Doorverwijzing BOB was redelijk en cliënte is voor wat betreft de onderhandeling niet onder druk gezet

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Informatie    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 198310/202227

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Cliënte klaagt erover dat zij niet goed en volledig is geïnformeerd over de overdracht van controles via het Bevolkingsonderzoek in plaats van via ziekenhuis. Verder klaagt cliënte over het volgende. Nadat borstkanker is geconstateerd, zou cliënte onder druk zijn gezet om op korte termijn haar borst te laten amputeren. Cliënte verwijt de zorgaanbieder dat er niet eerst nader onderzoek is gedaan. Voor wat betreft de doorverwijzing naar het Bevolkingsonderzoek, oordeelt de commissie dat cliënte in redelijkheid daarnaar doorverwezen kon worden. De commissie heeft verder niet kunnen vaststellen dat cliënte onder druk zou zijn gezet. Omdat de klachten ongegrond zijn, wordt de schadevergoeding afgewezen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: cliënte)

en

Albert Schweitzer ziekenhuis, locatie Dordwijk, gevestigd te Dordrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2023 te Utrecht

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Cliënte werd ter zitting bijgestaan door haar echtgenoot.

De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], juriste, en
[naam], gemachtigde.

Onderwerp van het geschil
Cliënte stelt de zorgaanbieder aansprakelijk voor het ontbreken van een informed consent bij de verwijzing naar het BOB en bij de aangeboden behandeling in 2018.

Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Cliënte was van 1992 tot 2010 in verband met zeer dicht borstklierweefsel onder controle bij de zorgaanbieder. Dit hield in om de 6 maanden een manueel borstonderzoek, om de 2 jaar een mammografie aangevuld met een echo-onderzoek en bij twijfel nog een biopt/punctie en een histologisch onderzoek.

Meerdere malen was er een verdenking op maligniteit er werd er door de patholoog aangedrongen op een nieuw echo-onderzoek na 6 maanden. In 2010 werd cliënte, op advies van de radioloog na het ingaan van een nieuw beleid met betrekking tot borstcontroles in 2009, na een schriftelijke verwijzing overgedragen aan het Bevolkingsonderzoek (verder: BOB). Een echo bij het BOB is, in tegenstelling tot een behandeling in een ziekenhuis, niet mogelijk. Aan cliënte is niet uitgelegd dat zij met deze verwijzing het risico zou lopen dat er een (voorstadium van) een tumor kon worden gemist vanwege het ontbreken van de controle door middel van een echo. Had cliënte dit vooraf geweten dat had zij niet ingestemd met de overdracht naar BOB. Er was derhalve geen sprake van informed consent.

In het begin van 2018 meldde cliënte zich voor de 4e screening bij het BOB na de verwijzing. Zij had opnieuw aangegeven dat zij (nog steeds) diverse verdikkingen voelde in beide borsten, de meeste daarvan in de rechterborst. De laborante adviseerde een extra foto. Daarop waren geen aanwijzingen gevonden voor borstkanker. In het najaar van 2018 bij een bezoek aan haar huisarts vertelde cliënte dat zij het vreemd vond dat zij op haar leeftijd nog steeds last had van cystevorming. De huisarts verwees haar daarvoor door naar de Brest Clinic met het verzoek om een echo te maken. Op 27 november 2018 werd in deze kliniek borstkanker geconstateerd

Na de constatering van borstkanker werd zij zonder gedegen onderzoek door de zorgaanbieder onder druk gezet om op korte termijn haar borst te laten amputeren en de poortwachtersklier te laten verwijderen, terwijl dit gezien de grootte van de tumor niet noodzakelijk was. De behandelend arts vertelde haar dat het aankleurend weefsel rond de tumor meegerekend moest worden en dat daarmee de tumor te groot was voor een borstbesparende operatie. De tumor was 2×1 cm. De borstamputatie moest voor 1 januari 2019 worden uitgevoerd. De gespreksverslagen van het multidisciplinair overleg die hierop betrekking hebben heeft cliënte niet ter inzage gekregen.

Cliënte verwijt de zorgaanbieder dat zij geen nader onderzoek heeft gedaan naar het aankleurend weefsel rond de tumor terwijl dit wel was geadviseerd. Ook is niet gekeken naar de groeisnelheid van de tumor. Verder zijn met cliënte geen andere opties voor de behandeling besproken. Aangezien het niet om een snelgroeiende tumor gaat, had er na een gedegen onderzoek en zonder ”tijdsdwang”, een behandelplan opgesteld kunnen worden. Ook hier is geen sprake geweest van een informed consent.

Cliënte vordert een schadevergoeding van € 14.000,- aan smartengeld en daarnaast € 500,- voor de reiskosten die zij heeft moeten maken. Haar leven is drastisch veranderd na het onder druk zetten van een borstamputatie zonder vooraf gedegen onderzoek en goede uitleg met alle gevolgen van dien.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Het verwijt dat cliënte na 20 jaar van controles in verband met zeer dicht borstklierweefsel zonder uitleg van risico’s zou zijn verwezen voor verdere controles door het BOB wordt niet nader onderbouwd, zodat het klachtonderdeel alleen al om die reden moet worden afgewezen. Gesteld, noch gebleken is immers op welke risico’s cliënte had moeten worden gewezen. Ook overigens treft het verwijt geen doel.

Op 27 oktober 2010 werd een mammografie gemaakt in het kader van een preoperatieve screening voor een mammareductie die cliënte zou ondergaan. Voorafgaand aan dit onderzoek gaf cliënte aan geen klachten te hebben. In het verslag werd vermeld “Conclusie: ongewijzigd mammogram. BIRADS-classificatie-II. Controle over 2 jaar bij voorkeur via het bevolkingsonderzoek.” In het licht van het ontbreken van een familiaire belasting voor mamma- of ovariumcarcinoom en omdat geen sprake was van een status na borstkanker of een voorstadium van borstkanker bestond geen aanleiding voor verdere controles in het ziekenhuis. Dat bij cliënte sprake was van dens borstklierweefsel en/of cystes doet daaraan niet af.

Het verwijt dat cliënte in 2018 zonder gedegen onderzoek onder druk zou zijn gezet haar borst op korte termijn te laten verwijderen zonder dat alternatieve opties zouden zijn aangeboden wordt evenmin onderbouwd zodat ook dit klachtonderdeel moet worden afgewezen. Ook overigens blijkt uit het dossier dat wel degelijk uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden waarvan de conclusies met cliënte zijn besproken. Daaruit blijkt ook dat wel degelijk alternatieven zijn besproken en van het onder druk zetten geen sprake is geweest. Illustratief in dat verband is dat (a) cliënte bedenktijd is gegeven (b) alle medewerking is verleend aan een second opinion en informatie en behandeling door een oncoloog en (c) dat cliënte tot op de dag van vandaag – ruim 4 jaar later – nog altijd niet is geopereerd.

Schadevergoeding.
Uit niets blijkt dat de door cliënte gevorderde schade een (rechtstreeks) gevolg is van de aan de zorgaanbieder gemaakte verwijten. Cliënte stelt maar onderbouwt verder niet dat het informed consent zou zijn geschonden en stelt maar onderbouwt verder niet dat en waarom zij daardoor (extra) schade zou hebben geleden. Bovendien miskent cliënte dat (a) cliënte bedenktijd is gegeven (b) alle medewerking is verleend aan een second opinion en informatie en behandeling door een oncoloog en (c) dat het er op basis van de thans beschikbare stukken op lijkt dat cliënte tot op de dag van vandaag – ruim 4 jaar later – nog altijd niet is geopereerd: eigen keuzes van cliënte die (ook) van invloed zijn geweest op de vermeend door cliënte geleden schade.

Cliëntes stelling dat de tumor al in een vroeg stadium te zien zouden zijn geweest waardoor cliënte op jongere leeftijd de keuze zou hebben gehad uit minder ingrijpende behandelopties wordt op geen enkele wijze onderbouwd en blijkt uit niets. Uit de wél beschikbare informatie blijkt dat cliënte in november 2018 door haar huisarts werd verwezen vanwege een knobbel achter haar tepel nadat ze begin van dat jaar nog een mammogram via het bevolkingsonderzoek had gehad waarop kennelijk geen afwijkingen waren gezien omdat zij anders eerder was verwezen dan (pas) in november 2018. Vanwege het ontbreken van (een begin van) bewijs van het causaal verband met het vermeend onzorgvuldig handelen, komt het verzoek tot schadevergoeding dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

De zorgaanbieder verzoekt de klachten ongegrond te verklaren en de schadevordering af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
Cliënte stelt de zorgaanbieder aansprakelijk voor het ontbreken van een informed consent bij de verwijzing naar het BOB en bij de aangeboden behandeling in 2018.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Ten aanzien van de klacht dat de zorgaanbieder cliënte in 2010 heeft doorverwezen naar het BOB overweegt de commissie als volgt.

Ter zitting heeft cliënte aangegeven dat zij sinds haar 21ste jaar onder behandeling is geweest van de zorgaanbieder, in die zin dat periodiek mammografieën en screenende echografieën van haar borsten zijn gemaakt, vanwege het feit dat zij dens borstklierweefsel heeft en regelmatig cystes in haar borst had.

De commissie heeft vastgesteld dat in de periode van ruim 20 jaar tot 2010, en ook in de jaren erna, nimmer sprake is geweest van maligniteit en dat van een familiaire belasting voor mamma- of ovariumcarcinoom ook geen sprake was. De commissie is van oordeel dat gelet hierop cliënte in redelijkheid kon worden doorverwezen naar het BOB voor de periodieke screening van haar borsten.
Daarbij merkt de commissie op dat, zoals haar ambtshalve bekend is, de kans om door middel van een echografie borstkanker te traceren zeer klein is, tenzij gericht echo-onderzoek wordt verricht in het gebied dat op een mammografie als verdacht wordt aangemerkt. Indien door een screeningsarts op de mammografie iets verdachts wordt gezien zal een cliënt worden doorverwezen naar een mammapoli voor verder radiologisch onderzoek.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder bij de doorverwijzing van cliënte heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Zij zal deze klacht ongegrond verklaren.

Voorts verwijt cliënte de zorgaanbieder dat zij in 2018 zonder gedegen onderzoek onder druk zou zijn gezet haar borst op korte termijn te laten verwijderen zonder dat alternatieve opties zouden zijn aangeboden.
Er was geen sprake van een informed consent.

Ten aanzien van het ontbreken van een informed consent overweegt de commissie het volgende. Een belangrijk uitgangspunt van het gezondheidsrecht is dat de patiënt toestemming geeft voor het uitvoeren van een medische behandeling. Zonder toestemming is er immers sprake van een ongeoorloofde inbreuk op de integriteit van een patiënt. Om rechtsgeldig toestemming te geven heeft de patiënt goede informatie nodig. Daarom moet een arts, alvorens toestemming te vragen, de patiënt eerst informatie geven over het voorgenomen onderzoek of de voorgestelde behandeling.

Vast is komen te staan dat cliënte het eerste gesprek over de resultaten van het onderzoek heeft gevoerd met een gespecialiseerde oncologisch verpleegkundige. Ongetwijfeld zal tijdens dit gesprek aan de orde zijn gekomen dat, gezien de grootte een tumor, een borstamputatie de geëigende behandeling is. Echter een verpleegkundige doet geen voorstellen voor een behandeling maar wijst een patiënt hiervoor door naar de medisch specialist. Er kon dus ook geen sprake zijn van een informed consent. Cliënte is voor de wijze van behandeling doorverwezen naar een medisch specialist.

De commissie heeft uit de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen dat cliënte met het mes op de keel is onder druk is gezet om haar borst te laten amputeren. De zorgaanbieder draagt, naar het oordeel van de commissie de verantwoordelijkheid om aan een cliënt de meest geëigende behandeling aan te bieden. Op basis van de resultaten van de onderzoeken, zo blijkt uit het medisch dossier, is cliënte op
10 december 2018 besproken in het mammateamoverleg en is ablatio met sentinel node geadviseerd. Uit de stukken blijkt dat cliënte volgens haar wens bedenktijd is gegeven en dat zij op haar verzoek voor een second opinion is doorverwezen naar het Anthoni van Leeuwenhoek ziekenhuis. Sterker nog, het advies vanuit het Antoni van Leeuwenhoek is overgenomen door het verwijzend ziekenhuis. Uiteindelijk heeft cliënte na een korte tijd aromatase remmers gebruikt te hebben besloten tot een zogenaamd “wait and see” beleid zonder actieve behandeling op dit moment.

De commissie is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onzorgvuldig handelen door de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft gehandeld volgens zijn professionele standaard. De commissie zal ook deze klacht ongegrond verklaren.

Schadevordering.
Cliënte heeft een schadevergoeding gevorderd van € 14.000,- immateriële schade en € 500,- voor materiële schade.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. Daar de commissie een tekortkoming door de zorgaanbieder niet heeft kunnen vaststellen, zal zij de vordering tot schadevergoeding afwijzen.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klachten ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af. Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer prof. dr. J.A. van der Hage, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 21 april 2023.