Commissie oordeelt dat ondanks onderbezetting de verleende zorg voldoende was

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 244247/257648

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Klager heeft een klacht ingediend jegens de zorgaanbieder vanwege een tekort aan personeel op het moment dat zijn echtgenote bij de zorgaanbieder verbleef. Klager meent dat hierdoor onvoldoende zorg aan zijn echtgenote is verleend. De commissie oordeelt dat niet is aangetoond dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de zorgverlening aan de echtgenote van klager. De klacht is ongegrond.

De uitspraak

In het geschil tussen

de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting DrieGasthuizenGroep, gevestigd te Arnhem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
Klager heeft een klacht ingediend jegens de zorgaanbieder vanwege een tekort aan personeel op het moment dat zijn echtgenote bij de zorgaanbieder verbleef. Klager meent dat hierdoor onvoldoende zorg aan zijn echtgenote is verleend. De commissie oordeelt dat niet is aangetoond dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de zorgverlening aan de echtgenote van klager. De klacht is ongegrond.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd cliënt vertegenwoordigd door mevrouw mr. [naam], gemachtigde.

Namens de zorgaanbieder zijn verschenen de heer [naam], woonzorgmanager, mevrouw [naam], woonzorgmanager en de heer mr. [naam], advocaat..

De behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2024 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder in de periode dat de echtgenote van klager bij de zorgaanbieder verbleef heeft gehandeld zoals een redelijk handelende en redelijk bekwame zorgaanbieder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. De commissie dient allereerst te beoordelen of klager ontvankelijk is in zijn klacht, nu de zorgaanbieder een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan.

Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder voert in verweer drie gronden aan waarop klager niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn klacht. Ten eerste stelt de zorgaanbieder dat de door klager bij de commissie ingediende klacht ruimer is dan de klacht zoals aanvankelijk bij de zorgaanbieder ingediend. Daarnaast stelt de zorgaanbieder dat klager geen redelijk belang heeft bij zijn klacht en tot slot stelt de zorgaanbieder dat klager niet zelf cliënt is (geweest) bij de zorgaanbieder.

De commissie is van oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht voor zover deze ziet op het beleid en de CAO van de zorgaanbieder. Dit gaat klager niet aan en hiertegen kan door klager slechts een klacht worden ingediend, indien klager c.q. diens echtgenote ten tijde van haar verblijf bij de zorgaanbieder zelf hiervan nadelige gevolgen heeft ondervonden. Gevolgen voor het personeel kunnen hierbij niet worden betrokken. Verder is de commissie van oordeel dat klager belang heeft bij zijn klacht nu deze is ingediend ten tijde van het verblijf van zijn echtgenote bij de zorgaanbieder. Klager trad op als wettelijk vertegenwoordiger/notarieel gevolmachtigde van zijn echtgenote en kan derhalve als cliënt in de zin van het reglement van de commissie worden aangemerkt. Concluderend is de commissie van oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht voor zover betrekking hebbende op de verzorging door de zorgaanbieder van zijn, inmiddels overleden, echtgenote.

Inhoudelijke beoordeling
Kern van de klacht, zoals weergegeven in de reactie van de gemachtigde van klager op het verweerschrift, betreft de kwaliteit van de geleverde zorg. Klager stelt dat de zorgaanbieder door aanpassingen aan het rooster een onderbezetting op de huiskamer heeft gecreëerd, waardoor niet de zorg aan zijn echtgenote is verleend waar zij recht op had. Klager is destijds over deze aanpassingen niet geïnformeerd.

Artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg legt op de zorgaanbieder de verplichting op om goede zorg te leveren. Onder goede zorg wordt verstaan zorg van een goede kwaliteit en een goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Daarbij dient de zorgaanbieder en de zorgverleners te handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. Daarbij dienen ook de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht genomen te worden en de cliënt ook overigens met respect te worden behandeld. De commissie dient het handelen van de zorgaanbieder dan ook alleen aan deze bepaling te toetsen.

De commissie stelt vast dat de zorgaanbieder op de klacht van klager gemotiveerd is ingegaan en hetgeen klager stelt heeft weerlegd. Voor de commissie is niet vast komen te staan dat aan de echtgenote van klager wegens onvoldoende personeel niet of onvoldoende zorg is verleend. Op vragen van de commissie waaruit de onvoldoende kwaliteit van zorg aan de echtgenote van klager is gebleken, werd door de gemachtigde van klager aangegeven dat daarvan geen voorbeelden zijn te noemen. Slechts werd door haar geconstateerd dat er sprake is geweest van onderbezetting. Het enkele feit dat op enig moment sprake is geweest van onderbezetting, kan geen klachtwaardige gedraging opleveren indien deze onderbezetting niet tot onvoldoende zorg heeft geleid. Bovendien is door de zorgaanbieder aangevoerd dat geen sprake is geweest van onderbezetting, maar dat de bezetting van personeel werd afgestemd op de bezettingsgraad op de afdeling. De commissie moet er in deze procedure dan ook van uit gaan dat de verleende zorg, zoals omschreven in het verweerschrift en ter zitting verwoord juist is weergegeven, nu de gemachtigde van klager niet aannemelijk heeft kunnen maken dat dit niet het geval is geweest. De commissie is van oordeel dat de verleende zorg voldoet aan hetgeen genoemd artikel 2 als verplichting aan de zorgaanbieder heeft opgelegd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
verklaart de klacht ongegrond.
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 14 mei 2024.