Klacht cliënt gaat over interne klachtenprocedure ziekenhuis; cliënt niet-ontvankelijk

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: bejegening    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 207396/215721

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klachten van cliënt betreffen (a) een onrechtmatige inzage in het patiëntendossier van cliënt, waardoor kennis over cliënt is terecht gekomen bij degene die op dat moment arbeidsrechtelijke stappen tegen cliënt ondernam, (b) de doorlooptijd van de interne klachtenprocedure, (c) de uitspraak van de klachtencommissie waarin geschilpunten niet zijn beoordeeld en (d) het handelen van de Raad van Bestuur.
De commissie verklaart cliënt niet-ontvankelijk in zijn klachten, omdat deze klachten niet zien op de uitvoering van de zorgovereenkomst in de zin van artikel 3 van het reglement van de commissie én omdat cliënt geen redelijk belang heeft bij een uitspraak (artikel 5, lid 1, sub f, van voornoemd reglement), aangezien de zorgaanbieder opvolging heeft gegeven aan de door de klachtencommissie gegronde klacht.

De uitspraak

In het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: cliënt)

en

Albert Schweitzer ziekenhuis, locatie Dordwijk, gevestigd te Dordrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 25 augustus te Den Haag.

Cliënt was ter zitting vergezeld van zijn echtgenote, mevrouw [naam]. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door de heer [naam], lid Raad van Bestuur, mevrouw mr. [naam], juridisch adviseur, en mevrouw mr. [naam], gemachtigde.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht.

Beoordeling
De commissie overweegt het volgende.

Cliënt heeft in het vragenformulier dat hij bij de commissie heeft ingediend vijf klachten geformuleerd:
A: De doorlooptijd van de interne klachtenprocedure heeft de termijn van zes + vier weken (ruimschoots) overschreden;
B: De klachtencommissie heeft niet alle klachtpunten behandeld;
C: Het oordeel van de klachtencommissie is onnavolgbaar (op grond van duiding van de feiten);
D: Het oordeel van de Raad van Bestuur voldoet niet aan de normen van klachtbehandeling volgens de Wkkgz. De mededeling van de zorgaanbieder dat hij heeft kennisgenomen en zich conformeert aan het oordeel van de klachtencommissie, is niet gedaan binnen de termijn van tien weken; bij deze mededeling is niet aangegeven welke beslissingen over en naar aanleiding van de klacht zijn genomen en binnen welke termijn maatregelen waartoe werd besloten, zouden zijn gerealiseerd;
E: Bij de opvolging van cliënts verzoek tot onderzoek naar vermeend oneigenlijke inzagen in zijn medisch dossier ontbreekt het bij de zorgaanbieder aan verantwoord bestuur. De conclusies van het nader onderzoek zijn niet met cliënt gedeeld, ook niet na meermaals uitdrukkelijk verzoek.

Aangezien zijn klacht het handelen/nalaten van de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder betreft, die Raad zelf beklaagde is, die Raad zelf niet gezorgd heeft voor een (volledige) behandeling van cliënts klacht binnen de normen van de Wkkgz, verzoekt cliënt de commissie een uitspraak te doen over zijn klachten.

De zorgaanbieder heeft de commissie primair verzocht om cliënt in zijn klachten niet-ontvankelijk te verklaren.

De commissie dient allereerst te beoordelen of cliënt in zijn klachten kan worden ontvangen, nu de zorgaanbieder in zijn verweerschrift uitdrukkelijk een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.

De commissie heeft tot taak geschillen tussen cliënt en de zorgaanbieder te beslechten voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van een gesloten behandelingsovereenkomst tussen cliënt en de zorgaanbieder. Ingevolge artikel 14, lid 1, van de Wkkgz, in samenhang met artikel 3 van het reglement van de commissie kan schriftelijk een klacht worden ingediend door de cliënt over een gedraging jegens hem in het kader van de zorgverlening.

De klachten A, B en C van cliënt zien op de interne klachtenprocedure die naar aanleiding van de klachten is gevolgd, alsmede op het oordeel van de klachtencommissie. De commissie is van oordeel dat deze interne klachtbehandeling valt onder de verantwoordelijkheid van de klachtencommissie. De commissie is niet bevoegd om een inhoudelijk oordeel geven over de werkwijze van de klachtencommissie en de inhoud van haar oordeel. Nu deze klachten niet zien op een gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening, zal de commissie cliënt ter zake van voornoemde klachten niet-ontvankelijk verklaren.

In klacht D stelt cliënt dat het oordeel van de Raad van Bestuur niet voldoet aan de normen van klachtbehandeling volgens de Wkkgz.

Ter zitting heeft cliënt aangegeven dat zijn klachten voortvloeien uit de door de zorgaanbieder geleverde medische zorg op 3 en 30 april 2020. Er is een behandelingsovereenkomst aangegaan, waarin opgenomen afspraken met betrekking tot dossiervorming, het verstrekken van inlichtingen over cliënt en de inzage in het dossier, of het verstrekken van afschriften uit het dossier. De klachten van cliënt betreffen het niet nakomen van deze afspraken door de zorgaanbieder en de wijze waarop de zorgaanbieder is omgegaan met zijn klachten over de schendingen van de gemaakte afspraken.

Cliënt heeft ter zitting gesteld dat uit het oordeel van de zorgaanbieder van 28 maart 2023 geenszins blijkt dat er lering is getrokken uit zijn klacht. Er worden geen beslissingen, maatregelen en/of termijnen genoemd waarop deze gerealiseerd zullen zijn.

De commissie is van oordeel dat klacht D ziet op beleidsbeslissingen en daarmee valt buiten het kader van artikel 3 van het reglement van de commissie. Daarom zal de commissie cliënt ter zake van deze klacht niet-ontvankelijk verklaren.

In klacht E verwijt cliënt de zorgaanbieder een gebrek aan verantwoord bestuur. De conclusies van het nader onderzoek naar de onrechtmatige inzage zijn naar zijn zeggen niet met hem gedeeld, ook niet na meermaals uitdrukkelijk verzoek.

Ook deze klacht valt naar het oordeel van de commissie buiten het kader van artikel 3 van het reglement van de commissie.

De commissie overweegt dat ter zitting is gebleken dat er sprake is geweest van een arbeidsconflict waarover een procedure bij de rechtbank aanhangig was gemaakt. Cliënt verwijt de zorgaanbieder dat deze in de procedure gegevens uit zijn medisch dossier zou hebben gebruikt. De zorgaanbieder heeft erkend dat één en wellicht twee medewerkers onrechtmatig toegang tot het medisch dossier hebben gekregen. De zorgaanbieder heeft nader onderzoek hiernaar verricht en heeft aan cliënt twee e-mails gestuurd over de bevindingen (2 en 9 juli 2021), waarna in het gesprek van 23 juni 2021 tussen een lid van de Raad van Bestuur en cliënt uitvoerig is stilgestaan bij het lopende onderzoek. Vast is komen te staan dat medewerkster [initiaal]. onbevoegd toegang heeft gehad tot het medisch dossier van cliënt en dat zij reeds (tuchtrechtelijk) is gesanctioneerd voor haar handelen door middel van een waarschuwing. Niet kan worden uitgesloten dat medewerkster [initiaal] onbevoegd toegang heeft gehad tot het medisch dossier van cliënt, maar zelf kan zij zich dat niet herinneren. De resultaten van dit onderzoek zijn ook neergelegd in een brief van 12 januari 2023 aan de Autoriteit Persoonsgegevens in het kader van een klacht die cliënt aldaar heeft neergelegd en derhalve ook via deze procedure bij cliënt bekend geworden. Reeds gelet op het feit dat de zorgaanbieder heeft erkend dat er sprake is geweest van onrechtmatige toegang tot het medisch dossier van cliënt, maatregelen heeft getroffen via een tuchtprocedure tegen een medewerkster en inmiddels volledig tegemoet is gekomen aan de wens van cliënt om inzage te krijgen in de resultaten van het onderzoek naar deze onrechtmatige inzage, is de commissie – onder verwijzing naar artikel 5, lid 1 sub f, van haar reglement – van oordeel dat hij thans geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak van de commissiewaar het betreft klacht E.

De commissie zal gezien de vorenstaande cliënt ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren ter zake van klacht E.

Nu cliënt ter zake van al zijn klachten niet-ontvankelijk zal worden verklaard, komt de commissie niet meer toe aan de inhoudelijke beoordeling van dit geschil.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart cliënt niet-ontvankelijk in zijn klachten.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. J.W. Deckers, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 25 augustus 2023.