Klaagster heeft geen geldige reden om klacht buiten termijn in te dienen

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverkaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 219565/250149

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De ouders van klaagster waren woonachtig bij de zorgaanbieder. Het geschil ziet op het handelen van de zorgaanbieder en vooral op de wijze waarop klaagster is uitgesloten van informatie over haar ouders.

De zorgaanbieder doet een beroep op niet-ontvankelijkheid, omdat klaagster niet tijdig haar klacht bij de commissie heeft ingediend. Nu klaagster geen geldige reden heeft aangedragen voor het tijdsverloop is zij naar het oordeel van de commissie niet-ontvankelijk in haar klacht.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: klaagster)

en

Stichting Sint Jacob Bosbeek, gevestigd te Heemstede
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
De ouders van klaagster waren woonachtig bij de zorgaanbieder. Het geschil ziet op het handelen van de zorgaanbieder en vooral op de wijze waarop klaagster is uitgesloten van informatie over haar ouders.

De zorgaanbieder doet een beroep op niet-ontvankelijkheid, omdat klaagster niet tijdig haar klacht bij de commissie heeft ingediend. Nu klaagster geen geldige reden heeft aangedragen voor het tijdsverloop is zij naar het oordeel van de commissie niet-ontvankelijk in haar klacht.

Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of klaagster in haar klacht ontvankelijk is. Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2024 te Den Haag.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Klacht van klaagster
De zorginstelling heeft de vader van klaagster een plek gegeven bij haar moeder op de gesloten afdeling, terwijl dit volgens klaagster wettelijk niet mag. Vervolgens heeft de zorgaanbieder de vader van klaagster in zijn levenstestament laten vastleggen dat de zorgaanbieder klaagster moet uitsluiten van informatie.

Er is hierin geen sprake geweest van hoor en wederhoor en klaagster is niet op de hoogte geweest van de inhoud van het levenstestament, omdat dit pas na overlijden werd vrijgegeven. De zorgaanbieder heeft zich naar klaagster en haar moeder gedragen op een manier die klaagster als pesten heeft ervaren. De instelling is na het overlijden van haar vader doorgegaan met dit gedrag, want klaagster krijgt geen inzage in het medisch dossier en krijgt daarnaast geen antwoorden op vragen.

Verweer van de zorgaanbieder
Het geschil heeft betrekking op het echtpaar [naam], dat vanaf 22 oktober 2015 was opgenomen bij de zorgaanbieder. Het is een uitdrukkelijke wens van de vader van klaagster geweest om samen met zijn echtgenote op dezelfde afdeling opgenomen te worden.

Aangezien de vader van klaagster wilsbekwaam was, verliep alle communicatie met betrekking tot zijn echtgenote via hem. Hierbij liet hij zich bijstaan door zijn twee zoons, die in het dossier bij de zorgaanbieder zijn opgenomen als vertegenwoordigers.

Op 22 december 2018 heeft de vader van klaagster een algemene volmacht en medische verklaringen laten vastleggen bij de notaris. In artikel 6 van deze algemene volmacht is een instructie opgenomen met betrekking tot de omgang met klaagster. Deze volmacht heeft betrekking op de informatievoorziening aan zijn dochter en haar bemoeienis met de verzorging van het echtpaar. Tijdens het verblijf van het echtpaar hebben de zorgmedewerkers uitvoering gegeven aan hetgeen is vastgelegd in deze volmacht; zij hebben telkens voor informatie verwezen naar de vertegenwoordigers.

Vanaf 2017 zijn er vanuit de zorgaanbieder allerlei pogingen ondernomen om in gesprek te gaan met klaagster. Dit heeft aan de kant van klaagster niet tot een bevredigende oplossing geleid, omdat de zorgaanbieder zich op het standpunt heeft gesteld dat dit een familiaire kwestie betreft en hij overeenkomstig de wensen van de vader van klaagster heeft gehandeld.

Het laatste contact met klaagster is geweest op 15 juli 2021. Tijdens dit gesprek heeft de zorgaanbieder nogmaals de standpunten verduidelijkt en aangegeven dat dit een familiaire kwestie betreft. Tevens is aan klaagster medegedeeld dat de zaak voor de zorgaanbieder hiermee is afgehandeld en afgesloten. De zorgaanbieder was dan ook verbaasd dat twee jaar na het laatste contact het geschil is ingediend bij de commissie.

Gezien bovengenoemde doet de zorgaanbieder een beroep op artikel 6, lid 1, sub b, van het reglement van de commissie (hierna: het reglement) en verzoekt de zorgaanbieder de commissie om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht.

Beoordeling door de commissie
De commissie dient eerst te beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen alvorens inhoudelijk over de klachten te oordelen.

Niet weersproken is dat het laatste contact tussen klaagster en de zorgaanbieder heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. In het verslag van dit gesprek staat vermeld dat de klacht voor de zorgaanbieder hiermee afgehandeld en afgesloten was.

Het reglement van de commissie schrijft voor dat de commissie klaagster op verzoek van de zorgaanbieder in haar klacht niet-ontvankelijk dient te verklaren indien zij haar geschil niet binnen 12 maanden na de datum waarop zij de klacht bij de zorgaanbieder heeft ingediend, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt (artikel 6, lid 1, sub b, van het reglement). Indien de termijnoverschrijding niet aan klaagster verweten kan worden, kan de commissie besluiten de klacht toch in behandeling te nemen (artikel 6, lid 2, van het reglement).

Klaagster heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit valt af te leiden dat haar ter zake van de termijnoverschrijding redelijkerwijs geen verwijt treft. De door klaagster genoemde omstandigheid (het verwerken van de shock die het handelen van de zorgaanbieder bij haar tot gevolg heeft gehad) is daarvoor, zonder nadere concretisering en onderbouwing, naar het oordeel van de commissie onvoldoende.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Klaagster wordt in haar klacht niet-ontvankelijk verklaard.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 25 april 2024.