Klaagster kan zorgaanbieder niet opdragen om camera’s op te hangen

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Gehandicaptenzorg    Categorie: bejegening/ onzorgvuldigheid    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 204873/222404

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht heeft betrekking op de behandeling van de zoon van klaagster door de zorgaanbieder. Klaagster stelt dat geen passende zorg wordt verleend aan haar zoon. Zij meent dat sprake is van een verkeerde plaatsing en van ernstig letsel door nalatigheid van de zorgaanbieder. Klaagster vordert een schadevergoeding van € 25.000,–.

De uitspraak

In het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Siza, gevestigd te Oosterbeek
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd cliënt vertegenwoordigd door mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam], moeder en mentor van de heer [naam].

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door de heer [naam], transitiemanager, mevrouw [naam], gedragskundige en de heer [naam], teammanager.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2023 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

 

Beoordeling

Toetsingskader
De kern van de klacht is dat de zorg en begeleiding door de zorgaanbieder aan de zoon van de klaagster onder de maat was en dat er zelfs sprake is geweest van nalatigheid/wanprestatie. Voor een gegrondverklaring van de klacht is vereist dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgverleningsovereenkomst. Die tekortkoming moet bovendien aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten.
Bij de uitvoering van de overeenkomst moet de zorgaanbieder de zorg van een goed zorgaanbieder in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de uit de voor de zorgaanbieder geldende professionele standaard voortvloeiende verantwoordelijkheid die op hem rust. Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Afgezet tegen dit toetsingskader beoordeelt de commissie de klacht als volgt.

Onveilige zorg
De klaagster stelt dat haar zoon in een periode van twee maanden na de start van zijn verblijf bij de ondernemer op 7 november 2022 meermaals letsel heeft opgelopen. De klaagster wijt dit aan onzorgvuldig handelen door medewerkers van de zorgaanbieder c.q. onvoldoende toezicht houden.
Door de zorgaanbieder is erkend dat er verschillende incidenten hebben plaatsgevonden in deze periode. Deze incidenten zijn het gevolg van interactie tussen de zoon van klaagster en medebewoners. Er zijn verbetermaatregelen ingezet, waarna per januari 2023 sprake is van een afname van het aantal incidenten. Door klaagster wordt ter zitting erkend dat dit klachtonderdeel betrekking heeft op de start van het verblijf bij de zorgaanbieder en er nu geen of nauwelijks nog sprake is van incidenten. De commissie is gelet op het bovenstaande van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. De zorgaanbieder heeft adequate maatregelen genomen om dit tegen te gaan. Dat sprake zou zijn geweest van incidenten door nalatig handelen van de zorgaanbieder is onvoldoende onderbouwd. Voorzover klaagster meent dat letsel is opgelopen doordat haar zoon is geslagen door medewerkers van de zorgaanbieder, zoals zij ter zitting heeft gesteld, merkt de commissie op dat voor deze zware beschuldiging geen enkel bewijs is aangevoerd. De commissie merkt op dat dergelijke ongefundeerde beschuldigingen een goede samenwerking tussen klaagster en de zorgaanbieder in de weg staan en raadt klaagster aan zich verre te houden van beschuldigingen tenzij hiervan bewijs is, waarna zij van een dergelijk incident aangifte kan doen.

Verkeerde plaatsing/geen passende zorg
Klaagster stelt dat de groep waarin haar zoon is geplaatst niet passend is voor hem. Er zijn geen/te weinig leeftijdsgenoten, er is sprake van agressie en er is te weinig aansluiting met de jongens met wie de zoon van klaagster naar de dagbesteding gaat. Ook in de nieuwe setting waar haar zoon naartoe zal gaan, verandert de groep niet, waardoor deze problemen niet worden verholpen. De zorgaanbieder voert aan dat het momenteel heel goed gaat met de zoon van klaagster. Hij komt in een andere setting met meer individuele ruimte in een bijna gelijke groepssamenstelling. Met name de toename van eigen ruimte maakt dat hij zich terug kan trekken indien gewenst. Naar de mening van de zorgaanbieder is deze setting een verbetering van de huidige situatie. De commissie is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Alhoewel het begrijpelijk is dat een ouder alleen de allerbeste zorg voor diens kind wenst, kan het niet van de zorgaanbieder verwacht worden een groep samen te stellen die precies voldoet aan de wensen van de klaagster. Zoals de zorgaanbieder ook ter zitting heeft toegelicht, is de plek/groep voor de zoon van de klaagster de meeste passende plek, zeker na de verhuizing naar de nieuwe locatie. De commissie is van oordeel dat dit door de zorgaanbieder voldoende is aangetoond.
Verder stelt klaagster dat haar zoon niet wordt verzorgd volgens het zorgplan en dat de indicatie Meerzorg die haar zoon heeft gekregen niet op een juiste manier wordt ingezet. De commissie heeft voor deze stellingen evenmin voldoende onderbouwing aangetroffen in het dossier. Dat sprake zou zijn van gewichtsafname doordat de zoon van klaagster te weinig te eten zou krijgen, is op geen enkele wijze aangetoond, nog daargelaten het feit dat er meer redenen kunnen zijn die tot gewichtsverlies leiden.
De zorgaanbieder heeft in het verweerschrift het gewichtsverloop in de maanden februari – juli aangegeven. Hieruit blijkt niet van afname in het gewicht. Ter zitting heeft de zorgaanbieder vermeld dat de indicatie Meerzorg is verlengd tot februari 204 en wordt besteed aan de zoon van klaagster. De enkele opmerking van klaagster dat de 1 op 1 begeleiding van haar zoon op enig moment bezig was met pannenkoekenbakken en niet met haar zoon, maakt niet dat dit klachtonderdeel gegrond verklaard kan worden.

Camerabewaking
Klaagster heeft te kennen gegeven dat zij met haar klacht wil bereiken dat er cameratoezicht komt om met de camera beter te kunnen waarnemen of het goed gaat met haar zoon en medewerkers niet onnodig zijn kamer op hoeven om dat te controleren. Dat laatste voelt voor de zoon onveilig aan en brengt onrust bij hem. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat camerabewaking op deze grond niet te verantwoorden is.
De commissie is van oordeel dat klaagster niet aan de zorgaanbieder kan opdragen op welke wijze de medewerkers van de zorgaanbieder hun werkzaamheden dienen uit te voeren. De zorgaanbieder heeft daarnaast uitgelegd dat op grond van de Wet zorg en dwang het niet toegestaan is camerabewaking toe te passen om daarmee de klaagster gerust te stellen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Schadevergoeding
Nu de commissie de klacht van de klaagster op alle onderdelen ongegrond heeft verklaard, kan geen sprake zijn van toekenning van schadevergoeding. Het door de klaagster verlangde wordt derhalve afgewezen.
Ten overvloede hecht de commissie eraan op te merken dat de indruk ontstaat dat de zorgverlener het in de ogen van klaagster niet goed kan doen, welke stappen er ook worden gezet. Ondanks eerdere klachtbehandeling door de zorgaanbieder en door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft klaagster ervoor gekozen haar klacht ook aan de geschillencommissie voor te leggen. Nu ook deze klacht ongegrond is verklaard, spreekt de commissie de hoop uit dat klaagster haar strijdbijl begraaft en samenwerkt met de zorgaanbieder in diens streven naar het bieden van de meest passende zorg aan haar zoon.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
• verklaart de klacht van de klaagster ongegrond;
• wijst af de vordering van de klaagster.
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw drs. Y.J.M. ten Brummelhuis MSM, de heer T. van Dam, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 5 oktober 2023.