Beslissing om cliënt bij rugklachten niet te opereren voldeed aan de geldende professionele standaard

De Geschillencommissie Zorg
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Diagnose    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 108751

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënt en Stichting Nijmeegs Interconfessioneel Ziekenhuis Canisius Wilhelmina, gevestigd te Nijmegen (verder te noemen het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 14 juli 2017 te Breda.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Cliënt heeft de zitting bijgewoond.

Het ziekenhuis heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] en [Klachtenfunctionaris].

[Orthopedisch chirurg (gepensioneerd)], was op verzoek van beide partijen bij de zitting aanwezig. 

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op de gang van zaken bij de diagnostisering en behandeling van rugklachten bij cliënt. Tevens ziet het geschil op de behandeling van klachten van cliënt door het ziekenhuis.

Standpunt van cliënt

Het standpunt van cliënt luidt als volgt.

Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie allereerst naar de door cliënt en het ziekenhuis overgelegde stukken. Deze dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënt op het volgende neer.

Cliënt is bij het ziekenhuis in behandeling geweest voor pijnklachten aan de rug. Op 13 september 2001 heeft zijn toenmalige behandelaar, [orthopedisch chirurg], een spondylodese dorsaal aangebracht, hetgeen de klachten deed verminderen. Zoals verwacht en cliënt destijds ook aangekondigd was, zouden de klachten op termijn kunnen terugkomen. In 2012 kreeg cliënt weer last van rugpijn. Tevens kreeg cliënt pijnklachten aan zijn scrotum. Toen de klachten verergerden wilde cliënt zich vervoegen bij de pijnpoli van het ziekenhuis. Hiervoor diende hij eerst naar een orthopeed te gaan. [orthopedisch chirurg] bleek inmiddels met pensioen te zijn. Diens cliënten werden overgenomen door [arts], eveneens orthopedisch chirurg. Op 5 maart 2015 heeft cliënt een eerste consult gehad bij [arts]. [Arts] oordeelde naar aanleiding van een MRI-scan dat er niets aan de hand was met de rug van cliënt, en heeft die onjuiste diagnose gedurende zeven volgende consulten gehandhaafd. [Arts] heeft cliënt in deze periode (niet schriftelijk) verwezen naar een uroloog en (eveneens niet schriftelijk) naar een Mensendieck therapeut, wat cliënt nog veel meer pijn opleverde. Op 21 april 2015 is bij cliënt een test gedaan bij de pijnpoli, waarbij middels het inbrengen van een naald onmiddellijk de plaats waar het probleem zat werd gevonden, de plaats waar [orthopedisch chirurg] al eerder het probleem geconstateerd had. Er is geprobeerd op 15 en 27 mei 2015 het probleem te verhelpen met stroomstootbehandeling aan de zenuwwortel, maar dit mocht niet baten. Op 22 juli 2015 heeft cliënt wederom een consult gehad bij [arts] omdat de Mensendieck oefeningen niet hielpen. Daarop heeft [arts] verklaard dat cliënt maar een middenweg diende te zoeken. Omdat cliënt het hier niet mee eens was en aangaf dat het niet langer ging, besloot [arts] een nucleaire botscan (botscintigrafie) te laten maken. Op 5 augustus 2015 is deze botscan gemaakt. De uitslag op 12 augustus 2015 was dat er met de bottenstructuur van cliënt niets aan de hand was en dat de oorzaak van de rugpijn niet bekend was.
In het dossier van cliënt staat echter te lezen dat al in 2012 bekend was wat de oorzaak was van de pijnklachten en een behandeladvies, i.e. een schrijven van [anesthesioloog van de pijnpoli van het ziekenhuis], aan [orthopedisch chirurg] d.d. 11 januari 2012 dat een discopathie ter hoogte van L5-S1 en L4-L5 is geconstateerd. Naar cliënt vermoedt heeft [arts] dit dossier niet doorgenomen, anders had hij de oorzaak van de pijnklachten geweten en ernaar kunnen handelen, conform het advies van [anesthesioloog], te weten een discusbehandeling.
[Arts] bleek de huisarts een brief te hebben gestuurd waarin hij meldde dat cliënt bij een neuroloog was geweest en dat hij een afwachtend beleid voorstond. Cliënt is niet bij een neuroloog geweest – dat had echter wel gemoeten – en leed nog steeds aan hevige rugpijn.
Cliënt is bij toeval op het spoor gekomen van een neurochirurg in Sint Niklaas, België, die binnen enkele minuten middels röntgenfoto’s constateerde dat een tussenwervel kapot was en dat de daarboven zittende wervel kon verschuiven. Op 7 december 2015 is cliënt in België geopereerd. Daarbij is de eerder aangebrachte spondylodese vervangen door een andere met vastzetting van één wervel hoger. Sindsdien gaat het beter met cliënt.
Cliënt heeft zich beklaagd dat [arts] zijn medische geschiedenis in het dossier had moeten bestuderen om te bezien of hij niet toch van de gangbare afwachtende behandelwijze had moeten afwijken en had moeten opereren, omdat cliënt daar al eerder, in 2001, baat bij had gehad. Cliënt heeft als gevolg van de behandeling door [arts] maandenlang met een korset rondgelopen en nachtenlang wakker gelegen van de pijn en het gepieker.

Cliënt heeft op 21 december 2015 telefonisch contact gehad met [de klachtenfunctionaris]. Op haar verzoek heeft cliënt zijn klacht op schrift gezet en op 28 januari 2016 ingediend bij de Raad van Bestuur. Op 3 februari 2016 heeft cliënt een ontvangstbevestiging van de klachtbrief gehad van de adviseur van de Raad van Bestuur, met de mededeling dat de klacht zou worden doorgegeven aan [klachtenfunctionaris]. Op 1 maart 2016 heeft cliënt via [klachtenfunctionaris] van de medisch manager, [naam], vernomen dat er geen fouten waren gemaakt in de behandeling van cliënt. Op 4 april 2016 is cliënt door [medisch manager] gebeld die aangaf niets op schrift te willen stellen en niet inhoudelijk op de klacht van cliënt wilde ingaan. Hierop heeft cliënt zijn klacht op 11 mei 2016 herhaald. Op 13 mei 2016 heeft cliënt een brief ontvangen van [arts], die inmiddels elders werkzaam was, waarin deze niet inhoudelijk op de klacht inging, maar wel verklaarde dat cliënt niet naar een neuroloog was geweest maar naar een uroloog. Op 28 november 2016 heeft cliënt wederom zijn klacht herhaald waarbij hij tevens een claim indiende van € 10.000,–, vanwege de onvrede over de manier waarop hij in het ziekenhuis is behandeld. Ook hierop is een reactie van het ziekenhuis uitgebleven. Inmiddels had cliënt besloten een externe klachtencommissie te willen benaderen. Hiertoe diende hij volgens [klachtenfunctionaris] zijn klacht aan de klachtencommissie van het ziekenhuis te sturen. Hierin had cliënt weinig vertrouwen, reden waarom hij besloot de Raad van Bestuur te benaderen op 11 januari 2017. Ook hierop heeft cliënt geen reactie ontvangen.

Resumerend zijn de klachten van cliënt:
– het ziekenhuis weigert inhoudelijk en schriftelijk op de klacht van 28 januari 2016 in te gaan en probeert deze louter telefonisch af te handelen;
– [arts] stond ten tijde van de klacht niet geregistreerd in het BIG-register, althans die registratie was niet voor cliënt traceerbaar;
– zowel de medisch manager [naam] als [arts] zijn ten onrechte van mening dat er niets aan de hand was met de rug van cliënt en dat er medisch juist gehandeld is;
– [arts] heeft geen dossier bijgehouden en het reeds aanwezige dossier ook niet bestudeerd;
– [arts] heeft met niemand overlegd toen hij zijn foute diagnose stelde en die diagnose zeven consulten lang gehandhaafd;
– de onderzoeken die zijn uitgevoerd bij cliënt zijn nutteloos geweest en de niet schriftelijke verwijzingen nutteloos en foutief alsook schadelijk;
– [arts] heeft cliënt in het ongewisse gelaten over de aard van zijn klachten, hetgeen voor cliënt en zijn partner geestelijk zeer belastend is geweest.

Cliënt verzoekt de commissie zijn klachten jegens het ziekenhuis gegrond te verklaren en een vergoeding vast te stellen voor geleden schade van € 25.000,–.

Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van het ziekenhuis zoals dat blijkt uit de door de commissie ontvangen stukken en uit hetgeen ter zitting is verklaard luidt – zakelijk weergegeven en per klachtonderdeel – als volgt.

Het ziekenhuis wil niet inhoudelijk en schriftelijk reageren op de klachtbrief van cliënt en probeert deze louter telefonisch af te handelen.
Het ziekenhuis heeft schriftelijk gereageerd op de verschillende klachtbrieven van 28 januari 2016, 11 mei 2016 en 28 november 2016. Ten bewijze hiervan heeft het ziekenhuis kopieën van haar reactie op de klachtbrieven bijgesloten d.d. 13 mei 2016, 29 december 2016 en 13 januari 2017. [Arts] heeft in een brief d.d. 10 mei 2016 gereageerd op de klacht. Naar het ziekenhuis heeft verklaard is na ontvangst van de klacht van cliënt d.d. 28 januari 2016 eerst in goed overleg met cliënt een bemiddelingstraject opgestart. Toen bleek dat cliënt zijn klacht en claim handhaafde is de klachtbrief doorgezonden naar juridische zaken. Er is steeds contact gehouden met cliënt en het ziekenhuis stond vlak voor een inhoudelijke reactie ten aanzien van de claim toen cliënt zijn klacht en claim van € 25.000,– bij de commissie voorlegde. Het klachtbehandelingstraject in het ziekenhuis was derhalve nog niet afgerond. Het ziekenhuis verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

[Arts] is niet BIG-geregistreerd, althans die registratie is niet voor cliënt traceerbaar.
Het ziekenhuis heeft kopieën van documenten bijgevoegd waaruit blijkt dat [arts] vanaf 9 augustus 2006 als arts staat geregistreerd in het BIG-register en vanaf 16 februari 2014 als orthopedisch chirurg is ingeschreven in het specialistenregister. Het ziekenhuis verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

Zowel de medisch manager als [arts] zijn ten onrechte van mening dat er niets aan de hand was met de rug van cliënt en dat er medisch juist is gehandeld.
In de brief d.d. 10 mei 2016 heeft [arts] verklaard dat de vermelding in de brief aan de huisarts dat cliënt bij een neuroloog is geweest niet correct is en dat sprake is geweest van een bezoek aan een uroloog. Mogelijk is bij het uitwerken van de door [arts] gedicteerde brief door het secretariaat een term verkeerd verstaan.
In bovengenoemde brief d.d. 10 mei 2015 aan cliënt heeft [arts] tevens vermeld dat bij het eerste consult op 5 maart 2015 vanwege de grote reisafstand voor cliënt direct een MRI-scan van de lumbale wervelkolom van cliënt is gemaakt die met hem is besproken op dezelfde dag. Daarnaast is een röntgenfoto gemaakt van de lumbale wervelkolom en van het bekken. Daarop is geen aanwijzing gevonden voor beknelde zenuwstructuren. Er is een maximaal conservatief beleid geadviseerd. Voor de pijnklachten ter hoogte van het scrotum is cliënt verwezen naar een uroloog. Tevens heeft [arts] verklaard dat hij cliënt bij het consult op 22 juli 2015 wegens persisterende invaliderende pijnklachten heeft verwezen voor een botscintigrafie. De uitslag daarvan is met cliënt op 12 augustus 2015 besproken. De botscintigrafie met aanvullende SPECT opname van de lumbale wervelkolom en het bekken toonde geen afwijkingen, waarop [arts] een expectatief beleid heeft geadviseerd. Ook retrospectief is [arts] van mening dat dit een zorgvuldige weloverwogen beslissing is geweest.
Aanvullend hierop heeft het ziekenhuis in haar verweer verklaard dat in Nederland operatief ingrijpen, gelet op de risico’s, onder de gegeven omstandigheden niet tot de professionele standaard behoort, en dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat pleit vóór operatief ingrijpen in de onderhavige situatie. Indien de operatie in België al als geslaagd zou kunnen worden aangemerkt, is daarmee niet gegeven dat het expectatieve beleid bij het ziekenhuis onzorgvuldig is geweest. Het ziekenhuis verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

Aanvullend heeft [orthopedisch chirurg] ter zitting verklaard in 2001 na overleg met een collega te hebben besloten tot een operatie, die goed heeft uitgepakt. De prognose was in 2001 dat een verslechtering van het toestandsbeeld na 12 jaar mogelijk zou zijn. Zulks is ook geschied. Tevens heeft [orthopedisch chirurg] verklaard dat [arts] in zijn optiek geen fouten heeft gemaakt en dat een expectatief beleid in lijn is met de huidige richtlijnen van de beroepsgroep voor het onderhavige toestandsbeeld. [Arts] heeft naar het medisch oordeel van [orthopedisch chirurg] gehandeld zoals van een redelijk handelend collega verwacht mag worden. 

[Arts] heeft aangegeven het vervelend voor cliënt te vinden dat het consult, de analyse en behandeling van de klachten niet aan zijn verwachtingen hebben voldaan en heeft aangeboden om een afspraak te maken om zijn overwegingen ten aanzien van zijn medisch oordeel en beslissing nader met cliënt te bespreken.

[Arts] heeft geen dossier bijgehouden en het reeds aanwezige dossier ook niet bestudeerd.
Naar het ziekenhuis in het verweer en ter zitting heeft verklaard blijkt uit het medisch dossier van cliënt dat het dossier is bijgehouden. Uit niets blijkt dat de behandelend arts bepaalde informatie niet zou hebben betrokken bij zijn oordeelsvorming. Bij het medisch dossier zijn zowel de afdeling neurologie als de afdeling orthopedie betrokken geweest. Mogelijk is van belang geweest dat cliënt zijn dossier heeft opgevraagd bij orthopedie, en dat als gevolg van het nog niet geheel geïntegreerde elektronische dossier delen van het dossier van neurologie in de kopie voor cliënt hebben ontbroken.
Op de aan cliënt geleverde cd zijn wel alle dossieronderdelen te zien.
Het ziekenhuis verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

[Arts] heeft met niemand overlegd toen hij zijn foute diagnose stelde en die diagnose zeven consulten lang gehandhaafd.
Indien vereist voor een goede behandeling dient een behandelaar met een collega of andere specialist te overleggen. In de onderhavige kwestie is naast [arts] een pijnspecialist/anesthesioloog bij de behandeling betrokken en hebben in een multidisciplinair overleg (MDO) ook een neuroloog, neurochirurg, fysiotherapeut en een psycholoog meegedacht. Van een MDO worden geen notulen gemaakt, althans, destijds niet.
Het ziekenhuis verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

De onderzoeken die zijn uitgevoerd bij cliënt zijn nutteloos geweest en de niet schriftelijke verwijzingen nutteloos en foutief, alsook schadelijk.
Cliënt lijkt uit een brief van een pijnspecialist van de pijnkliniek van het ziekenhuis d.d. 11 januari 2012 af te leiden dat de oorzaak van zijn later opnieuw optredende pijnklachten bekend zou zijn, te weten een slijtage van een tussenwervelschijf, en dat een discusbehandeling mogelijk enige verbetering zou kunnen geven. Het betrof destijds echter niet meer dan een overweging, en er is destijds, in 2012 dus, ook niet voor gekozen. De aldaar genoemde discusbehandeling is een vorm van pijnbestrijding waarvoor later na uitvoerig overleg niet is gekozen. Inmiddels is uit onderzoek gebleken dat deze behandeling weinig effect heeft waarna zorgverzekeraars hebben besloten deze behandeling niet meer te vergoeden. Daarnaast vermelden de onderzoeksverslagen uit 2015 niets over een discopathie en is dit ook niet de behandeling die in België is uitgevoerd.
Het ziekenhuis bestrijdt dat het probleem al in 2012 bekend was en dat er onnodig onderzoeken zijn verricht. Het ziekenhuis verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

Voor zover de klacht ziet op de verwijzing naar Mensendieck therapie heeft het ziekenhuis verklaard niet in te zien waarom cliënt stelt dat er niet had mogen worden doorverwezen naar een Mensendieck therapeut. Er was geen indicatie voor operatief ingrijpen, de pijnbehandeling gaf niet het gewenste resultaat en overbelasting speelde mogelijk een rol. Een Mensendieck therapeut kan in een dergelijk geval mogelijk een belangrijke rol spelen. Er was naar de mening van het ziekenhuis geen contra-indicatie voor deze therapie. Het ziekenhuis verzoekt de commissie ook dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

[Arts] heeft cliënt in het ongewisse gelaten over de aard van zijn klachten, hetgeen voor cliënt en zijn partner geestelijk zeer belastend is geweest.
Naar het ziekenhuis heeft verklaard is op gedegen en weloverwogen wijze onderzoek gedaan om de oorzaak van de klachten van cliënt op te sporen en een behandeling vast te stellen. De onderzoeksresultaten zijn cliënt direct teruggekoppeld.

Het ziekenhuis is van mening dat door betrokken behandelaren is gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot onder vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden en verzoekt de commissie de klacht van cliënt ongegrond te verklaren en het door cliënt verlangde af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de stukken en het over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De klacht dat het ziekenhuis niet inhoudelijk en schriftelijk wil reageren op de klachtbrief van cliënt en deze louter probeert telefonisch af te handelen.
Cliënt heeft zich erover beklaagd dat het ziekenhuis de (inhoudelijke) behandeling van zijn klachten afhoudt en zoveel mogelijk telefonisch wil afdoen. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard is de commissie niet gebleken dat het ziekenhuis niet inhoudelijk is ingegaan op de klachten. Het is de commissie duidelijk geworden dat naar aanleiding van de klachtbrief van 28 januari 2016 telefonisch contact met cliënt is opgenomen door de klachtenfunctionaris en de medisch manager van het ziekenhuis. Voorts is de commissie uit hetgeen ter zitting is verklaard duidelijk geworden dat naar aanleiding van die brief een bemiddelingstraject is ingezet. Bij brief van 13 mei 2016 heeft de klachtenfunctionaris in reactie op de klacht(brief van 28 januari 2016) en de brief van cliënt van 11 mei 2016 een reactie van [arts] aan cliënt doen toekomen, waarbij zij aangeeft dat indien cliënt naar aanleiding van deze klachtbehandeling een schadeclaim wil indienen, hij dit kan doen middels een brief aan de Raad van Bestuur. Uit de bijgesloten brief van [arts] blijkt een beschrijving van de behandelwijze van cliënt en de reden waarom hij een expectatief beleid heeft geadviseerd, een besluit waar hij nog steeds achter staat, ondanks de visie van cliënt daarover. Weliswaar is geen oordeel over de klacht gegeven in de zin van dat in de brief van 13 mei 2016 van het ziekenhuis de termen gegrond of ongegrond zijn gebruikt, maar in de reactie van [arts] is duidelijk kenbaar dat en waarom hij het niet eens is met de klacht van cliënt. Gelet hierop is geen aanleiding te oordelen dat het ziekenhuis, in dit geval bij monde van [arts], niet inhoudelijk of schriftelijk op de klacht van cliënt wil reageren. Dit klachtonderdeel acht de commissie dan ook ongegrond.
Het voorgaande daargelaten merkt de commissie nog wel op dat mogelijk verwarring bij cliënt is ontstaan over de verschillende trajecten, te weten de (interne) klachtbehandeling, het bemiddelingstraject, alsmede een (schriftelijke) behandeling door een (externe) klachtencommissie dan wel een klacht/claim bij de Raad van Bestuur. Een dergelijke verwarring acht de commissie, gelet op de gang van zaken, niet onbegrijpelijk en zij kan zich daarom voorstellen dat het ziekenhuis voortaan op heldere wijze aan klagers communiceert over de procedure rondom klachtbehandeling en duidelijk is over het verschil tussen een bemiddelingstraject en behandeling door de klachtencommissie dan wel de Raad van Bestuur, zodat klagers weloverwogen een keus kunnen maken tussen de verschillende mogelijkheden van klachtbehandeling. Het ziekenhuis heeft overigens ter zitting verklaard inmiddels een verbetertraject hiervoor te hebben ingezet.

De klacht dat [arts] niet BIG-geregistreerd zou zijn, althans dat die registratie niet voor cliënt traceerbaar zou zijn.
Uit de stukken is de commissie gebleken dat [arts] vanaf 9 augustus 2006 als arts in het BIG-register staat geregistreerd en vanaf 16 februari 2014 als orthopedisch chirurg is ingeschreven in het specialistenregister. Het BIG-register is voor eenieder raadpleegbaar, aldus ook voor cliënt.
De commissie zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.

Vanwege hun onderlinge samenhang zal de commissie de onderstaande klachtonderdelen samen behandelen:
– [arts] heeft geen dossier bijgehouden en het reeds aanwezige dossier ook niet bestudeerd;
– zowel de medisch manager als [arts] zijn ten onrechte van mening dat er niets aan de hand was met de rug van cliënt en dat er medisch juist is gehandeld;
– [arts] heeft met niemand overlegd toen hij zijn foute diagnose stelde en die diagnose zeven consulten lang gehandhaafd;
– de onderzoeken die zijn uitgevoerd bij cliënt zijn nutteloos geweest en de niet schriftelijke verwijzingen nutteloos en foutief alsook schadelijk.

Gelet op het medisch dossier van cliënt met daarin onder andere het decursus, gespreksverslagen en de brief aan de huisarts, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van gebrekkige dossiervoering. Zo zijn bijvoorbeeld alle consulten die door cliënt zijn genoemd in het dossier beschreven. Daarnaast heeft het ziekenhuis onweersproken gesteld dat de casus van cliënt in meerdere multidisciplinaire overleggen (MDO’s) door [arts] is ingebracht en besproken met het team. De commissie ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Het ziekenhuis heeft verklaard dat het destijds niet gebruikelijk was om van een dergelijk overleg notulen te maken, en dat deze dus ook niet terug te vinden zijn in het dossier van cliënt. Ook [orthopedisch chirurg] heeft ter zitting verklaard dat toen hij daar werkzaam was geen aantekeningen of verslagen werden gemaakt van dergelijke MDO’s. Volgens het ziekenhuis heeft [arts] het gebied van de klachten zorgvuldig en niet onnodig in beeld laten brengen alvorens een beslissing te nemen. Gelet op de risico’s die kleven aan operatief ingrijpen, behoort dit in de gegeven omstandigheden niet tot de professionele standaard in Nederland. Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat pleit vóór operatief ingrijpen in de onderhavige situatie, aldus het ziekenhuis.
Ten aanzien van de wijze van behandeling en de uitgevoerde onderzoeken heeft [orthopedisch chirurg] ter zitting verklaard dat [arts] heeft gehandeld volgens de medisch-professionele standaard, en dat deze daarbij in zijn visie geen fouten heeft gemaakt. Tevens heeft [orthopedisch chirurg] verklaard dat hij zich de verwijzing door [arts] naar een Mensendieck therapeut goed kan voorstellen. Dat [orthopedisch chirurg] in het verleden wel de beslissing heeft genomen om buiten het gebaande pad te gaan en cliënt te opereren, betekent niet dat de beslissing van [arts] om cliënt niet te opereren aan [arts] verweten kan worden, aldus [orthopedisch chirurg]. De commissie ziet geen reden te twijfelen aan het medisch oordeel van [orthopedisch chirurg]. Ook de commissie is noch uit de stukken, noch uit hetgeen ter zitting is verklaard, gebleken van enige onzorgvuldigheid bij de behandeling van cliënt. Daarbij merkt de commissie op dat de door [arts] voorgeschreven onderzoeken op 5 maart en 22 juli 2015 in overleg met cliënt zijn gepland en uitgevoerd. De commissie is van oordeel dat het ziekenhuis hiermee heeft gehandeld zoals van een goed hulpverlener mag worden verwacht. Niet is gebleken dat niet conform de geldende professionele standaard is gehandeld.
De commissie zal de klachtonderdelen ongegrond verklaren.

De klacht dat [arts] cliënt in het ongewisse heeft gelaten over de aard van zijn klachten, hetgeen voor cliënt en zijn partner geestelijk zeer belastend is geweest.
Naar het ziekenhuis heeft verklaard is op gedegen en weloverwogen wijze onderzoek gedaan om de oorzaak van de klachten van cliënt op te sporen en een behandelingsplan vast te stellen. De onderzoeksresultaten zijn cliënt direct teruggekoppeld. Dit heeft de commissie teruggelezen in het dossier van cliënt. De commissie zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Dat neemt uiteraard niet weg dat er begrip is voor de situatie van cliënt. De commissie, evenals het ziekenhuis, betreurt het dat cliënt lange tijd onder zijn klachten geleden heeft.

Schadeclaim.
Aangezien de commissie alle klachtonderdelen ongegrond heeft verklaard, komt zij aan de beoordeling van dit punt niet toe.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot het oordeel dat de klacht op alle onderdelen ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing

De commissie;
– verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond
– wijst de gevraagde schadeclaim af.

Aldus beslist op 14 juli 2017 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.