Klacht heeft geen betrekking op individuele gezondheidszorg, commissie onbevoegd

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: onbevoegdverklaring   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 55000/73211

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klagers stellen dat de zorgaanbieder op het punt van het toelaten van bezoek aan de moeder van de klagers (cliënte) langdurig niet de zorg heeft aangeboden die veilig en cliëntgericht is. De klagers stellen dat het toezien op het bezoek van de cliënte een door de zorgaanbieder te beschermen belang van de cliënte is. De zorgaanbieder geeft aan dat de cliënte op een nieuw en geheim adres woont. De klagers doelen op een theoretisch scenario en de zorgaanbieder vindt dan ook dat de klagers geen belang hebben bij de procedure. De commissie stelt dat aangezien de cliënte zelfstandig woont in een eigen door de zorgaanbieder ter beschikking gesteld appartement, zij zelf de regie kan voeren over haar bezoek. De commissie oordeelt dat het toezien op het bezoek niet behoort tot de taken die de zorgaanbieder moet uitvoeren op grond van de zorgovereenkomst. De ingediende klacht gaat niet om een gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening. Volgens het reglement moet een klacht daar betrekking op hebben. De commissie niet bevoegd om over de klacht te oordelen.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Klager], wonende te [woonplaats], en
[Klager], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klagers)

en

Stichting Sint Jacobs Gasthuis (locatie Jacobs Gasthuis), gevestigd te Schiedam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden beoordeeld of de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) bevoegd is om het geschil te behandelen.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021 te Den Haag.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
Door middel van een vragenformulier hebben klagers een geschil aanhangig gemaakt tegen de zorgaanbieder. In het verweer heeft de zorgaanbieder zich op het standpunt gesteld dat klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht c.q. dat de commissie niet bevoegd is het geschil te behandelen.

Standpunt van klagers
Voor het standpunt van klagers verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft op het punt van het toelaten van bezoek van de zus van klagers aan de moeder van klagers (hierna te noemen: de cliënte) langdurig niet de zorg aangeboden die veilig en cliëntgericht is. De zorg is niet afgestemd op de reële behoeften van de cliënte. De zorgaanbieder heeft niet de rechten van de cliënte zorgvuldig in acht genomen en heeft haar evenmin met respect behandeld.

Voorts beklagen klagers zich over de bejegening door de zorgaanbieder. Bij de behandeling van verzoeken, vragen en klachten over het bezoekbeleid heeft de zorgaanbieder onzorgvuldig en onbehoorlijk gehandeld.

Hoewel de cliënte niet meer bij de zorgaanbieder verblijft, willen klagers hun klacht doorzetten. Los van de belangen van hun moeder blijft volgens hen gelden dat ook andere cliënten beschermd moeten worden. Klagers beogen dat er bij de zorgaanbieder meer duidelijkheid komt over bezoek en privacy, dat er verbetering komt in de afhandelingsprocedure, en – ook als het spannend wordt – meer oog voor belangen van cliënten.

Klagers betwisten dat de commissie de zaak niet zou mogen behandelen. Dit geldt volgens hen in elk geval voor hun klacht met betrekking tot de bejegening van klagers door de zorgaanbieder, omdat de zorgaanbieder daartegen geen niet-ontvankelijkheidsverweer heeft gevoerd.

Met betrekking tot de eerste klacht zijn klagers van mening dat het in deze kwestie niet gaat om een ruzie tussen de kinderen van de cliënte waarmee de zorgaanbieder niets te maken heeft; het conflict speelt tussen de zorgaanbieder en de cliënte, waarbij de zorgaanbieder verplichtingen niet is nagekomen.

Volgens klagers gaat het in deze procedure hoe dan ook om een relevant en te respecteren belang: een hoogbejaarde voelt zich niet veilig en heeft zich genoodzaakt gevoeld het verzorgingshuis te ontvluchten. Klagers menen dat het feit dat de cliënte inmiddels is verhuisd en dat de nieuwe (geheime) woonsituatie niet is gepreciseerd en geconcretiseerd, niet tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden. Immers, op ieder moment kan zich opnieuw de situatie voordoen dat de zus van klagers of één van haar kinderen het nieuwe adres achterhaalt en dan is het van onmiddellijk belang om vanaf het begin te weten welke verantwoordelijkheid die zorginstelling al dan niet heeft. Verweerder maakt niet duidelijk, waarom dit reële gevaar zodanig “theoretisch” zou zijn dat de commissie het buiten beschouwing moet laten.

Het argument van de zorgaanbieder dat de commissie niet is bedoeld om jurisprudentie te produceren, is naar de mening van klagers onjuist. Niet voor niets publiceert de commissie haar uitspraken. Dat helpt om toekomstige geschillen te voorkomen, of minnelijk op te lossen.
Het gaat klagers erom dat andere bewoners nu en in de toekomst niet de inbreuken op privacy, woonrecht en veiligheidsgevoel hoeven mee te maken die de cliënte wel hebben getroffen.
Voor zover de zorgaanbieder wil zeggen dat de commissie onbevoegd is te oordelen over het beleid van de zorgaanbieder, is dat volgens klagers onjuist.

Klagers verzoeken de commissie om zich bevoegd te verklaren en om hen ontvankelijk te verklaren in hun klacht.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klagers stellen dat niet moet worden uitgesloten dat zich bij de nieuwe zorgaanbieder in theorie een identieke situatie kan gaan voordoen als het nieuwe geheime adres van de moeder van klagers uitlekt. De zorgaanbieder begrijpt die opmerking aldus dat daarmee wordt gedoeld op het toelaten van door de cliënte niet gewenst bezoek van de zus van klagers. Verder stellen klagers dat het uitdrukkelijk ook een doel van hun klacht is dat in toekomstige gevallen andere bewoners beter behandeld zullen worden.

De zorgaanbieder meent dat klagers eerst ontvankelijk zijn indien zij bij de behandeling van de ingediende klacht een relevant en te respecteren belang hebben. Als dat belang al aanwezig wordt geacht, moet het bovendien redelijk en opportuun zijn dat daarover door de commissie wordt geoordeeld in een procedure waarin de zorgaanbieder als beklaagde is betrokken. De cliënte woont op een nieuw geheim adres en zonder die woonsituatie nader te preciseren en concretiseren is het gestelde belang (eerste doel) wat de zorgaanbieder betreft onvoldoende bepaald, nog los van de omstandigheid dat deze procedure ten overstaan van de commissie geenszins is bedoeld om jurisprudentie te produceren over wat klagers zelf een theoretisch scenario noemen, namelijk dat zich in de toekomst een identieke situatie zal voordoen.
De zorgaanbieder meent voorts dat klagers evenmin een belang hebben bij deze procedure gelet op het door hen gestelde tweede doel, te weten dat andere bewoners in toekomstige gevallen beter zullen worden behandeld. Dat doel is zodanig ruim en algemeen geformuleerd dat de zorgaanbieder zich daartegen niet kan verweren noch daarop in redelijkheid kan reageren. Bovendien raakt het rechtstreeks aan het beleid dat de zorgaanbieder voert en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan overeenkomsten uit hoofde van de WLZ tegen de achtergrond van de in die wet en accessoire regelingen voorkomende bepalingen. Volgens de zorgaanbieder is deze procedure daarvoor niet bedoeld en heeft de commissie bovendien geen bevoegdheid ten aanzien van deze onderwerpen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de commissie bevoegd is de klacht van klagers inhoudelijk te beoordelen.

Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), die van toepassing is op – kort gezegd – het gebied van de individuele gezondheidszorg, moet elke zorgaanbieder sinds 1 januari 2017 zijn aangesloten bij een erkende geschilleninstantie, die is ingesteld door een of meer representatief te achten cliëntenorganisaties en door een of meer representatief te achten organisaties van zorgaanbieders. De zorgaanbieder is via haar brancheorganisatie Actiz aangesloten bij de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken, die voor de behandeling van klachten over de individuele gezondheidszorg onder meer de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg heeft ingesteld. Daarmee is ook het kader gegeven waarbinnen de commissie bevoegd is om over aan haar voorgelegde klachten te oordelen: klachten moeten betrekking hebben op de individuele gezondheidszorg.
Ook uit artikel 3 lid 2 sub c van het Reglement Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg d.d. 1 januari 2017 vloeit voort dat alleen een klacht kan worden ingediend door een cliënt betreffende gedragingen van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening.

De commissie stelt op basis van de door de klagers overgelegde stukken vast dat de cliënte zelfstandig woont in een eigen door de zorgaanbieder ter beschikking gesteld appartement met een eigen deur, deurbel en huisnummer en dat de cliënte dus – zoals de zorgaanbieder terecht stelt – zelf de regie kan voeren over haar bezoek. De commissie is van oordeel dat onder deze omstandigheden het toezien op het bezoek – waarvan klagers stellen dat dit een door de zorgaanbieder te beschermen belang van de cliënte betreft – niet behoort tot de taken die de zorgaanbieder moet uitvoeren op grond van de zorgovereenkomst en dat de ingediende klacht derhalve geen gedraging betreft van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening. De commissie is dan ook niet bevoegd om over deze klacht te oordelen. Met betrekking tot de klacht inzake de bejegening van de klagers door de zorgaanbieder in het kader van eerder bedoelde klacht geldt hetzelfde. De commissie is derhalve niet bevoegd om de klachten te behandelen.

Ten overvloede overweegt de commissie nog als volgt.
Op 5 november 2020 hebben klagers de klacht ingediend namens de cliënte.
De bij de commissie door klagers ingediende vragenformulieren vermelden onder 6: “Wanneer u als klant/cliënt een vertegenwoordiger heeft, dan verzoeken wij u een machtiging op te sturen waaruit blijkt dat u toestemming heeft gegeven dat de vertegenwoordiger namens u de procedure voert. Voegt u deze machtiging bij de stukken”.

De commissie heeft deze machtiging niet aangetroffen.

Klagers hebben wel een proces-verbaal overgelegd van een door een notaris met de cliënte gevoerd gesprek op 14 april 2021, ambtsedig opgemaakt bij akte van dezelfde datum.

Nog afgezien van het antwoord op de vraag of dit proces-verbaal als een toereikende volmacht kan worden aangemerkt op grond waarvan de klagers de onderhavige procedure namens de cliënte kunnen voeren stelt de commissie vast dat bedoeld proces-verbaal, met een datum ruimschoots ná de datum van indiening van de klacht, niet met terugwerkende kracht kan gelden als toestemming van de cliënte aan klagers om de onderhavige procedure namens haar te voeren. Naar het oordeel van de commissie kunnen klagers ook niet worden aangemerkt als vertegenwoordigers in de zin van de Wkkgz en artikel 1 van het reglement van de commissie.

Dit een en ander leidt tot de slotsom dat, zo de commissie al bevoegd zou zijn om over de klachten te oordelen, wat niet het geval is, de klagers in hun klachten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Gelet op het hiervoor overwogene wordt beslist als volgt.

Beslissing
De commissie verklaart zich niet bevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 27 mei 2021.