en de zorgaanbieder ontstaan.

Ten aanzien van de klacht van klager dat de zorgaanbieder niet zou hebben gereageerd op zijn klacht merkt de zorgaanbieder op dat de klachtenfunctionaris direct na de ontvangst van de klacht van 3 augustus 2020 telefonisch contact heeft opgenomen met klager. Zij stelde voor een gesprek te organiseren tussen klager en de zorgaanbieder maar klager heeft aangegeven uitsluitend een schriftelijke reactie te willen ontvangen. Op 19 augustus 2020 heeft de klachtenfunctionaris klager laten weten dat klager na zes weken een reactie zou ontvangen. Op 21 september 2020 heeft de neuroloog de vragen van klager schriftelijk beantwoord. Uit de reactie van klager heeft de zorgaanbieder begrepen dat klager die reactie pas op 30 september 2020 heeft ontvangen op welk moment klager de geschilprocedure al had gestart.

Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van het door de zorgaanbieder opgeworpen ontvankelijkheidsverweer merkt de voorzitter ter zitting op dat in zijn algemeenheid het doorlopen van de interne klachtprocedure van de zorgaanbieder niet altijd een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van een klacht. In het onderhavige geval heeft de klager de klacht gemeld en ingediend bij de zorgaanbieder en de zorgaanbieder heeft daar middels een brief van de neuroloog op gereageerd. De zorgaanbieder was derhalve op de hoogte van de klacht en heeft zelf gekozen voor een afhandeling van de klacht buiten de interne klachtenprocedure om. Om vervolgens om deze reden een niet-ontvankelijkheidsverweer te voeren mist dan ook doel. De commissie verklaart klager ontvankelijk in zijn klacht.

De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht in de behandeling van de cliënte. De commissie heeft daarbij het volgende overwogen.

De cliënte is van 8 oktober 2019 tot 18 oktober 2019 opgenomen geweest op de neurologische afdeling van het ziekenhuis van de zorgaanbieder wegens ernstige klachten na een epileptisch insult.
De cliënte was niet eerder patiënt bij de zorgaanbieder. Vanwege de ernstige verwardheid van de cliënte en zorgen dat zij een gevaar zou kunnen zijn voor zichzelf, werd klager gevraagd de vereiste vervangende toestemming te verlenen voor de benodigde onderzoeken en behandelingen en het mogelijk toepassen van dwangmiddelen ter bescherming van de cliënte. De cliënte was op dat moment wilsonbekwaam, aldus de zorgaanbieder. Dit laatste kan de commissie billijken. Voor de stelling van klager dat hij door de behandelend artsen onder druk werd gezet om deze vervangende toestemming te verlenen heeft de commissie geen grond gevonden. Wel kan de commissie zich voorstellen dat klager de ernst van de gezondheidssituatie rondom zijn partner (de cliënte) en de medische noodzaak tot het verrichten van onderzoeken en het mogelijk toepassen van dwangmiddelen als emotionele druk heeft ervaren. Uit de stukken en het EPD is de commissie gebleken dat de zorgaanbieder juist en in het belang van de cliënte heeft gehandeld, het vereiste protocol heeft gevolgd en de cliënte en klager over de behandeling heeft geïnformeerd.
Uiteindelijk bleek het toepassen van dwangmiddelen niet nodig, zo begrijpt de commissie. Wel bleven de Zweedse banden in de kamer en in het zicht van de cliënte aanwezig om zo nodig te kunnen worden gebruikt. De zorgaanbieder was echter op dat moment niet op de hoogte en kon ook niet op de hoogte zijn van de jeugdherinneringen die deze Zweedse banden mogelijk voor de cliënte zouden oproepen. Dit kan de zorgaanbieder niet worden verweten. Als de zorgaanbieder van de jeugdherinneringen zou hebben geweten zouden de Zweedse banden uit het zicht van de cliënte kunnen zijn opgeborgen zoals de zorgaanbieder zelf naar voren heeft gebracht.
Ten aanzien van de voorgeschreven (dwang)medicatie volgt de commissie de lezing van de zorgaanbieder dat die medicatie gedurende de opname van de cliënte telkens is aangepast en daardoor wellicht anders was dan het dossier van de huisarts liet zien.

De commissie is van oordeel dat veel van de vragen van klager hadden kunnen worden beantwoord bij het ontslaggesprek van de cliënte dat echter nooit heeft plaatsgevonden. Klager heeft de cliënte op 18 oktober 2019 immers zonder overleg met haar behandelaars uit het ziekenhuis meegenomen naar huis. Hoewel de commissie zich wel kan voorstellen dat klager hiermee uit bezorgdheid over de cliënte heeft willen handelen, kan de zorgaanbieder geen verwijt worden gemaakt van het abrupte einde van de opname en behandeling zonder eindgesprek. Pas een klein jaar later, namelijk in augustus 2020, heeft klager zijn klachten bij de zorgaanbieder gemeld. Ook toen heeft, ondanks de uitnodiging hiertoe door de zorgaanbieder, geen gesprek plaatsgevonden.
De commissie hoopt dat het gesprek tussen partijen dat ter zitting uiteindelijk heeft plaatsgevonden klager de verduidelijking heeft gegeven die hij gedurende de opname van zijn partner heeft gemist.

Resumerend is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van klager en de cliënte en heeft gehandeld zoals van een goed zorgverlener mag worden verwacht. De commissie verklaart de klacht ongegrond.

De klacht van klager dat de zorgaanbieder niet zou hebben gereageerd op zijn klacht verklaart de commissie eveneens ongegrond. Onweersproken is dat de (klachtenfunctionaris van de) zorgaanbieder meteen telefonisch heeft gereageerd op de klacht van klager en klager heeft uitgenodigd voor een gesprek. Klager heeft die uitnodiging niet aanvaard maar heeft een schriftelijke reactie gevraagd, die aan klager is verstrekt op of binnen de termijn van zes weken die de zorgaanbieder had aangekondigd.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers en mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 18 oktober 2021.