Geen behandelbeperking aanwezig, cliënte was terecht opgenomen in ziekenhuis

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 19088/21549

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klager was mentor en wettelijk vertegenwoordiger van haar inmiddels overleden moeder (cliënte). De klager is niet tevreden over de gang van zaken rondom de ziekenhuisopname van de cliënte en stelt de zorgaanbieder hiervoor aansprakelijk. De zorgaanbieder zou volgens de klager moeten weten dat de cliënte absoluut niet in het ziekenhuis opgenomen wilde worden. De klager vindt dat de zorgaanbieder zijn verplichting om goede zorg te verlenen, niet is nagekomen. De zorgaanbieder is van mening dat er zorgvuldig is gehandeld. Wanneer een cliënt niet in het ziekenhuis opgenomen wil worden, dan moet daarvoor een schriftelijke verklaring zijn. De zorgaanbieder heeft geen schriftelijke verklaring van de cliënte of van haar huisarts ontvangen met daarin een behandelbeperking. Volgens de commissie heeft de zorgaanbieder niet verwijtbaar gehandeld. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder niet tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgverleningsovereenkomst.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam klager], wonende te [woonplaats]

en

Stichting WoonZorgcentra Haaglanden, gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen. Bij brief van 26 maart 2020 heeft het bureau van de commissie aan beide partijen bericht dat de commissie de behandeling van het geschil zal afdoen zonder mondelinge behandeling. De commissie heeft daartoe ook de bevoegdheid op grond van haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de mogelijkheid gesteld, hebben geen van partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen bij brief van 6 mei 2020 geïnformeerd over de datum wanneer de commissie zal beslissen over het geschil.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de gang van zaken rondom de opname van de moeder van klager in het ziekenhuis en de wijze van afhandeling van de klacht daarover door de klachtencommissie van de zorgaanbieder, alsmede de door de zorgaanbieder verleende zorg.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van de klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De inmiddels overleden moeder van klager (hierna te noemen: de cliënte) verbleef bij de zorgaanbieder. Klager was haar mentor en wettelijk vertegenwoordiger.
De cliënte wilde bij ziekte niet worden opgenomen in het ziekenhuis. Klager heeft de eindverantwoordelijke verpleegkundige van de zorgaanbieder op 21 november 2015 op de hoogte gebracht van de wilsuitingen van de cliënte en haar een uitgebreide uitleg gegeven over het ‘levenseinde standpunt’ van de cliënte. De verpleegkundige had de behandelbeperking onder de aandacht van haar collega’s moeten brengen.

Ondanks deze behandelbeperking heeft de zorgaanbieder de cliënte, nadat zij op 11 februari 2016 uit haar bed was gevallen, tegen haar zin laten opnemen in het ziekenhuis. Volgens klager was geen sprake van een urgente/acute situatie. De zorgaanbieder had overeenkomstig de wens van de cliënte haar palliatief terminale zorg moeten verlenen.

Klager is door de zorgaanbieder pas achteraf van de opname op de hoogte gebracht en werd met een voldongen feit geconfronteerd. Zijn rechten om de cliënte te vertegenwoordigen, zijn hem ontnomen.

Klager heeft over deze gang van zaken een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder (hierna te noemen: de klachtencommissie). Klager is het niet eens met het verloop en verslag van de hoorzitting. Eén van de leden van de klachtencommissie probeerde klager te overtuigen van de urgentie van de situatie op 11 februari 2016. Het verslag van de hoorzitting heeft geen recht gedaan aan wat er is gezegd.

De klachtencommissie heeft bovendien over aspecten van de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) en het mentorschap een niet deugdelijk advies uitgebracht aan de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder. Het advies bevat fouten. Zo staat daarin vermeld dat er op 27 november 2015 een kennismakingsgesprek met de nieuwe huisarts van de cliënte heeft plaatsgevonden, terwijl het gesprek op 15 september 2015 is geweest.

De zorgaanbieder is voorts zijn uit artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) voortvloeiende verplichting om goede zorg te verlenen, niet nagekomen.

Klager verzoekt de commissie te bepalen dat de zorgaanbieder hem de wettelijk erkende schadeposten, met name de door hem gemaakte advocaatkosten, dient te vergoeden.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Allereerst stelt de zorgaanbieder dat het medisch beleid van de cliënten die in zijn woonzorgcentra verblijven steeds wordt bepaald door de eigen huisarts van deze cliënten. De zorgaanbieder heeft in dat kader slechts een faciliterende rol. De verpleegkundige met wie klager de wens van de cliënte heeft besproken, heeft hem daarom verwezen naar de huisarts. Zij heeft hem geadviseerd in samenspraak met de huisarts schriftelijke afspraken te maken en deze vervolgens aan de zorgaanbieder te verstrekken, zodat de afspraken in het dossier konden worden vastgelegd. De zorgaanbieder heeft nimmer schriftelijke afspraken ontvangen over het behandelbeleid van de cliënte.

De verzorgende die de cliënte in de ochtend van 11 februari 2016 op de grond aantrof, heeft de situatie terecht beoordeeld als een medisch spoedeisende situatie. Medewerkers dienen in dat geval direct een arts in te schakelen. Dat heeft de verzorgende dan ook terecht gedaan. De huisarts heeft besloten niet langs te komen, maar direct een ambulance te bellen. Daarmee is de cliënte naar het ziekenhuis gebracht. Vervolgens heeft de verzorgende klager op de hoogte gebracht van het besluit van de huisarts. De zorgaanbieder meent dat de verzorgende volstrekt zorgvuldig heeft gehandeld.

Nu geen schriftelijke behandelbeperking is gedeeld met de zorgaanbieder, kan hem niet worden verweten dat hij niet conform een dergelijk beleid heeft gehandeld. De zorgaanbieder heeft slechts medewerking verleend aan het besluit van de huisarts. Van hem kan niet worden verwacht dat hij de juistheid van een medisch besluit van de huisarts betwist, zeker gelet op de coördinerende rol van de huisarts bij cliënten die in een verzorgingshuis verblijven en de spoedeisendheid in dit specifieke geval. De zorgaanbieder kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van een niet bij hem werkzame huisarts. Het is niet aan de zorgaanbieder om afspraken te maken over het wel of niet sturen naar het ziekenhuis en om in spoedsituaties medische beslissingen te nemen.

Met betrekking tot de vermeende onjuiste datum in het advies van de klachtencommissies merkt de zorgaanbieder op dat hij niet beschikt over het huisartsenjournaal van de huisarts en de onjuistheid van de datum van het kennismakingsgesprek met de nieuwe huisarts dus niet kan beoordelen. Bovendien is de precieze datum waarop met de huisarts is gesproken, niet relevant. Vaststaat immers dat de huisarts de verantwoordelijkheid heeft om het medisch beleid te bepalen en dat de zorgaanbieder van de huisarts geen bericht heeft ontvangen over een beperkt behandelbeleid.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien welk specifiek verwijt klager de zorgaanbieder maakt ten aanzien van de verleende zorg. De zorgaanbieder meent dat goede zorg is geboden aan de cliënte.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van klager ongegrond te verklaren en de door hem verzochte schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Klager houdt de zorgaanbieder aansprakelijk voor (de gang van zaken met betrekking tot) de ziekenhuisopname van de cliënte, voor de wijze van afhandeling van zijn klacht hierover door de klachtencommissie, alsmede voor de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting van de zorgaanbieder om goede zorg aan de cliënte te verlenen.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de zorgverleningsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De zorgaanbieder heeft onweersproken gesteld dat het medisch beleid in zijn zorgcentra wordt bepaald door de eigen huisarts van de cliënten. Op grond van de overgelegde stukken staat voorts vast dat de zorgaanbieder geen schriftelijke verklaring van de huisarts van de cliënte heeft ontvangen waarin de door klager gestelde behandelbeperking is vastgelegd. Kennelijk is een consult met de (nieuwe) huisarts van de cliënte daarover niet tot stand gekomen. Naar het oordeel van de commissie is de vraag of er tussen de cliënte en de huisarts een behandelbeperking is overeengekomen evenwel niet van doorslaggevend belang voor de beoordeling van het geschil tussen klager en de zorginstelling. Vast staat dat de cliënte een eigen huisarts had. Eveneens staat vast dat een verzorgende van de zorgaanbieder de hoogbejaarde cliënte ’s ochtends liggend op de grond naast haar bed aantrof in een zorgwekkende toestand. Gelet op de omstandigheden was zonder meer sprake van een medische noodsituatie. Niet valt in te zien hoe de verzorgende, en daarmee de zorgaanbieder, verwijtbaar heeft gehandeld door onmiddellijk contact op te nemen met de huisarts. Vast staat voorts dat de huisarts meteen de ambulance heeft ingeschakeld om de cliënte naar het ziekenhuis te laten brengen. De wijze waarop de huisarts van de cliënte met afspraken over behandelbeperkingen is omgegaan, kan niet aan de zorgaanbieder worden tegengeworpen.

De klacht van klager is naar het oordeel van de commissie in zoverre dus ongegrond.

Ten aanzien van het eerst achteraf informeren van klager is de commissie van oordeel dat het in de normale lijn van handelen ligt dat in een medische noodsituatie eerst medische hulp wordt gezocht en dat pas daarna de mentor wordt geïnformeerd (ongeacht de inhoud van de beslissing van de huisarts). Ook dit klachtonderdeel acht de commissie daarom ongegrond.

Hetzelfde geldt voor de klacht van klager over het advies van de klachtencommissie. De commissie is niet gebleken dat het advies ondeugdelijk is.

De commissie merkt in dit kader nog op dat de inhoud van een advies van de klachtencommissie, behoudens bijzondere situaties, niet zonder meer aan de zorgaanbieder kan worden tegengeworpen. Immers, de klachtencommissie is onafhankelijk. Van een bijzondere situatie is in dit geval naar het oordeel van de commissie geen sprake. Dat in het advies, zoals klager stelt, een foutieve datum van het kennismakingsgesprek met de nieuwe huisarts van de cliënte is opgenomen, maakt dit niet anders.

Klager heeft zijn stelling dat de zorgaanbieder geen goede zorg heeft verleend – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de zorgaanbieder – niet (nader) onderbouwd, zodat de commissie deze zal passeren. Zij zal dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het verloop en de wijze van verslaglegging van de hoorzitting van de klachtencommissie geldt dat deze alleen aan de zorgaanbieder kunnen worden tegengeworpen als de gang van zaken in flagrante strijd is met wat van een klachtencommissie mag worden verwacht. Een dergelijke gang van zaken is de commissie op grond van de overgelegde stukken niet gebleken.
De commissie zal de klacht van klager op dit punt daarom eveneens ongegrond verklaren.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de commissie niet is komen vast te staan dat de
zorgaanbieder is tekortgeschoten in de uitvoering en/of nakoming van de zorgverleningsovereenkomst. Ook van een ondeugdelijke klachtafhandeling is de commissie niet gebleken.
De commissie zal de klacht van klager daarom ongegrond verklaren en de door hem verzochte schadevergoeding afwijzen.

Nu de klacht van klager ongegrond wordt verklaard, is het naar het oordeel van de commissie gerechtvaardigd dat het klachtengeld voor zijn rekening komt. Klager heeft het klachtengeld reeds aan de commissie voldaan, zodat daarover niet meer behoeft te worden beslist.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond en wijst de door hem verzochte schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 20 mei 2020.