De zorgaanbieder heeft volgens het Landelijk Protocol Ambulancezorg gehandeld. Het linkerbeen is weldegelijk onderzocht

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ambulancezorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 120615

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Witte Kruis Ambulance (RAV Zeeland en RAV Noord- en Oost-Gelderland), gevestigd te Alkmaar, (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ambulancezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 14 februari 2019 te Arnhem. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De consument werd vergezeld door haar echtgenoot. Namens de zorginstelling zijn verschenen: [naam ambulanceverpleegkundige], [naam ambulanceverpleegkundige], [naam operationeel manager], [naam beleid & kwaliteitsmedewerker] en [naam senior jurist].

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het stellen van een onjuiste diagnose en het niet overbrengen van cliënte naar het ziekenhuis na een val thuis.

Standpunt van cliënte

Cliënte heeft haar klachten vermeld in het door haar d.d. 30 oktober 2018 ingevulde klachtenformulier en de daarbij behorende bijlagen, waarvan de kern – kort en zakelijk – als volgt wordt weergegeven:

Cliënte is op 21 mei 2018 thuis over de stofzuigerslang gestruikeld en pijnlijk ten val gekomen. De opgeroepen ambulancemedewerkers hebben haar situatie zwaar onderschat en hebben ten onrechte en te snel de diagnose “niets gebroken” gesteld. Zij hadden cliënte mee moeten nemen naar het ziekenhuis voor het maken van een foto. Cliënte heeft vervolgens drie maanden op de bank gelegen, zij was niet mobiel en heeft erg veel pijn gehad.

Vanwege de onjuiste diagnose van de ambulancemedewerkers zijn zowel de huisarts als de fysiotherapeut met een verkeerd behandelplan gekomen en is veel te laat doorgepakt. Cliënte heeft verkeerde oefeningen moeten doen en heeft haar vakantie in een rolstoel doorgebracht. Cliënte heeft niet kunnen werken en haar echtgenoot is met veel verzorging opgezadeld.

Na drie maanden is cliënte alsnog door haar huisarts doorgestuurd naar het ziekenhuis en bleek zij een gebroken heup te hebben. De kop van de heup was helemaal glad doordat cliënte drie maanden met de breuk had doorgelopen. Cliënte heeft een nieuwe heup gekregen, terwijl bij een tijdige diagnose een schroef had kunnen volstaan. Ook zijn haar spieren, doordat zij drie maanden op de bank heeft doorgebracht, erg achteruit gegaan waardoor het herstel na de operatie langer duurt.

De gebroken heup was gemakkelijk te herkennen geweest, omdat het ene been korter was en de voet naar buiten was gedraaid. Hier is door de ambulancemedewerkers niet naar gekeken; anders zouden zij een en ander hebben opgemerkt. Cliënte heeft sterk het gevoel dat het beeld dat de ambulancemedewerkers van haar hadden is gekleurd doordat cliënte heeft verteld dat zij bekend was met paniekaanvallen. Zij heeft het idee dat de ambulancemedewerkers vonden dat zij zich aanstelde. Zo is in de rapportage te lezen dat cliënte het uitschreeuwde van angst, terwijl cliënte op dat moment geen paniekaanval had en het uitschreeuwde van de pijn.

Cliënte verlangt een schadevergoeding voor de door haar gemaakte kosten en als smartengeld. Zij heeft ongeveer € 3.500,– aan extra kosten gehad vanwege de onjuiste diagnose. Aan smartengeld vindt cliënte een bedrag van € 7.000,– tot € 10.500,– redelijk. Zij heeft veel zorg nodig gehad en heeft ook hulp gekregen bij de verzorging van het huishouden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar het verweer van de zorgaanbieder d.d. 20 december 2018. In de kern komt het verweer op de klacht van cliënte op het volgende neer.

Cliënte is door de ambulancemedewerkers onderzocht conform de daarvoor geldende ambulanceprotocollen (LPA 8.1). Zij concludeerden – op grond van het lichamelijk onderzoek en beoordeling – dat sprake was van een kneuzing (contusie) van het bovenbeen en dat er geen aanwijzingen waren voor een mogelijke fractuur. De ambulanceverpleegkundige die de ambulanceverpleegkundige in opleiding bijstond bij het onderzoek van cliënte, heeft een gedegen jarenlange ervaring in de ambulancezorg. De ambulanceverpleegkundige in opleiding is van huis uit een spoedeisendehulpverpleegkundige en beschikt derhalve evenzeer over veel ervaring.

Op grond van het lichamelijk onderzoek en beoordeling werd door de ambulancemedewerkers geoordeeld dat geen direct spoedeisende hulp in het ziekenhuis nodig was. Ter plaatste hebben zij  overleg gehad met de huisarts van de huisartsenpost. Op grond van zijn/haar medisch advies is vervolgens ook een medicatieadvies afgegeven (paracetamol en ibuprofen). Aan cliënte werd geadviseerd om contact met de huisartsenpost dan wel haar eigen huisarts op te nemen als mocht blijken dat het thuis toch niet zou gaan. Cliënte en haar echtgenoot gaven aan dat zij dat advies begrepen en hiermee akkoord waren. De ambulancemedewerkers hadden derhalve geen enkele indicatie dat zij hieraan moesten twijfelen. Vervolgens hebben zij de zorg conform het protocol ‘eerste hulp, geen vervoer’ ter plaatste afgerond en een overdrachtsformulier ‘acute zorg’ achtergelaten voor cliënte.

Ook al omdat pas enkele maanden na het ongeval – en zeker nadat er door verschillende medische deskundigen naar gekeken was – bleek dat er sprake was van een heupfractuur, kan volgens de zorgaanbieder absoluut niet gezegd worden dat de ambulancemedewerkers een verkeerde werkdiagnose hebben gesteld. Dat pas na drie maanden besloten is tot een röntgenfoto waarop de fractuur duidelijk werd, kan de ambulancemedewerkers evenmin worden verweten. Duidelijk is wel dat de huisarts en de fysiotherapeut de klachten waarmee cliënte te maken had, onderschat hebben.

Er is nooit contact geweest tussen de ambulancemedewerkers en het ziekenhuis zodat het opmerkelijk is dat cliënte daar zou hebben gehoord dat in de melding zou staan dat er mogelijk sprake zou zijn van een heupfractuur. Ook een melding van de meldkamer is nooit leidend. Een werkdiagnose kan pas worden gesteld op het moment dat een ambulancemedewerker ter plaatse onderzoek heeft verricht. Melding en de werkelijke situatie ter plaatse kunnen afwijkend zijn.

De zorgaanbieder wijst iedere aansprakelijkheid voor de door cliënte gestelde schade af.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het
volgende.

Op grond van de door partijen over en weer gestelde feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat er tussen hen op 21 mei 2018 een overeenkomst betreffende het verlenen van ambulancezorg tot stand is gekomen.
Deze overeenkomst is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de uitvoering van deze overeenkomst moet de zorgaanbieder – en ieder die door de zorgaanbieder wordt ingeschakeld bij de uitvoering van de voor hem uit die overeenkomst voortvloeiende verplichting, zoals in dit geval de desbetreffende ambulancemedewerkers, – de zorg betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht en daarbij moet de zorgaanbieder en de door hem ingeschakelde hulppersoon handelen in overeenstemming met de op hem/hen rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hem/hen geldende professionele standaard.
Deze professionele standaard is (onder meer) neergelegd in het Landelijk Protocol Ambulancezorg 8.1, dat op genoemde datum van kracht was. Onder andere, aan de hand van dit protocol zal de commissie de vraag beoordelen of de (ambulancemedewerkers van de) zorgaanbieder de hiervoor nader omschreven zorg hebben betracht.

Kort gezegd verwijt cliënte de ambulancemedewerkers dat zij op 21 mei 2018 geen gebroken heup bij haar hebben gediagnostiseerd. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder het formulier Overdracht Acute zorg en het rit-formulier, blijkt dat cliënte lichamelijk is onderzocht. Er is geen standsafwijking en geen asdrukpijn geconstateerd. Besloten is om cliënte niet mee te nemen met de ambulance. Door cliënte is aangeven dat de ambulancemedewerkers het verkeerde been hebben onderzocht, nu bovenaan genoemd formulier Overdracht Acute zorg staat vermeld dat het rechterbeen is onderzocht, terwijl cliënte pijn had aan haar linkerbeen. Onderaan datzelfde formulier staat echter wel het onderzoek aan het linkerbeen vermeld. De ambulancemedewerkers hebben ter zitting medegedeeld dat bovenaan het formulier het rechterbeen per abuis staat genoemd. Dat de ambulancemedewerkers het linkerbeen niet hebben onderzocht is dan ook niet gebleken.
De werkdiagnose luidde ‘contusie spier linkerbeen’ en cliënte is pijnstilling voorgeschreven. Ook is cliënte geadviseerd bij problemen contact op te nemen met de huisartsenpraktijk of de huisartsenpost.

De commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de ambulancemedewerkers niet volgens het Protocol hebben gehandeld. Evenmin is gebleken dat zij anderszins verwijtbaar hebben gehandeld.
De ambulancemedewerkers hebben het, met inachtneming van  het Protocol, “goed gedaan”, terwijl het – achteraf gezien – desondanks “fout is gegaan”. Immers: cliënte bleek maanden later wel degelijk haar linkerheup gebroken te hebben. Dat cliënte drie maanden op de bank heeft moeten doorbrengen, op advies van huisarts en fysiotherapeut pijnlijke oefeningen heeft moeten doen en daarmee een verkeerde behandeling heeft ondergaan kan de ambulancemedewerkers niet worden verweten, nu deze gang van zaken hun verantwoordelijkheid te buiten gaat. Nu de commissie niet tot de conclusie komt dat door de ambulancemedewerkers verwijtbaar is gehandeld, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de door cliënte gestelde schade. De klacht is ongegrond.

Ten overvloede merkt de commissie het volgende op. Ter zitting is gebleken dat  cliënte eigenlijk niet zozeer de behoefte had aan schadevergoeding, maar veeleer aan erkenning van het door haar ondergane leed dat – hoe men het juridisch ook moge zien – voorkomen had kunnen worden indien cliënte wel aanstonds naar de spoedeisende hulp was vervoerd. Daarnaast wilde zij voorkomen dat anderen hetzelfde zou overkomen. Anders dan bij de andere medisch betrokkenen werd haar klacht van aanvang af door de zorginstelling zuiver op juridisch inhoudelijke gronden afgewezen, hetgeen is geëscaleerd in deze procedure. Een inhoudelijk gesprek tussen de ambulancemedewerkers en cliënte over de gebeurtenissen had, wellicht in alle opzichten, tot een voor beide partijen bevredigender resultaat geleid.

Op grond van het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Het door cliënte verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ambulancezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer mr. W.J.W. van Hest en de heer J. Zomerplaag, leden, op 14 februari 2019 in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris.