Klacht over niet behandelen duidelijk zichtbare en pijnlijke spatader

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: Behandelingsovereenkomst    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 116771/131958

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Cliënt is medio augustus en begin oktober 2020 door zorgaanbieder behandeld aan spataderen aan beide benen. Volgens cliënt is een duidelijk zichtbare en pijnlijke ader niet behandeld. Cliënt wilde hier een klacht over indienen bij de klachtfunctionaris, maar een tijdige reactie bleef uit. Cliënt vordert € 1500,-. Zorgaanbieder betwist onzorgvuldig te hebben gehandeld. De betreffende spatader zou niet vergoed worden en zorgaanbieder stelt de spatader daarom niet behandeld te hebben. De commissie oordeelt dat de spatader niet onder de door de verzekeraar verzekerde zorg viel en derhalve niet onder de behandelingsovereenkomst. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder de ingreep lege artis heeft uitgevoerd. De klacht over de medische behandeling wordt ongegrond verklaard. De klacht over een niet tijdige reactie van de klachtenfunctionaris verklaart de commissie gegrond. Een beroep op overmacht gaat hier niet op. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Mauritskliniek Den Haag B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2022 te Den Haag.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten uiteen gezet.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd [naam], fleboloog, en bijgestaan door [naam],
VvAA-rechtsbijstand.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de behandeling van spataderen.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft zich jegens cliënt onttrokken aan een goede voorlichting en een volledige zorgplicht. Begin augustus 2020 heeft cliënt een intake gesprek gehad voor een ingreep wegens spataderen aan beide benen. Deze zijn medio augustus en begin oktober 2020 behandeld.
Eind oktober 2020 heeft cliënt tijdens de door hemzelf aangevraagde nacontrole gemeld dat een duidelijke zichtbare en pijnlijke ader niet behandeld is. Dit geheel tegen de gewekte verwachting in. Alle zichtbare en pijnlijke aderen zouden worden behandeld. Als reactie kreeg hij van de behandelend arts te horen dat de ader niet in het behandelplan zat en dat de ader niet onder de vergoede zorg viel. De genoemde ader kon wel behandeld worden tegen vergoeding. Hierop heeft cliënt laten weten het niet eens te zijn met deze plotselinge wending in de gang van zaken. Dit was voor hem aanleiding een klacht in te dienen volgens de klachtenregeling van de zorgaanbieder. De behandeling van deze klacht heeft veel tijd gekost wegens het uitblijven van een tijdige reactie. Pas op 27 mei 2021 heeft zijn klacht uiteindelijk geleid tot een gesprek met de hoofd fleboloog, de chirurg en de medewerker klachtenregeling van de zorgaanbieder. Uitkomst van het gesprek was dat het allemaal niet aan de kliniek lag en dat zij cliënt niet tegemoet wensten te komen.

Cliënt vordert van de Zorgaanbieder € 1500,– om het geschil op te lossen. Dit jaar heeft hij zich vanwege aanhoudende pijn elders moeten laten opereren. Daardoor moesten zelfs beide benen opnieuw worden behandeld en kwam cliënt opnieuw in de ziektewet. Daarnaast heeft hij zijn eigen risico van de zorgverzekering moeten betalen. Dit alles was niet nodig geweest als de zorgaanbieder zich aan zijn afspraken had gehouden.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt had verwacht dat de spatader die uiteindelijk elders is behandeld door zorgaanbieder op
1 oktober 2020 zou worden behandeld, waardoor hij de met de later uitgevoerde behandeling gepaard gaande kosten niet had hoeven maken. Door de zorgaanbieder wordt echter betwist dat zij cliënt zou hebben geïnformeerd dat de ader waarover cliënt klaagt, zou worden behandeld. De zorgaanbieder heeft de behandeling die zou bestaan uit een ESCT-behandeling van de spataderen van het linker bovenbeen en een ELVES behandeling van de VSM in het linker onderbeen van cliënt vooraf besproken met cliënt, waarna hij hiermee heeft ingestemd. De vooraf besproken behandeling is ook door de zorgaanbieder uitgevoerd.

De zorgaanbieder betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, laat staan dat sprake is van onzorgvuldig handelen dat tot schade bij cliënt heeft geleid. Nu cliënt niet heeft aangetoond dat sprake is van onzorgvuldig handelen, is er geen grond voor vergoeding van schade, die overigens niet nader is onderbouwd. Nog daargelaten dat de zorgaanbieder meent dat zij zorgvuldig heeft gehandeld, wordt het causaal verband tussen het gestelde onzorgvuldig handelen en de gestelde schade ook door zorgaanbieder betwist.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor de ingreep van 1 oktober 2020 heeft cliënt met de behandelaar onder meer gesproken over een pijnlijke spatader. Cliënt heeft gesteld dat is afgesproken dat deze spatader bij de behandeling zou worden meegenomen. Het was voor hem een volslagen verassing dat de spatader niet was meegenomen omdat het om niet-vergoede zorg zou gaan. Daar is vooraf niet over gesproken. Hij heeft zich tot een andere kliniek gewend, die deze spatader wel heeft behandeld. Deze behandeling viel onder verzekerde zorg.

Ter zitting heeft de behandelaar aangegeven dat haar behandeling uitsluitend betrekking had op de spataderen, die vallen onder de door de verzekeraar vergoede zorg. De ader waar cliënt last van had kon niet behandeld worden omdat deze behandeling niet viel onder de verzekerde zorg. De behandelaar heeft met de ingreep geprobeerd om de oorzaak, de lekkende spatader in het onderbeen, van de spatader aan te pakken zodat de klachten zouden afnemen.

De commissie overweegt voorts als volgt.

Cliënt is circa 11 jaar onder behandeling geweest bij de zorgaanbieder. Cliënt is in deze periode meermalen gewezen op de behandelingen die vallen onder zorg die wordt vergoed door de verzekeraar en zorg die niet wordt vergoed. Cliënt is in deze periode uitsluitend behandeld op basis van verzekerde zorg.

De behandelingsovereenkomst die cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan voor de ingreep van
1 oktober 2020 betrof uitsluitend een behandeling op basis van verzekerde zorg.
Cliënt heeft ter zitting aangegeven dat na de behandeling bleek dat een zijtak niet is behandeld. Hij zag een zwarte streep en de ader zou pijnlijk zijn. De commissie is ambtshalve bekend met het feit dat behandelingen van een zijtak niet door de zorgverzekeraar worden vergoed en derhalve niet onder de behandelingsovereenkomst viel.

De commissie is van oordeel dat de behandelaar de ingreep lege artis heeft uitgevoerd. Voorafgaand aan de ingreep zijn twee duplexverslagen gemaakt zodat de behandelaar er zeker van was dat de juiste behandeling is uitgevoerd.
Ter zitting heeft klager aangewezen waar hij pijn had na de ingreep. De commissie is ambtshalve bekend dat het gebruikelijk is dat een behandelde spatader een tijdje pijnlijk blijft. Opvallend in dit verband is echter dat cliënt ter zitting voor de pijnklachten niet het bloedvat heeft aangewezen dat onderwerp van zijn klacht is. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de klachten door het verminderen van de druk op het bloedvat verholpen, al is er nog wel een zijtak zichtbaar.

Cliënt heeft gesteld dat hij zich, vanwege de pijn die hij nog in de ader voelde, heeft gewend tot een andere kliniek, die alsnog de ader heeft behandeld. Uit de door cliënt overgelegde stukken van deze kliniek maakt de commissie echter op dat de behandeling die cliënt alsnog heeft laten uitvoeren niet de gewraakte spatader betrof maar een ander gebied en wel de spataderen op de kuit.

Gezien al het vorenstaande is de commissie van oordeel dat de klacht over de medische behandeling ongegrond dient te worden verklaard.

Cliënt heeft gesteld dat de klachtenprocedure bij de zorgaanbieder erg lang heeft geduurd. De zorgaanbieder heeft erkend dat de klacht niet direct is opgepakt, aangezien er sprake was van een overmachtssituatie doordat meerdere klachtenfunctionarissen na elkaar zijn uitgevallen.
De commissie is van oordeel dat dit beroep van de zorgaanbieder op overmacht niet opgaat. Er was geen sprake van omstandigheden van buitenaf nu de klachtenfunctionarissen in dienst waren van de zorgaanbieder. Bovendien heeft naar het oordeel van de commissie het eenzijdig door de zorgaanbieder verbreken van de behandelingsovereenkomst een meer voortvarende klachtenafhandeling in de weg gestaan. Dit klachtonderdeel acht de commissie dan ook gegrond.

De cliënt heeft een schadevergoeding gevorderd van € 1500,–.
Vooropgesteld wordt dat voor de aansprakelijkheid van de zorgaanbieder vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht (causaal verband).

Nu de zorgaanbieder niet tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst en de gevorderde schadevergoeding niet ziet op de duur van de klachtenprocedure zal de vordering tot schadevergoeding als ongegrond worden afgewezen.

Daar de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 20 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door hem betaalde klachtengeld voor de behandeling van dit geschil, zijnde een bedrag van € 52,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht over de duur van de klachtenprocedure gegrond;
– verklaart de klacht over de behandeling van spataderen ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van het klachtengeld ad € 52,50 aan cliënt.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw
mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, de heer dr. M.C. Mooij, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 13 oktober 2022.