Bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is tweemaal de diagnose van een littekenbreuk boven de navel gesteld. Achteraf bleek het een fistel te zijn die verkleefd was aan de darm en de buikwand. Partijen schikken ter zitting

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Diagnose    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 118598

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Stichting Ziekenhuisgroep Twente, gevestigd te Almelo (verder te noemen: het ziekenhuis)

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. Het geschil is ter zitting behandeld op 4 oktober 2018 te Amsterdam. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. Cliënte was ter zitting vergezeld van haar partner, [naam partner]. Het ziekenhuis werd ter zitting vertegenwoordigd door
[naam jurist], jurist van het ziekenhuis.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft de behandeling van cliënte door de spoedeisende hulp van het ziekenhuis, waarbij tweemaal de diagnose van een littekenbreuk boven de navel werd gesteld en het achteraf een fistel bleek te zijn die verkleefd was aan de darm en de buikwand.

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het vragenformulier dat op 18 juli 2018 is ontvangen. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

Op 5 april 2017 bezocht cliënte, die bekend is met de ziekte van Crohn, de Spoedeisende Hulp (hierna: SEH) van het ziekenhuis in verband met hevige buikpijn. Na het nemen van röntgenfoto’s concludeerden de artsen dat er een scheurtje in de buikwand zat.
De artsen vroegen of cliënte zwanger was. Zij wist dit niet, maar een ter plaatse afgenomen zwangerschapstest wees uit van niet. Er is geen bloedonderzoek gedaan om te bekijken of zij zwanger was.

Op 29 april 2017 is cliënte wederom met hevige buikpijn naar de SEH gegaan. Daar is een echo gemaakt. De artsen vonden het vreemd dat ze nog steeds zoveel pijn had, aangezien een scheurtje in de buikwand niet zoveel pijn zou moeten doen. Inmiddels had cliënte ontdekt dat zij wel zwanger was. Geadviseerd werd om eerst de zwangerschap af te wachten. Spijtig genoeg heeft cliënte kort daarna een miskraam gehad.

Op 5 mei 2017 is cliënte voor de derde maal op de SEH beland met hevige buikpijn. De volgende dag werd zij geopereerd. Tijdens de operatie bleek dat er geen sprake was van een scheurtje in de buikwand, maar van een lekkende darm die een fistel had gecreëerd, die verkleefd was aan de darm en de buikwand. De artsen hebben dan ook tot twee keer toe een verkeerde diagnose gesteld. Daarnaast heeft de ambulancebroeder vastgesteld dat aan haar veel te zware medicijnen (morfine) zijn voorgeschreven. Het is niet duidelijk of de miskraam is ontstaan door het gebruik van deze medicijnen en/of door ontstekingen aan haar lichaam, maar het heeft niet positief bijgedragen aan de zwangerschap.

In het klachtenbemiddelingstraject heeft cliënte gesproken met de medisch manager van de spoedeisende hulp. Het was niet mogelijk om met de behandelend artsen te spreken, aangezien zij niet meer werkzaam zijn bij het ziekenhuis. Cliënte voelde zich door de medisch manager niet gehoord en miste een stukje erkenning. Daarom wil zij dat haar klacht door de onderzoekscommissie wordt onderzocht, zodat in de toekomst beter wordt gekeken naar wat er aan de hand is met de patiënt en niet zomaar een (foutieve) diagnose wordt gesteld.

Ter zitting heeft cliënte onder meer nog het volgende naar voren gebracht. Cliënte is tot driemaal toe met hevige buikpijn bij de SEH van het ziekenhuis aangekomen en alle keren naar huis gestuurd.
Bij het derde bezoek weigerde zij naar huis te gaan. Er is toen direct een operatie ingepland, waaruit bleek dat er sprake was van een lekkende darm en dat zij al eerder geopereerd had dienen te worden. In de tussenliggende periode heeft cliënte dermate veel pijn gehad, dat zij zware pijnstillers nodig had.

Cliënte verlangt een schadevergoeding van het ziekenhuis van € 2.775,–.

Standpunt van het ziekenhuis

Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het verweerschrift van het ziekenhuis dat op 13 september 2018 is ontvangen.
In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De klachtbemiddelaar merkt op dat cliënte de klacht eerst aan het ziekenhuis heeft voorgelegd en een bemiddelingstraject heeft doorlopen. Cliënte wenste dat de klacht behandeld zou worden als aansprakelijkheidstelling, hetgeen is gebeurd. Cliënte heeft niet gereageerd op de reactie van het ziekenhuis op haar klacht, die erop neerkomt dat door de betrokken zorgverleners niet verwijtbaar is gehandeld, en heeft ook geen medisch advies ingewonnen bij een terzake medisch deskundige.

Cliënte is op 5 en 29 april bij de SEH van het ziekenhuis geweest wegens klachten van pijn rond de navel. Er is echografisch twee keer de diagnose van een littenbreuk boven de navel gesteld, waarbij het verslag van één echo ook vermeldt dat er sprake zou kunnen zijn van een opstoot van Morbus Crohn (darmlissen verdikt; vocht). Bij beide echo’s werd geen inklemming vermeld, zodat er geen acute operatie-indicatie is gesteld en geadviseerd werd om af te wachten, mede gezien de voorgeschiedenis (Morbus Crohn) en het feit dat cliënte nog onder analyse was van de gynaecoloog. Dat echografische en klinische bevindingen nooit met zekerheid de intra-abdominale problematiek kunnen weergeven, is een bekend medisch gegeven; een operatie brengt soms meer aan het licht dan op de klinische of echografische gronden verwachte diagnose. Dat was ook bij cliënte het geval. Dit betekent niet dat de aanvankelijke diagnose berust op een vergissing of het gevolg is van onzorgvuldig handelen.

Na het bezoek aan de SEH op 29 april is pijnstilling meegegeven en cliënte is geïnstrueerd om zich bij evidente toename van pijn of roodheid opnieuw te melden. Op 5 mei 2017 is cliënte door de ambulance naar de SEH gebracht. Omdat toen wel het vermoeden bestond dat er sprake zou kunnen zijn van inklemming, werd de beslissing genomen om te opereren. Tijdens de operatie bleek er sprake te zijn van een andere oorzaak van de klachten. Dat preoperatieve bevindingen anders zijn dan de peroperatieve diagnose, komt – zoals is vermeld – vaker voor.

De klacht houdt in dat op de SEH twee keer een diagnose is gesteld die later niet juist bleek te zijn. Cliënte heeft niet onderbouwd waarom, met de kennis die toen beschikbaar was, een andere diagnose gesteld had moeten worden. Geneeskunde is geen exacte wetenschap en kennis achteraf kan niet gebruikt worden om een arts met succes onzorgvuldigheid te verwijten. Cliënte zal (met verwijzing naar beroepsrichtlijnen, handboeken, wetenschappelijke publicaties, etc.) moeten aantonen dat met de kennis die op de SEH beschikbaar was, de diagnose niet gesteld had moeten worden of dat ander handelen aangewezen was.

De klacht bevat ook een opmerking over de voorgeschreven dosering morfine. Daarbij zijn geen artsen van het ziekenhuis betrokken geweest aangezien deze voorgeschreven bleek te zijn door de huisarts. Of cliënte daadwerkelijk teveel morfine voorgeschreven heeft gekregen is het ziekenhuis overigens niet duidelijk. Cliënte heeft tijdens de opname na de operatie opgemerkt dat zij al maanden veel Oxycontin en Oxynorm gebruikt.
Gezien het voorgaande ontbreken aanknopingspunten waaruit blijkt dat verwijtbaar is gehandeld. Dat tijdens de operatie bleek dat de klachten een andere oorzaak hadden, betekent niet dat verwijtbaar is gehandeld. Dit laat onverlet dat cliënte een vervelende periode heeft doorgemaakt waarbij zij ook een miskraam te verwerken kreeg. De betrokken zorgverleners betreuren dat zeer.
Volledigheidshalve wordt betwist dat cliënte schade heeft geleden en dat deze het gevolg is van onzorgvuldigheid.

Het ziekenhuis verzoekt daarom om de klacht van cliënte ongegrond te verklaren.

Schikking

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de wijze waarop het geschil opgelost zal worden. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Volstaan wordt met het hierna vastleggen van de tussen partijen tot stand gekomen schikking.

Het ziekenhuis zal, zonder erkenning van aansprakelijkheid, aan cliënte een vergoeding betalen van
€ 500,– ter finale beslechting van het geschil.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De zorgverlener dient aan cliënte een vergoeding te betalen van € 500,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Aldus beslist op 4 oktober 2018 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.