De behandelmogelijkheden bij de cliënt met leukemie zijn niet onbenut gebleven. Het overlijden van de echtgenoot van klager staat niet in verband met de verleende medische behandeling en verpleegkundige verzorging

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Inspanningsverplichting    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 112848

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Klaagster], wonende te [plaats], nabestaande van wijlen [naam], en Stichting Bravis Ziekenhuis, gevestigd te Roosendaal.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 16 februari 2018 te Eindhoven. Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. Klaagster werd ter zitting vergezeld door [naam] (vriendin) en [naam] (maatschappelijk werker). Het ziekenhuis werd vertegenwoordigd door [naam] (secretaris Raad van Bestuur) en mevrouw [naam] (stafmedewerker cliëntzaken).

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op de kwaliteit van de medische behandeling en de kwaliteit van de verpleegkundige zorg van wijlen [naam], de echtgenoot van klaagster.

Standpunt van cliënt

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken, in het bijzonder het vragenformulier dat de commissie op 8 juni 2017 heeft ontvangen en dat hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van klaagster op het volgende neer.

Klaagster stelt zich op het standpunt dat het ziekenhuis niet goed heeft geluisterd en dat er leugens staan in het in het schriftelijk oordeel van de patiëntenklachtencommissie van het ziekenhuis inzake de klacht van klaagster welke ertoe strekt dat door het ziekenhuis wordt erkend dat haar echtgenoot door nalatigheid van de verpleegkundige zorg is overleden.
Klaagster stelt dat het ziekenhuis nalatig is geweest en wel in die mate dat haar echtgenoot daardoor is komen te overlijden. Op 10 juli 2013 kreeg de echtgenoot van klaagster van de huisarts te horen dat hij de zwaarst mogelijke vorm van leukemie had. Na een bezoek aan [naam internist] is een second opinion gevraagd welke werd uitgevoerd door [naam arts] van het Amphia Ziekenhuis te Breda. Dezelfde diagnose werd gesteld. Hij moest zich niet opwinden want dan zou hij een maagbloeding kunnen krijgen, waarna binnen een half uur een bloedtransfusie noodzakelijk zou zijn. De echtgenoot van klaagster besloot af te zien van chemotherapie. Klaagster verwijt het ziekenhuis dat het ziekenhuis te laat was met het toedienen van een bloedtransfusie, de verpleging onvoldoende aanwezig was waardoor haar echtgenoot onvoldoende aandacht heeft gekregen van de medewerkers en dat de verpleging niet op de hoogte was van het tussentijds bezoek van familie. Als gevolg van het bezoek van familie ontstond ruzie waardoor de echtgenoot een tweede bloeding kreeg. De echtgenoot van klaagster is op 12 juli 2013 overleden aan de gevolgen van leukemie. Klaagster verwijt het ziekenhuis dat de medewerkers van het ziekenhuis niet voor het leven van haar echtgenoot hebben gevochten. Na de tweede bloeding is er in het geheel geen hulp verleend door de medewerkers van het ziekenhuis, aldus klaagster.

Klaagster wenst erkenning van het ziekenhuis dat er niet voldoende naar behoren voor haar echtgenoot is gezorgd, dat haar echtgenoot door nalatigheid van de verpleegkundige zorg is overleden, alsmede vergoeding van de begrafeniskosten.

Ter zitting heeft klaagster haar klacht nader toegelicht.

Klaagster heeft geprobeerd eerder een klacht in te dienen, maar moest eerst zorgen dat zij zelf weer gezond was. De aanleiding voor het indienen van een klacht nu was de brief die klaagster heeft ontvangen naar aanleiding van een gesprek met de patiëntenklachtencommissie. Het is onjuist dat haar echtgenoot eerder, van 5 juli tot en met 9 juli 2013, in het ziekenhuis opgenomen zou zijn geweest. Daar zijn ook geen bewijzen van. De door het ziekenhuis gestelde opname is ook niet bij de verzekeraar, VGZ, bekend, naar blijkt uit inlichtingen bij VGZ. Klaagster heeft de verzekeraar gebeld met de mededeling dat er door het ziekenhuis ten onrechte is gedeclareerd voor die periode omdat haar echtgenoot toen niet was opgenomen. De eerste keer dat haar echtgenoot in contact kwam met de huisarts was op 10 juli 2013. De huisarts heeft een afspraak gemaakt voor bloedcontrole in het ziekenhuis, rond 11.00 uur in de ochtend. Klaagster ging samen met haar echtgenoot na de bloedcontrole weer naar huis. Thuisgekomen werden zij opgebeld. Haar echtgenoot had de zwaarste vorm van leukemie. Er werd een afspraak gemaakt met [naam internist], dit was de eerste ontmoeting van klaagster met [naam internist]. Indien haar echtgenoot van 5 tot en met 9 juli 2013 in het ziekenhuis was opgenomen dan moet er volgens klaagster iets aan het bloed van haar echtgenoot zijn opgevallen. [Naam internist] heeft het niet over die opname gehad. Hij vertelde alleen dat een bloedtransfusie wellicht niet zou helpen. Haar echtgenoot wilde geen bestraling ondergaan. Klaagster is samen met haar echtgenoot weer vertrokken en belde haar huisarts op dat zij een second opinion wilde hebben. Deze werd gegeven door een arts in het Amphia Ziekenhuis in Breda. Zij adviseerde dat de echtgenoot van klaagster binnen een half uur na een bloeding een bloedtransfusie zou moeten krijgen. Hij zou dan misschien nog tot januari van het volgende jaar kunnen leven. Dit alles heeft allemaal nog plaatsgevonden op 10 juli 2013 voor 13.00 uur. Thuis vroeg klaagster aan haar echtgenoot of de kinderen, met wie zij al jaren geen contact hadden, moesten worden gewaarschuwd. Haar echtgenoot werd zo kwaad dat hij een eerste bloeding kreeg. Dat was aan het begin van de middag op 10 juli 2013. Hij heeft in die middag de eerste bloedtransfusie gekregen. De volgende dag, op 11 juli 2013, is klaagster even weggegaan en kwam vervolgens om 14.00 uur weer terug in het ziekenhuis. Het ging op dat moment erg goed met haar echtgenoot. Klaagster ging weer terug naar huis en toen zij weer terug kwam vertelden andere patiënten op de afdeling dat het heel slecht ging met haar echtgenoot, en reageerde haar echtgenoot helemaal niet meer.
Terwijl zij thuis was, waren de kinderen en een broer van haar echtgenoot op bezoek in het ziekenhuis geweest. Zij hadden geruzied met haar echtgenoot, als gevolg waarvan haar echtgenoot opnieuw een bloeding had gekregen. Het ziekenhuis heeft haar echtgenoot vervolgens gewoon laten liggen met een maagbloeding. Hij heeft midden in de nacht pas een bloedtransfusie gekregen. Het heeft heel lang geduurd voordat klaagster een arts vond. Klaagster weet overigens niet of het ziekenhuis ervan op de hoogte was dat familie niet mocht worden toegelaten. Klaagster wenst hoofdzakelijk erkenning, en wil daarnaast geholpen worden met de begrafeniskosten, zodat zij een mooie steen voor het graf van haar echtgenoot kan kopen.

Standpunt van het ziekenhuis

Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar het verweer dat het ziekenhuis op 25 januari 2018 heeft ingediend en dat hierbij als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Het is het ziekenhuis niet duidelijk op wie en welk moment klaagster doelt voor wat betreft haar klacht dat niet goed is geluisterd door de medewerkers van het ziekenhuis. Klaagster heeft gedurende haar klachtbehandeling meerdere ziekenhuismedewerkers zeer uitgebreid gesproken over haar klachten, waarbij is getracht om de klachtaspecten duidelijk te krijgen om daarnaar onderzoek te doen. Voorts is het ziekenhuis niet duidelijk op welke leugens klaagster doelt voor wat betreft haar klacht dat er leugens staan in het in het schriftelijk oordeel van de patiëntenklachtencommissie van het ziekenhuis inzake de klacht van klaagster inhoudende erkenning dat haar echtgenoot door nalatigheid van de verpleegkundige zorg is overleden. Op basis van de elektronische registratie waarin diverse verslagen zijn opgenomen blijft het ziekenhuis bij het standpunt, anders dan klaagster, dat de echtgenoot van klaagster opgenomen is geweest van 5 tot en met  9 juli 2013. Het is het ziekenhuis niet duidelijk waarom [naam internist] in zijn e-mail van 17 juli 2017 meende dat 11 juli 2013 op een dinsdag viel, waarschijnlijk is het een vergissing. Het ziekenhuis is niet gebleken van een (spoed) opname op 10 juli 2013, zoals klaagster stelt. Wel staat onomstotelijk vast dat de echtgenoot van klaagster op donderdagavond 11 juli 2013 vanaf zijn huisadres in opdracht van de dienstdoende huisarts per ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Dit is waarschijnlijk de opname waarover klaagster het heeft. In aansluiting op deze opname heeft de echtgenoot van klaagster in de vroege nacht van 12 juli 2013 een bloedtransfusie gehad. Het ziekenhuis stelt dat geen sprake is van falend medisch handelen in de laatste dagen van de echtgenoot van klaagster en het ziekenhuis kan dat ook niet erkennen. Er is eerder sprake van het tegendeel. Tijdens de ziekenhuisopname in verband met moeheid, anemie en thrombocytopenie van 5 tot en met 9 juli 2013 is de diagnose acute myeloide leukemie gesteld en in overleg met patiënt besloten af te zien van intensieve chemotherapie. Wel zou patiënt in aanmerking voor een ondersteunende behandeling met bloedproducten en bij de opname op donderdagavond 11 juli 2013 is besloten tot een bloedtransfusie en het toedienen van antibiotica, hoewel het nut daarvan twijfelachtig was. Op medische gronden is daarbij een NRNB-beleid vastgelegd en is daarnaar gehandeld toen de conditie van de echtgenoot van klaagster in de vroege ochtend van 12 juli 2013 nog verder achteruit ging. Gelet op dit alles ziet het ziekenhuis ook geen reden om over te gaan tot vergoeding van de begrafeniskosten.

Het ziekenhuis verzoekt de commissie het door klaagster verlangde af te wijzen.

Ter zitting heeft het ziekenhuis het volgende nog naar voren gebracht.

Vanuit de verzekeraar, VGZ, zijn geen vragen zijn gesteld over de door het ziekenhuis ingediende declaraties en dus ook niet de declaraties die zien op de eerste ziekenhuisopname van 5 juli tot en met 9 juli 2013. De brief van [naam internist] aan [naam arts] van het Amphia ziekenhuis van 10 juli 2013 begint ook met de zin dat de echtgenoot van klaagster in de periode van 5 juli tot en met 9 juli 2013 opgenomen is geweest in het ziekenhuis. In die periode zat het ziekenhuis in de overgang van papieren dossiers naar digitale dossiers. Bepaalde aantekeningen zijn helaas niet meegenomen in de digitale dossiers. Er is wel een duidelijke lijn af te leiden over wat er is gebeurd, wanneer de echtgenoot van klaagster is opgenomen en welke onderzoeken en handelingen zijn verricht. Er heeft een bloedtransfusie plaatsgevonden tijdens de spoedopname in de nacht van 11 op 12 juli 2013. Dit wordt ondersteund door de berichten van de ambulancedienst en de arts van de huisartsenpost Roosendaal. In de avonduren van 11 juli 2013 is het nummer 112 gebeld. Aanvullend onderzoek naar de diagnose leukemie duurt ten minste 48 uur, het vindt plaats op verschillende afdelingen van het ziekenhuis. Dit onderzoek moet worden aangevraagd door een medisch specialist, hetgeen is gebeurd op 8 juli 2013. Op 9 juli 2013 heeft een gesprek met klaagster en haar echtgenoot plaatsgevonden. Zij zijn daarop naar huis gegaan. Er zijn geen aantekeningen in het dossier gevonden dat bepaald bezoek niet mocht langs komen. Het ziekenhuis kent een open structuur hetgeen betekent dat er veel bezoekmogelijkheden bestaan. Bij patiënten die er slecht aan toe zijn is bij het bed een voorziening aanwezig voor een spoedoproep. Het ziekenhuis betreurt het dat dit niet bekend was bij klaagster.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest overweegt de commissie als volgt.

Klaagster houdt het ziekenhuis aansprakelijk voor de slechte kwaliteit van de medische behandeling en verpleegkundige verzorging van haar echtgenoot. Als gevolg daarvan is haar echtgenoot veel eerder komen te overlijden, aldus klaagster, dan anders het geval zou zijn geweest. Voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis is vereist dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis, dan wel een ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor het ziekenhuis uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek).
Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval het ziekenhuis) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. Indien voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis jegens cliënt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht, waardoor cliënt schade heeft geleden, kan het ziekenhuis hiervoor aansprakelijk worden gesteld.

De commissie is van oordeel, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, dat niet kan worden geoordeeld dat in deze niet de zorg is betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Niet is komen vast te staan dat de behandelend arts zich onvoldoende heeft ingespannen met betrekking tot de medische behandelingen of bij die inspanning een fout heeft gemaakt.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat hetgeen het ziekenhuis heeft gesteld over de opname van de echtgenoot van klaagster in de periode van 5 juli tot en met 9 juli 2013 voor onderzoek naar zijn klachten, waarbij hem ook behandelingen met bloedproducten zijn gegeven, niet correct is. De commissie verwijst daarvoor onder meer naar een gedeelte uit het verpleegkundig dossier, vermeld op pagina 4 van het schriftelijk oordeel van de patiëntenklachtencommissie van het ziekenhuis inzake de klacht van klaagster. Voorts ziet de commissie geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van het ziekenhuis dat de echtgenoot van klaagster eerst in de avond van 11 juli 2013 opnieuw in het ziekenhuis is opgenomen, waarbij voor het eerst een bloedtransfusie heeft plaatsgevonden, en daar in de ochtend van 12 juli 2013 is overleden. Voor wat betreft de klacht dat het ziekenhuis het bezoek van één van de zoons en de broer van de echtgenoot van klaagster heeft toegelaten, overweegt de commissie dat het ziekenhuis een zogenoemde open bezoekcultuur kent, welke cultuur met zich mee brengt dat de identiteit van het bezoek niet wordt geregistreerd. Niet is gebleken dat klaagster het ziekenhuis er van in kennis heeft gesteld dat haar echtgenoot geen bezoek zou mogen ontvangen van zijn kinderen en/of zijn broer. De omstandigheid dat het ziekenhuis niet wist of bepaalde personen op bezoek zijn geweest, kan het ziekenhuis dan ook niet worden verweten.

Tot slot overweegt de commissie nog dat toen op 8 juli 2013 de diagnose acute myeloïde leukemie bij de echtgenoot van klaagster werd gesteld de prognose reeds zeer slecht was. Gezien deze slechte prognose en de aard van de ziekte waren er geen reële behandelmogelijkheden. De echtgenoot van klaagster wilde daarnaast ook geen chemotherapie en/of bestraling ondergaan. Hoewel het onzeker was of het nut zou hebben, werd in de nacht van 11 op 12 juli 2013 een bloedtransfusie op verzoek van klaagster gegeven en werd er gestart met antibiotica. Dit heeft helaas niet mogen baten en de volgende ochtend is de echtgenoot van klaagster overleden. Behandelmogelijkheden zijn naar het oordeel van de commissie dan ook niet onbenut gebleven, laat staan dat sprake is geweest van falend medisch handelen. Het ziekenhuis heeft zich in voldoende mate ingespannen.

De commissie is op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen van oordeel dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van het ziekenhuis in de nakoming van de uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende inspanningsverplichting. De klachten van klaagster dienen dan ook ongegrond verklaard te worden.

Hetgeen klaagster verder nog naar voren heeft gebracht behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Beslissing

De commissie verklaart de klachten van klaagster ongegrond.

Aldus beslist op 16 februari 2018 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.