Commissie acht voldoende aannemelijk dat cliënt gedurende langere tijd fysiek heeft geleden ten gevolge van het uitblijven van een gerichte behandeling

  • Home >>
  • Zelfstandige Klinieken >>
De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: bejegening/ zorgverlening    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 206185/234517

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Client verwijt de zorgaanbieder ondeskundig handelen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder met betrekking tot de medische behandeling van cliënt tekort is geschoten. De zorgaanbieder heeft geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een vals negatieve uitslag van één Dobutamine Stress Echocardiografie (DSE) en heeft de aanhoudende benauwdheids- en pijnklachten van cliënt te veel toegeschreven aan psychosomatische factoren, waardoor de ernst van de hartklachten van cliënt niet is onderkend. Hierdoor heeft cliënt gedurende langere tijd fysiek geleden ten gevolge van het uitblijven van een gerichte behandeling. De commissie verklaart de klachten gegrond en veroordeelt de zorgaanbieder tot een vergoeding van immateriële schade aan cliënt.

De uitspraak

In het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

HK Nederland Holding B.V., gevestigd te Almere
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 1 december 2023 te Utrecht.

Beide partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw drs. [naam], cardioloog, de heer [naam], kwaliteitsmedewerker en mevrouw mr. [naam], [naam advocatenkantoor].

Beoordeling
De commissie overweegt als volgt.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor de aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming nadeel zijn toegebracht.

Standpunt cliënt
Cliënt heeft in 2011 een hartinfarct gekregen. Hij is daarna onder behandeling geweest bij een cardioloog. In verband met zijn verhuizing is hij op aanraden van zijn nieuwe huisarts bij de zorgaanbieder terecht gekomen. Cliënt heeft vaak melding gemaakt aan de zorgaanbieder dat hij pijn- en benauwdheidsklachten had en vermoeid was. Hij heeft een fietstest gedaan, die hij vanwege zijn klachten niet kon afmaken. De cardioloog heeft zijn klachten als psychische klachten opgevat omdat uit de resultaten van de DSE, fietstest en andere onderzoeken geen aanleiding bestond om nader onderzoek uit te voeren. In september 2022 kreeg cliënt pijnklachten die vergelijkbaar waren met eerdere klachten voorafgaande aan het hartinfarct in 2011 en had hij last van extreme vermoeidheid. Hij heeft telefonisch contact opgenomen met de zorgaanbieder. De dienstdoende cardioloog heeft hij niet gesproken maar via de secretaresse kreeg hij te horen dat zijn klachten niet een nader onderzoek rechtvaardigden. De zorgaanbieder heeft geen hart-CT en/of hartkatheterisatie laten uitvoeren.

Op een longfoto, die cliënt in het [naam ander ziekenhuis 1] kort daarna moest laten maken, heeft de longarts een afwijking gezien en cliënt doorgestuurd naar de cardioloog in het ziekenhuis, die hem medicatie heeft gegeven en hem heeft doorverwezen naar het hartcentrum van het [naam ander ziekenhuis 2] voor een coronair angiografie en eventuele dotterbehandeling. Er bleek sprake van een ernstige stenose in de rechter coronairarterie (RCA) (91- en 99%). Na de uitvoering van een dotterprocedure had cliënt geen pijn op de borst meer. De klachten die cliënt al jaren had en had gerapporteerd aan de cardioloog bleken te wijten aan deze ernstige stenose in de RCA.

De zorgaanbieder heeft zijn klachten als psychische klachten aangemerkt en hem via de huisarts geadviseerd in therapie te gaan bij [naam kliniek]. Cliënt heeft een jaar, gemiddeld drie dagen per week, therapie gekregen voor klachten die tussen ” tussen zijn oren” zouden zitten.

Cliënt verwijt de zorgaanbieder een gebrek aan deskundigheid en tunnelvisie door zijn pijnklachten als psychisch aan te merken terwijl er wel degelijk een fysieke oorzaak is geweest. Na de dotterbehandeling in het ziekenhuis is hij van zijn pijnklachten af.

Vanwege het handelen van de zorgaanbieder, is cliënt niet in staat geweest om te werken als fotograaf en musicus. Naast inkomensschade vordert de cliënt emotionele schade van de zorgaanbieder, een bedrag van totaal € 25.000,-.

Ter zitting heeft de cliënt tevens aangevoerd dat zijn klacht niet serieus is behandeld door de zorgaanbieder. Hij heeft een ontvangstbevestiging gekregen maar daarna nooit meer iets gehoord tot enkele weken voor de zitting van de commissie.

Standpunt zorgaanbieder
De zorgaanbieder betwist dat er sprake is geweest van een tekortkoming in de behandeling van cliënt en verzoekt de commissie de vordering tot schadevergoeding af te wijzen. De cardioloog heeft zijn klachten wel degelijk serieus genomen.

Cliënt is op 14 juli 2020 voor het eerst gezien in verband met druk op de borst bij inspanning waarbij rust of nitrospray goed effect had. Tijdens het eerste consult gaf cliënt aan dat er veel spanningen en emotionele zaken speelden door gebeurtenissen in het verleden waarvoor hij onder behandeling was van een psychotherapeut. Tijdens dit consult heeft cliënt een fietstest ondergaan welke niet conclusief was, vanwege een verminderde inspanningstolerantie. Cliënt had wel klachten maar er was op dat moment geen sprake van afwijkingen op het ECG. Vanwege het typische verhaal en herkenbare klachten heeft cliënt monocedocard voorgeschreven gekregen ter behandeling van angina pectoris. In mei 2020 werd een DSE uitgevoerd om te kijken of er sprake was van myocardiale ischemie hetgeen een aanwijzing is voor vernauwing(en) van de kransslagader(s). Deze DSE toonde geen ischemie (negatief test resultaat). Bij controle op 21 juli 2020 ging het met de voorgeschreven medicatie (nitraat) beter maar de klachten waren nog niet over. Vanwege zijn voorgeschiedenis en de typische klachten is cliënt om de drie maanden gezien. Cliënt hield wisselende klachten. Gezien het aspecifieke karakter van de aanhoudende klachten van cliënt en de negatieve DSE heeft de cardioloog ingeschat dat deze klachten niet verband hielden met de bloedvaten maar conditioneel van aard waren en is cliënt doorverwezen naar de hartrevalidatie. Op 13 mei 2022 bij de jaarlijkse controle gaf cliënt aan dat het goed ging en dat het traject bij Atrecht voor zijn psychische klachten zijn vruchten afwierp. Omdat de pijn- en benauwdheidsklachten afnamen onder de medicatie was er op dat moment geen reden voor aanvullende diagnostiek. De cardioloog heeft cliënt uitgelegd dat psyche en emotie een rol kunnen spelen in zijn klachten, maar dat dit niet betekent dat de somatische component van zijn klachten niet serieus genomen zijn.

Op 5 september 2022 heeft cliënt telefonisch contact opgenomen met de zorgaanbieder vanwege toenemende benauwdheid bij inspanning tijdens een loopbandtest bij de vaatchirurg. Omdat zijn behandelaar met vakantie was, heeft de secretaresse contact opgenomen met de waarnemer. Op basis van het dossier heeft de waarnemer geoordeeld dat er geen reden was voor aanvullende diagnostiek daar de klachten op dat moment gelijk waren aan de eerdere klachten en aanvullende diagnostiek (DSE) in 2020 negatief was . De inschatting van de waarnemer was dat de klachten niet acuut nader onderzoek behoefden. In het afsprakenoverzicht stond reeds een vervolgafspraak (jaarlijks) bij de eigen cardioloog gepland. De medewerkster van het medisch secretariaat heeft de cliënt teruggebeld met deze boodschap.

Overwegingen commissie
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder, te weten de cardioloog en de waarnemend cardioloog, niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelende en redelijk bekwame zorgaanbieder in een gelijke omstandigheid zou hebben gehandeld.

Vast is komen te staan dat cliënt sinds 2020 drie maandelijks en later jaarlijks met aanhoudende benauwdheids- en vermoeidheidsklachten op consult is gekomen. De cardioloog heeft in eerste instantie juist gehandeld door nader onderzoek te laten verrichten naar de oorzaak van deze klachten, temeer daar cliënt in 2011 al een hartinfarct had gehad. Uit de stukken blijkt dat de fietstest niet conclusief was, omdat cliënt voortijds moest stoppen door beperking op niet-cardiaal gebied. Op de Ecg’s die diverse malen zijn gemaakt zijn geen afwijkingen te zien. De DSE gaf een negatieve uitslag. Vanwege deze uitslagen en naar aanleiding van mededelingen van cliënt dat hij in therapie was bij een psychotherapeut, heeft de cardioloog de klachten van cliënt aan zijn psychische gesteldheid geweten en dit als zodanig ook in het medisch dossier vermeld en hierover aan de huisarts bericht. Cliënt reageerde op de medicatie en tijdens een consult is besproken om deze medicatie na verloop van tijd af te bouwen.

Cliënt heeft aanhoudend zijn klachten aan de behandelaar kenbaar gemaakt. Omdat de klachten aspecifiek waren, heeft de cardioloog deze klachten kennelijk als psychosomatisch beschouwd en dit ook als zodanig aan de huisarts gemeld. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder ten onrechte de uitslag van de DSE uit 2020 als centraal uitgangspunt van de behandeling in de daarop volgende jaren genomen. Bij het beoordelen van de uitslag van deze DSE is naar het oordeel van de commissie geen rekening gehouden met een mogelijk fout-negatieve uitslag. Hierdoor zijn de klachten die cliënt in de loop der jaren heeft geuit, hoewel herkenbaar van het doorgemaakte infarct en passend bij angina pectoris, door de cardioloog niet onderkend. Daarbij overweegt de commissie dat het ambtshalve bekend is dat als toegediende nitraten, zoals in casu monocedocard, effect hebben en als de klachten desalniettemin persisteren rekening moet worden gehouden met angina pectoris. Ook het feit dat cliënt al eerder een hartinfarct heeft gehad én diabetes patiënt is met psychische klachten maakt hem tot een patiënt die een groter risico heeft op een significante stenose in de coronairarteriën en een (recidief) hartinfarct.

Toen cliënt op 5 september 2022 contact opnam met de zorgaanbieder in verband met verergerde klachten, die vergelijkbaar waren met de klachten die hij had in 2011 toen hij een hartinfarct kreeg en die, zoals cliënt duidelijk heeft kenbaar gemaakt aan de secretaresse, geen verband hielden met stress, had de waarnemer voorts niet zonder meer mogen afgaan op de informatie uit het medisch dossier maar had zij cliënt zelf moeten spreken om te horen wat zijn klachten, die duidelijk duidden op angina pectoris, waren. Dit te meer daar cliënt regelmatig vanwege deze klachten op controle kwam en hij een eerdere ervaring had met een hartinfarct waarbij hij dezelfde klachten ervoer. Het is naar het oordeel van de commissie in die omstandigheden volstrekt onzorgvuldig om cliënt door een secretaresse te laten afschepen.

Gelet op al het vorenstaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Cliënt heeft een schadevergoeding geëist van € 25.000,- voor materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder heeft geleden.

Voor aanspraak op materiële schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Daarnaast dient de schade voor cliënt komen vast te staan.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Zij zal echter het verzoek om een materiële schadevergoeding afwijzen. Cliënt heeft weliswaar gesteld dat hij als fotograaf en musicus inkomen heeft gederfd doordat hij vanwege zijn therapie gedurende één jaar in Altrecht zijn zakenrelaties heeft verloren en geen nieuwe opdrachten heeft gekregen, maar heeft dit niet met stukken onderbouwd of anderszins voldoende aannemelijk gemaakt.

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan een vordering tot immateriële schadevergoeding worden toegewezen indien sprake is van lichamelijk letsel, indien de benadeelde in zijn goede eer of naam is aangetast dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast (lid 1 onder b).

De commissie acht voldoende aannemelijk dat cliënt gedurende langere tijd fysiek heeft geleden ten gevolge van het uitblijven van een gerichte behandeling. Aldus ligt een vergoeding van immateriële schade in de rede. De commissie ziet aanleiding tot vergoeding van deze schade, die zij naar redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 2.500,–. De gevorderde schadevergoeding zal voor het overige worden afgewezen.

Nu de klacht van cliënt gegrond wordt verklaard, ziet de commissie voorts aanleiding, onder verwijzing naar artikel 22 van haar reglement, de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.

Ten overvloede merkt de commissie op dat ook de klachtenafhandeling door de zorgaanbieder niet heeft voldaan aan de eisen die de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) hieraan stelt. Hoewel in casu de klachtafhandeling geen deel uitmaakt van de klacht, geeft de commissie de zorgaanbieder in overweging om intern de klachtbehandeling in overeenstemming te brengen met de eisen die de Wkkgz hieraan stelt.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten van cliënt gegrond;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling aan cliënt van een bedrag van € 2.500,– aan immateriële schadevergoeding binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling aan cliënt van het klachtengeld ten bedrage van € 52,50 binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies;
– wijst het meer of anders verzochte af.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. G.A. Somsen, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 1 december 2023.