Commissie niet bevoegd om te oordelen over handelwijze klachtencommissie

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: onbevoegdongegrond   Referentiecode: 190914/198343

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt klaagt over gedragingen van medewerkers van de zorgaanbieder. Ook klaagt cliënt over de wijze waarop de klachtencommissie de klachten heeft behandeld. De commissie oordeelt niet bevoegd te zijn voor wat betreft de klachten over de klachtencommissie. Waar het gaat over de klachten omtrent het behandelplan, heeft de zorgaanbieder volgens de commissie terecht opgemerkt dat de klachten niet tegen de zorgaanbieder gericht zouden moeten zijn. Verder is niet gebleken dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in zijn zorgplicht. De overige klachten zijn dan ook ongegrond.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Lister, gevestigd te Utrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 april 2023 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Namens de cliënt zijn verschenen [naam] moeder van de cliënt en [naam], broer van de cliënt.

De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam], teammanager, [naam], FIT teammedewerkster en [naam], bestuurssecretaris.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van zorgverlening van de zorgaanbieder aan de cliënt.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft zijn klacht onderverdeeld in klachtonderdeel 1A en 1B en klacht 2 en separaat nog aanvullende klachtonderdelen ingediend. De klachten betreffen de behandeling van de klacht door de klachtencommissie van de zorgaanbieder en de gedragingen van een medewerker die niet meer werkzaam is bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de medewerkers.

Verder heeft de klacht betrekking op het achterhouden van het behandelplan uit maart 2022 en de gestelde diagnose. De klacht over het behandelplan heeft klager ook ingediend bij [derde], de instantie die het behandelplan heeft opgesteld. Allebei de organisaties houden het behandelplan achter. Ook heeft de klacht betrekking op de samenwerking tussen de zorgaanbieder en [derde]. De cliënt eist erkenning van de gemaakte fouten en een schadevergoeding.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder geeft aan het lastig te vinden om uit de grote hoeveelheid stukken de klachtonderdelen goed te begrijpen. De zorgaanbieder heeft de klacht onderverdeeld in de volgende onderdelen:

a. klacht 1a, 1b en 2: klachten over handelwijze klachtencommissie.
b. klachten over het behandelplan en inzage daarin en invloed op het zorgplan
c. klacht over samenwerking tussen [derde] en de zorgaanbieder
d. het verzoek om schadevergoeding van € 15.000, —

ad. a. Deze klachten lijken, aldus de zorgaanbieder, met name te gaan over de beslissing van de klachtencommissie van de zorgaanbieder. Omdat de klachtencommissie onafhankelijk is en de klachten daarmee feitelijk niet gaan over de zorgaanbieder zelf, heeft de zorgaanbieder de klachtencommissie gevraagd om een reactie op deze klachten. Uit deze reactie blijkt dat de klachtencommissie gehandeld heeft in lijn met de gemaakte afspraken op de hoorzitting van 8 augustus 2022 (waarbij de cliënt zijn klachten heeft ingetrokken).

Ondanks herhaalde verzoeken van de klachtencommissie om verduidelijking van de klachten van de cliënt is het de klachtencommissie van de zorgaanbieder niet gelukt om helder te krijgen waar de klachten over gingen en of dit nieuwe of dezelfde klachten waren als die eerder waren ingediend en ingetrokken op tijdens de hoorzitting van 8 augustus 2022. Daarom heeft de klachtencommissie van de zorgaanbieder in september 2022 aan cliënt bericht dat zijn klachten verder niet in behandeling konden worden genomen.

ad b. De cliënt maakt gebruik van [ICT-systeem], een ICT- systeem waarmee hij inzage heeft in zijn dossier. Alle stukken die de zorgaanbieder heeft, zijn voor hem zichtbaar. Over de inhoud van het behandelplan van [derde] heeft de zorgaanbieder geen zeggenschap. Er is meerdere malen aan de cliënt aangeboden om samen hierover in gesprek te gaan met [derde]. Het zorgplan van de zorgaanbieder is op verzoek van de cliënt nog niet vormgegeven. De zorgaanbieder wil het proces van opstellen van het zorgplan samen met cliënt vormgeven en doet dit niet buiten hem om.

De zorgaanbieder merkt in alle contacten, dat de diagnose die door [derde] is gesteld een bron van onvrede en terugkerende discussie bij de cliënt is. De cliënt en zijn familie zijn het niet eens met die diagnose. De zorgaanbieder heeft zich in de begeleiding gericht op de cliënt als persoon en laat de diagnose verder buiten beschouwing. Het stellen van een diagnose is aan de behandelaar (in dit geval [derde]). De zorgaanbieder heeft wel aangeboden om cliënt te ondersteunen om met de behandelaar hierover in gesprek te gaan. Hier had de cliënt geen behoefte aan.

ad c. In de gebiedsteams hebben de zorgaanbieder en [derde] een samenwerking indien dit wenselijk is voor de zorg voor de cliënt. Wel zijn de zorgaanbieder en [derde] zelfstandige organisaties met eigen systemen, eigen vakgebied en eigen verantwoordelijkheid. [Derde] richt zich op behandeling van de klachten van een cliënt die samenhangen met diens (psychiatrische) klachten; de zorgaanbieder richt zich op herstelondersteunende begeleiding in het dagelijks leven van de cliënt. De cliënt heeft op een bepaald moment in zijn begeleiding aangegeven geen afstemming tussen de zorgaanbieder en [derde] meer te willen. Aan deze wens is gehoor gegeven. De cliënt ontvangt inmiddels al langere tijd geen zorg meer van [derde].

Ad d. Het is moeilijk om uit de ingediende stukken af te leiden waarom de cliënt van mening is dat er een grond voor schadevergoeding is. In het gesprek op 8 februari 2023 bleek dat cliënt en zijn broer het vermoeden hebben dat de zorgaanbieder aan de zorg voor de cliënt verdient en dat dat eigenlijk geld ten behoeve van de cliënt zou moeten zijn. De zorgaanbieder heeft zich altijd ingespannen om de cliënt de juiste begeleiding te geven en heeft daarin heel erg meebewogen om goed aan te sluiten bij de cliënt.

De zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van haar als zorgverlener mag worden verwacht en is niet tekortgeschoten in haar verplichtingen; er ontbreekt dan ook een grond voor schadevergoeding. Zorggelden worden ingezet ten behoeve van de ontwikkeling van de cliënt. De zorgaanbieder heeft geen winstoogmerk. De zorgaanbieder komt tot de conclusie dat de klachten ongegrond zijn en dat er geen grond is voor schadevergoeding dan wel smartengeld.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de zorgovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (de zorgplicht uit artikel 7:453 van het BW). De commissie zal beoordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens de cliënt. Wat betreft de klachten van de cliënt gericht tegen de klachtencommissie van de zorgaanbieder acht de commissie zich niet bevoegd, nu dit geen gedraging van de zorgaanbieder jegens de cliënt betreft.

De klachtencommissie betreft een zelfstandig en onafhankelijke instantie en valt niet onder het bereik van de zorgaanbieder of voor hem werkzame personen. De commissie zal dit klachtonderdeel daarom niet in behandeling nemen. Wel merkt de commissie ten overvloede op dat voor zover de klacht ziet op het niet in behandeling nemen door de klachtencommissie van bepaalde klachtonderdelen, de cliënt hierdoor niet is benadeeld nu deze onderdelen alsnog in onderhavige procedure naar voren worden gebracht.

Ten aanzien van de klachtonderdelen over het achterhouden van het behandelplan en de gestelde diagnose merkt de commissie het volgende op. Door de zorgaanbieder is in het verweerschrift, ter zitting en zoals uit de stukken blijkt ook tijdens de eerdere klachtbehandeling uitvoerig en herhaaldelijk aan de cliënt uitgelegd dat het behandelplan niet is opgesteld door de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft ook niet de beschikking hierover en heeft dit ook niet nodig. De in het behandelplan gestelde diagnose is evenmin afkomstig van de zorgaanbieder.

De cliënt heeft zijn klachten hierover tevens ingediend bij de juiste instantie, te weten [derde]. Deze klachten kunnen niet ook bij de zorgaanbieder worden ingediend, nu de zorgaanbieder niet betrokken is bij het opstellen van het behandelplan en de daarin opgenomen diagnose. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond. Zoals de zorgaanbieder heeft toegelicht, stelt de zorgaanbieder normaliter wel een zorgplan op, maar heeft dat gelet op de wens van de cliënt in zijn geval niet gedaan. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Het klachtonderdeel over een medewerker die niet meer in dienst is bij de zorgaanbieder heeft betrekking op het zonder toestemming of zonder aanwezigheid van de cliënt ophalen van de post van cliënt door deze medeweker. De cliënt heeft gelijk in zijn stelling dat de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor diens medewerkers, ook voor gedragingen of handelingen van medewerkers die niet meer werkzaam zijn bij de zorgaanbieder. Of hier echter sprake is geweest van een zodanige handeling dat de zorgaanbieder hiermee tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens de cliënt, is voor de commissie niet komen vast te staan.

Niet duidelijk is of de cliënt mondeling toestemming heeft gegeven aan de medewerker voor het ophalen van zijn post dan wel welke schade/nadeel de cliënt hiervan heeft ondervonden. Dat de hierover ingediende klacht bij de gemeente Utrecht gegrond is verklaard, maakt dit niet anders, nu voor de gemeente Utrecht het handelen van diens ambtenaren ter toetsing ligt en niet van de (medewerkers van de) zorgaanbieder. Welke criteria door de gemeente Utrecht hierbij zijn gehanteerd is de commissie niet gebleken en is evenmin voor de klachtbehandeling bij de commissie van belang. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Ten aanzien van de samenwerking tussen de zorgaanbieder en [derde], merkt de commissie op dat sprake is van twee zelfstandige organisaties. De cliënt heeft eerder een klacht ingediend bij de commissie over het handelen van [derde]; thans is de klacht over het handelen/functioneren van de zorgaanbieder in geschil.

Met beide organisaties heeft/had de cliënt een zorgovereenkomst, op grond waarvan de organisaties gehouden zijn/waren goede zorg aan de cliënt te leveren. In beide procedures is beoordeeld of de zorginstellingen hieraan hebben voldaan. Dat de cliënt is benadeeld/schade heeft ondervonden van de samenwerking tussen beide organisaties is de commissie niet gebleken.

Concluderend is de commissie van oordeel dat niet is gebleken van een tekortkoming in de nakoming van de zorgplicht door de zorgaanbieder jegens de cliënt. Dit houdt in dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het klachtonderdelen gericht tegen de klachtencommissie;
– verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. T. Knap, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 19 april 2023.