Dat jeugdige zich bij gemeente meldt, betekent niet dat die gemeente diens woonplaats is

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: Kostenzorgverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 242542/254073

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In het onderhavige geschil staat centraal de vraag of de gemeente waar de jeugdige zich heeft gemeld met een hulpvraag financieel verantwoordelijk is voor de bekostiging van de jeugdreclassering vanaf 1 januari 2022. Volgens verzoeker is verweerder verantwoordelijk, omdat de jeugdige zich met zijn hulpvraag in de gemeente van de verweerder heeft gemeld. Verweerder is het hier niet mee eens, omdat de jeugdige nooit daadwerkelijk in de gemeente van de verweerder heeft verbleven.

Naar het oordeel van de commissie is niet gebleken dat de jeugdige in de gemeente van de verweerder heeft verbleven. De klacht is ongegrond.

De uitspraak

Samenvatting
In het onderhavige geschil staat centraal de vraag of de gemeente waar de jeugdige zich heeft gemeld met een hulpvraag financieel verantwoordelijk is voor de bekostiging van de jeugdreclassering vanaf 1 januari 2022. Volgens verzoeker is verweerder verantwoordelijk, omdat de jeugdige zich met zijn hulpvraag in de gemeente van de verweerder heeft gemeld. Verweerder is het hier niet mee eens, omdat de jeugdige nooit daadwerkelijk in de gemeente van de verweerder heeft verbleven.

Naar het oordeel van de commissie is niet gebleken dat de jeugdige in de gemeente van de verweerder heeft verbleven. De klacht is ongegrond.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De verzoeker heeft de klacht voorgelegd aan verweerder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting heeft verweerder digitaal het standpunt toegelicht. De verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid ter zitting het standpunt toe te lichten.
Ter zitting werd verweerder vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en mevrouw [naam].

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juni 2024 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
De jeugdige is op 29 mei 2020 achttien jaar geworden. Vanaf 6 april 2020 voert Jeugdbescherming Gelderland een jeugdreclasseringsmaatregel uit die is opgelegd door een kinderrechter in Gelderland. Deze jeugdreclasseringsmaatregel is beëindigd op 3 maart 2023.

Van 5 september 2014 tot 15 oktober 2019 staat de jeugdige niet in Nederland ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen. De jeugdige staat tijdens zijn verblijf in Duitsland geregistreerd als een niet ingezetene. Na zijn verblijf in Duitsland heeft de jeugdige zich in de gemeente [verweerder] gemeld met zijn hulpvraag. Daarna heeft de jeugdige verbleven in diverse instellingen in andere gemeenten, namelijk Oude IJsselstreek, Nijmegen en [verzoeker].

Standpunt verzoeker
Het college heeft de kosten (€ 11.133,78) voor de jeugdreclassering over de periode 1 januari 2022 tot en met 3 maart 2023 bekostigd. Het college stelt zich op het standpunt dat zij met de toepassing van het nieuwe woonplaatsbeginsel geen verantwoordelijkheid draagt voor de bekostiging van de jeugdreclassering vanaf 1 januari 2022. Uit het uitgevoerde onderzoek bleek dat de gemeente [verweerder] met de toepassing van het nieuwe woonplaatsbeginsel de verantwoordelijkheid draagt voor de bekostiging van de jeugdreclassering over het jaar 2022 en 2023.

De verblijfsketen (Oude IJsselstreek – Nijmegen – [verzoeker]) is vanaf oktober 2019 aaneengesloten. Voorafgaand aan het verblijf in de [naam zorginstelling] had de jeugdige tijdens het ontstaan en stellen van zijn hulpvraag zijn werkelijk verblijf in de gemeente [verweerder]. Het aaneengesloten verblijf begin oktober 2019 is, voorafgaand aan de plaatsing in [naam zorginstelling] in de gemeente Oude IJsselstreek, gestart in de gemeente [verweerder]. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat begin oktober 2019 het aaneengesloten verblijf is gestart in de gemeente [verweerder] en dat de gemeente [verweerder] daarom als woonplaats van de jeugdige financieel verantwoordelijk is voor de bekostiging van de jeugdreclassering.

Het college stelt zich op het standpunt dat in dit geschil enkel aan het nieuwe woonplaatsbeginsel getoetst dient te worden. Volgens het college toetst de gemeente [verweerder] ten onrechte aan het oude woonplaatsbeginsel, waarbij nog uit wordt gegaan van de woonplaats van de gezaghebbende ouder.

Standpunt verweerder
Volgens de verweerder heeft de jeugdige nooit in [verweerder] gewoond en daarom is de verweerder niet financieel verantwoordelijk voor de bekostiging van de jeugdreclassering.

Als het alleen om Jeugdreclassering gaat, via verlengde jeugdzorg, en er geen sprake is van verblijf dan moet dit gezien worden als “ambulant” en de gemeente waar de jeugdige woont is dan verantwoordelijk. In de onderhavige casus is dat gemeente [verzoeker].

Als er ook sprake is van “verblijf” dan moet er gekeken worden naar de adreshistorie. Dan is de gemeente waar de jeugdige voor het laatst bij één van de ouders woonde verantwoordelijk. Dat is in dit geval Delfzijl, gemeente Eemsdelta nu.

Beoordeling door de commissie

Bevoegdheid
De verzoeker heeft aan de commissie het volgende voorgelegd:

“Het college verzoekt uw geschillencommissie bindend te adviseren dat het college niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de bekostiging van de jeugdreclassering aan de jeugdige per 1 januari 2022.

Voorts verzoekt het college uw geschillencommissie om aan de andere betrokken gemeenten (Eemsdelta, [verweerder], Oude IJsselstreek en Nijmegen) op te dragen aannemelijk te maken dat zij in onderhavig geschil niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de bekostiging van de jeugdreclassering per 1 januari 2022”.

Allereerst merkt de commissie op dat zij conform het reglement van de commissie tot taak heeft om geschillen tussen partijen te beslechten over de toepassing van het woonplaatsbeginsel jeugd zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet alsmede volgens de afspraken in het Convenant implementatie woonplaatsbeginsel Jeugdwet. De commissie doet dit door in een dergelijk geschil een schikking tussen partijen te bevorderen of een bindend advies uit te brengen.

Hieruit volgt dat door de wijze waarop het geschil is aangebracht de commissie niet bevoegd is te oordelen of de verzoeker financieel wel of niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de bekostiging van de jeugdreclassering. Ook ten aanzien van de andere door de verzoeker genoemde gemeenten kan de commissie geen uitspraak doen, nu deze gemeenten niet als procespartij bij het onderhavige geschil zijn betrokken.

In zoverre verklaart de commissie zich onbevoegd.

Inhoudelijke beoordeling
Wel is de commissie bevoegd te beslissen op de het geschil over de vraag of de verweerder financieel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de kosten van de jeugdreclassering vanaf 1 januari 2022. De commissie overweegt als volgt.

Het enkele feit dat de jeugdige zich met zijn hulpvraag bij de gemeente [verweerder] heeft gemeld, betekent niet dat de gemeente [verweerder] is aan te merken als woonplaats van de jeugdige. De commissie is uit het BRP of anderszins niet gebleken dat de jeugdige op enig moment heeft verbleven in de gemeente [verweerder]. Daarnaast heeft de verweerder onweersproken verklaard dat de jeugdige nooit in [gemeente verweerder] heeft gewoond, maar dat hij ofwel in instellingen in andere gemeenten, ofwel bij zijn vader in Duitsland ofwel in Borculo heeft verbleven.

Op grond van het bovenstaande concludeert de commissie dat de gemeente [verweerder] op grond van het woonplaatsbeginsel niet financieel verantwoordelijk kan worden gehouden voor de bekostiging van de jeugdreclassering.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.
Het door de verzoeker verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw drs. M.E. Peltenburg, de heer A. Opstelten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 6 juni 2024.